Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:718

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
200.231.948/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht mondelinge uitspraak. Artikel 30p Rv niet van toepassing, omdat inleidend verzoekschrift bij de rechtbank voor 1 september 2017 is ingediend. Machtiging uithuisplaatsing bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.231.948/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 17-1717

zaaknummer rechtbank : C/10/527821

beschikking van de meervoudige kamer van 4 april 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. Jhingoer te Rotterdam,

tegen

Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[pleegouders] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de netwerkpleegvader respectievelijk de netwerkpleegmoeder, tezamen de pleegouders.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 23 januari 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De gecertificeerde instelling heeft op 23 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 1 februari 2018 met bijlagen, ingekomen op 7 februari 2018;

- een brief van de zijde van de moeder van 6 maart 2018 met bijlagen.

2.4

De raad heeft het hof bij brief van 7 februari 2018, ingekomen op 8 februari 2018, medegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. F. Boone, kantoorgenoot van mr. Jhingoer;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] ;

- de netwerkpleegmoeder.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De moeder oefent alleen het gezag uit over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).

3.3

Bij beschikking van 22 januari 2016 is de ondertoezichtstelling over de minderjarige tot 22 januari 2017 uitgesproken en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegmoeder verleend voor de periode van een half jaar. Bij beschikking van 7 juli 2016 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin verlengd tot 22 januari 2017.

3.4

Bij beschikking van 9 januari 2017 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 22 januari 2018 en is de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin verlengd tot uiterlijk 22 juli 2017.

3.5

Bij beschikking van 11 juli 2017 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerk, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend tot 22 november 2017.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerk, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend met ingang van 22 november 2017 tot 22 januari 2018. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De moeder is het niet eens met deze beslissing en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De gecertificeerde instelling bestrijdt het hoger beroep van de moeder en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder voert (in het beroepschrift, zoals aangevuld) ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Zij heeft haar leven inmiddels weer op orde. Zo heeft zij een eigen woning in [plaats] en een bijstandsuitkering. Ook heeft zij zich ingeschreven voor een nieuwe opleiding en probeert zij haar leven op te bouwen. In haar beleving krijgt zij geen kans om de band met de minderjarige verder op te bouwen. Haar insteek is altijd geweest dat de minderjarige vroeg of laat weer bij haar zou gaan wonen. Nu de rechtbank stelt dat de moeder, gelet op haar persoonlijke problematiek en de beperkingen van de minderjarige, onvoldoende in staat is hem de bijzondere zorg te geven die hij nodig heeft, wordt de terugplaatsing bij de moeder onmogelijk gemaakt.

5.2

De gecertificeerde instelling voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De gecertificeerde instelling is van mening dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De minderjarige is een jongen met een ontwikkelingsachterstand, hechtingsproblemen en een cognitieve beperking. Om duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van de minderjarige heeft de gecertificeerde instelling beslissingsdiagnostiek van het Kennis- en Service Centrum Diagnostiek (hierna: KSCD) ingezet. Uit het KSCD-onderzoek van december 2016 komt naar voren dat de moeder - voor wat betreft de verstandelijke vermogens - functioneert op laag begaafd intelligentieniveau. De moeder is betrokken op en beschermend naar de minderjarige. Haar vermogen om zich daadwerkelijk in zijn beleving en behoeften te verplaatsen lijkt beperkt. Zij heeft weinig zicht op de ontwikkeling(bijzonderheden) van de minderjarige en heeft weinig kennis van wat bij zijn leeftijdspassende ontwikkelingstaken zijn. De moeder heeft moeite mee te groeien met de ontwikkeling van de minderjarige en benadert hem als een jonger kind, waarmee ze hem klein houdt en te weinig ruimte geeft voor exploratie. Ze is gericht op het verzorgen en signaleert geen zorgen. Hierdoor is zij niet in staat de juiste ontwikkelingsstimulans te bieden. De gecertificeerde instelling is van mening dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De nagestreefde doelen kunnen niet worden bereikt als de minderjarige bij de moeder woont. De gecertificeerde instelling concludeert dat de moeder onvoldoende tegemoet kan komen aan wat de minderjarige (meer dan een gemiddeld kind) in de opvoeding vraagt, als gevolg van praktische factoren, persoonlijke problematiek en beperkte opvoedingsvaardigheden.

Uitspraak rechtbank ter zitting

5.3

Tijdens de zitting is besproken of de bestreden beschikking voldoet aan de voorschriften van het op 1 september 2017 in werking getreden artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv). Dat artikel bepaalt in het eerste lid dat de rechter tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak kan doen, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen. De advocaat van de moeder heeft desgevraagd gemotiveerd betoogd dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd omdat deze niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. Het hof stelt vast dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat artikel 30p Rv in temporele zin van toepassing is op de onderhavige uitspraak, aangezien blz. 3 van de bestreden beschikking vermeldt: ‘De kinderrechter acht het in het belang van de minderjarige dat onmiddellijk mondeling uitspraak wordt gedaan, ondanks het feit dat niet alle belanghebbenden ter zitting zijn verschenen’. Het hof is op grond van het bepaalde artikel III van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht - dat het overgangsrecht voor de civiele procedure regelt -, tot de conclusie gekomen dat artikel 30p Rv echter niet van toepassing is op deze zaak omdat het inleidende verzoek bij de rechtbank vóór 1 september 2017 is ingediend. Ook overigens is de vraag of het ontbreken van de netwerkpleegvader bij de behandeling in eerste aanleg, terwijl de netwerkpleegmoeder wel aanwezig was, in de weg staat aan het doen van een mondelinge uitspraak, nu artikel 30p Rv spreekt dat “alle partijen” ter zitting aanwezig moeten zijn en niet gedefinieerd is wat de wet onder het begrip “partijen” verstaat. Niet duidelijk is of dit de procespartijen sec betreft of ook alle overige belanghebbenden. In de onderhavige situatie kan ervan worden uitgegaan dat het standpunt van de netwerkpleegouders ter zitting voldoende aan de orde is gekomen met het verschijnen van de netwerkpleegmoeder.

Machtiging uithuisplaatsing

5.4

Het hof overweegt voorts als volgt. De periode waarvoor de machtiging is verleend is op 22 januari 2018 verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 22 november 2017 tot 22 januari 2018 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.5

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.6

Naar het oordeel van het hof is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige bij de netwerkpleegouders ten tijde van het geven van de beslissing op juiste gronden verleend. Destijds waren er ernstige zorgen om (de ontwikkeling van) de minderjarige en de wijze waarop de moeder met de problemen omging. De minderjarige is in de eerste jaren van zijn leven in een zorgelijke opvoedomgeving opgegroeid. In september 2015 zijn in het ziekenhuis bij de minderjarige drie fracturen en onderhuidse bloeduitstortingen vastgesteld, waarbij het sterke vermoeden bestond dat dit het gevolg was van toegebracht letsel. De botbreuken waren op verschillende momenten ontstaan, zo bleek uit de botscans. De kinderrechter concludeerde destijds dat de minderjarige in de periode dat hij bij zijn moeder en haar ex-partner heeft gewoond, meermalen aan een onveilige situatie moet zijn blootgesteld. Ook heeft de minderjarige in januari 2017 in kritieke toestand in het ziekenhuis gelegen vanwege acuut leverfalen en wilde de moeder geen toestemming geven voor het benodigde biopt, om de oorzaak van zijn leverfalen op te sporen. Volgens haar was dit niet nodig. Bij de minderjarige was voorts sprake van een forse ontwikkelingsachterstand op het gebied van zijn spraak, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder toonde geen inzicht in de problemen van de minderjarige. Zij kon dan ook niet accepteren dat hij specifieke hulpverlening nodig heeft en dat zijn problemen niet worden verholpen door hem in het regulier onderwijs te laten instromen zodat hij kan zien hoe andere kinderen zich gedragen en hun gedrag kan overnemen. Sinds de minderjarige bij de netwerkpleegouders verblijft, ontwikkelt hij zich positief. De netwerkpleegouders houden zich aan de afspraken die met de gecertificeerde instelling gemaakt worden. Uit het destijds verrichte KSCD-onderzoek is gebleken dat een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder niet in zijn belang is.

5.7

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de moeder ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg - gelet op haar persoonlijke problematiek en de beperkingen van de minderjarige - onvoldoende in staat was om de minderjarige de bijzondere zorg te geven die hij nodig heeft. Dat de moeder recentelijk een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, zoals door haar is gesteld en van de zijde van de gecertificeerde instelling ter zitting is bevestigd, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin op het moment van het geven van de beslissing op juiste gronden is verleend. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.8

Het hof overweegt ten overvloede dat ter zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling, anders dan het KSCD-rapport suggereert, de intentie heeft om te gaan bezien of terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder inmiddels tot de mogelijkheden behoort. Het hof geeft partijen mee om vooraf duidelijke afspraken te maken ten aanzien van de voorwaarden waaraan de moeder moet voldoen om een terugplaatsing van de minderjarige bij haar mogelijk te maken.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, I. Obbink-Reijngoud en F. Ibili, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en is op 4 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.