Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:685

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
200.223.489/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbitrage, verlof tenuitvoerlegging arbitraal vonnis, Verdrag van New York, vereiste van vertaling in Nederlandse taal, opchorting verlof wegens vernietigingsprocedure in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/55
NTHR 2018, afl. 4, p. 219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.223.489/01

beschikking van 17 april 2018 (bij vervroeging)

inzake

Dunav Re A.D.O. Beograd,

gevestigd te Belgrado, Servië,

verzoekster in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: Dunav Re,

advocaat: mr. A.E. Schluep te Amsterdam,

tegen

Dutch Marine Insurance B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in de hoofdzaak,

verzoekster in het incident,

hierna te noemen: DMI,

advocaat: mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Dunav Re heeft bij verzoekschrift (met producties) dat bij het hof is binnengekomen op 2 oktober 2017, het hof verzocht om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 8 juni 2016, gewezen in Belgrado (Servië) tussen Dunav Re en DMI, alsmede om veroordeling van DMI in de kosten van het geding, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

1.2

Bij verweerschrift (met producties), tevens houdende subsidiair een verzoek tot aanhouding, meer subsidiair tot het verstrekken van zekerheid, heeft DMI geconcludeerd dat het hof Dunav Re niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek, althans dit verzoek zal afwijzen, met veroordeling van Dunav Re in de proceskosten. Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft zij verzocht dat het hof de beslissing op het verzoek van Dunav Re zal opschorten, althans dat het hof Dunav Re zal gelasten passende zekerheid te stellen alvorens het arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen.

1.3

Dunav Re heeft bij conclusie van antwoord in incident geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van DMI. Zij heeft bij deze gelegenheid haar verzoek vermeerderd. Voor het geval het hof beslist de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis op te schorten, verzoekt Dunav Re om DMI te gelasten passende zekerheid te stellen voor het bedrag van € 456.446,97

1.4

Op 27 maart 2018 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen hun zaak hebben doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

1.5

Ten slotte heeft het hof uitspraak bepaald.

2 Beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Dunav Re en DMI hebben een herverzekeringsovereenkomst gesloten. In 2012 heeft Dunav Re verzocht om een uitkering onder de polis. DMI heeft dit geweigerd.

(ii) De herverzekeringsovereenkomst bevat een arbitragebeding. Dunav Re heeft op grond daarvan een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt waarin zij (kort gezegd) heeft gevorderd dat DMI overgaat tot uitkering onder de polis. De arbitrage heeft plaatsgevonden in Servië onder toepassing van Servisch recht.

(iii) Bij arbitraal vonnis van 8 juni 2016 is DMI onder meer veroordeeld tot betaling van USD 313.502,- aan Dunav Re.

(iv) DMI heeft een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Belgrado (Servië) tot vernietiging van het arbitraal vonnis. De rechtbank Belgrado heeft deze vordering op 1 december 2017 afgewezen. DMI heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Hierop is nog niet beslist.

2.2

In deze procedure verzoekt Dunav Re verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 8 juni 2016. Op dit verzoek is het Verdrag van New York van 10 juni 1958 (Trb. 1958, 154) (hierna: het Verdrag) van toepassing, nu zowel Nederland als Servië partij is bij dit verdrag. Ingevolge art. III van het Verdrag dient Nederland scheidsrechtelijke uitspraken die zijn gewezen in andere verdragsluitende staten te erkennen en ten uitvoer te leggen als is voldaan aan de voorwaarden van het Verdrag.

Formaliteiten

2.3

Art. IV lid 1 van het Verdrag bepaalt dat de partij die de erkenning en tenuitvoerlegging verzoekt, bij haar verzoek dient over te leggen: (a) het behoorlijk gelegaliseerde origineel van de uitspraak of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan; (b) het origineel van de arbitrageovereenkomst of een behoorlijk gewaarmerkt afschrift daarvan. Het hof heeft vastgesteld dat Dunav Re behoorlijke gewaarmerkte afschriften van beide documenten heeft overgelegd.

2.4

Nu beide hiervoor bedoelde documenten in de Engelse taal zijn opgesteld, diende Dunav Re ingevolge art. IV lid 2 van het Verdrag een vertaling van deze documenten in de Nederlandse taal over te leggen, gewaarmerkt door een officiële of beëdigde vertaler of door een diplomatiek of consulair ambtenaar. Dunav Re heeft geen vertaling overlegd en heeft dus niet aan dit vereiste voldaan. DMI heeft aangevoerd dat dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, dan wel tot afwijzing daarvan.

2.5

Naar het oordeel van het hof leidt het in 2.4 bedoelde verzuim niet zonder meer tot de door DMI bepleite consequenties. Uit de stukken blijkt dat de arbitrale procedure is gevoerd in de Engelse taal, waarvan gesteld noch gebleken is dat DMI deze niet machtig is. Desgevraagd heeft mr. Van Rossenberg tijdens de mondelinge behandeling namens DMI te kennen gegeven dat DMI niet in haar belangen is geschaad doordat geen Nederlandse vertaling is overgelegd, maar dat het Verdrag niettemin een dergelijke vertaling nu eenmaal voorschrijft. Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat DMI voor een goede beoordeling van de inhoud van het arbitrale vonnis en de arbitrageovereenkomst een vertaling in het Nederlands niet nodig heeft. Ook het hof heeft daarvoor geen vertaling nodig. Bij deze stand van zaken kan het (alsnog) overleggen van een Nederlandse vertaling als bedoeld in art. IV lid 2 van het Verdrag achterwege blijven en is er evenmin grond om Dunav Re niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek of om het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van een vertaling.

Weigeringsgronden

2.6

In art. V lid 1 van het Verdrag is geregeld op welke gronden erkenning en tenuitvoerlegging geweigerd zal worden. DMI heeft zich – naar het hof begrijpt – beroepen op art. V lid 1 sub b en c van het Verdrag. Deze bepalingen luiden als volgt:

“Recognition and enforcement of the award may be refused, at the request of the party against whom it is invoked, only if that party furnishes to the competent authority where the recognition and enforcement is sought, proof that:

(…)

(b) The party against whom the award is invoked was not given proper notice of the appointment of the arbitrator or of the arbitration proceedings or was otherwise unable to present his case; or

(c) The award deals with a difference not contemplated by or not falling within the terms of the submission to arbitration, or it contains decisions on matters beyond the scope of the submission to arbitration, provided that, if the decisions on matters submitted to arbitration can be separated from those not so submitted, that part of the award which contains decisions on matters submitted to arbitration may be recognized and enforced;”

Voorts heeft DMI een beroep gedaan op art. V lid 2 sub b van het Verdrag. Deze bepaling luidt als volgt:

“Recognition and enforcement of an arbitral award may also be refused if the competent authority in the country where recognition and enforcement is sought finds that:

(…)

(b) The recognition or enforcement of the award would be contrary to the public policy of that country.”

2.7

DMI voert in dit verband aan dat zij het arbitrale vonnis in Servië voor vernietiging heeft voorgedragen omdat volgens haar de arbiter buiten het debat van partijen is getreden en nieuwe feiten aan de beslissing ten grondslag hebben gelegd, zonder DMI de mogelijkheid te geven hierop te reageren. Verder is het arbitrale vonnis volgens DMI in strijd met de openbare orde van zowel Servië als Nederland. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DMI naar voren gebracht dat – samengevat weergegeven – het arbitrale vonnis onbegrijpelijk is en niet met redenen omkleed, omdat de arbiter bepaalde feiten ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen en bepaalde stellingen van DMI onbesproken heeft gelaten. Ook is DMI van mening dat de arbiter ten onrechte op de ‘classificatieclausule’ uit de verzekeringsovereenkomst het Servische recht (in plaats van het Engelse recht) heeft toegepast, hoewel geen van beide partijen dit had aangevoerd, en vervolgens bovendien heeft geoordeeld – in strijd met Servisch recht – dat bij schending van deze clausule de verzekeringsovereenkomst niet kan worden vernietigd.

2.8

Naar het oordeel van het hof heeft DMI aldus onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het haar onmogelijk is geweest haar zaak te verdedigen (art. V lid 1 sub b) of dat het arbitraal vonnis beslissingen bevat die de bepalingen van de arbitrageovereenkomst te buiten gaan (art. V lid 1 sub c), laat staan dat zij daarvan bewijs heeft geleverd. Evenmin is het het hof gebleken dat erkenning of tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De door DMI gestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet die conclusie. Daarbij acht het hof mede van belang dat DMI deze zelfde feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht bij de Servische rechter in de procedure over de vernietiging van het arbitrale vonnis. Deze rechter heeft die feiten en omstandigheden te licht bevonden om over te gaan tot vernietiging. DMI heeft in Servië weliswaar hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld, maar zij heeft in de onderhavige procedure niet concreet toegelicht waarom het vonnis van de rechtbank te Belgrado onjuist zou zijn. Het hof wijst het beroep op art. V van het Verdrag dus af.

Opschorting of zekerheidstelling

2.9

DMI heeft met een beroep op art. VI van het Verdrag verzocht de beslissing over de tenuitvoerlegging op te schorten tot in Servië definitief is beslist op de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Dunav Re heeft zich verzet tegen aanhouding.

2.10

DMI heeft aan haar verzoek tot opschorting enkel ten grondslag gelegd dat er in Servië een procedure tot vernietiging van het arbitraal vonnis aanhangig is. Mede gelet op het feit dat het Verdrag is gebaseerd op de presumptie van tenuitvoerlegging, is die omstandigheid onvoldoende om opschorting te rechtvaardigen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

2.11

Verder heeft DMI het hof verzocht Dunav Re te gelasten zekerheid te stellen alvorens het arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen. Het Verdrag biedt geen grondslag voor dit verzoek, maar DMI beroept zich terzake op de artt. 988 en 1066 Rv. Naar het oordeel van het hof dient het verzoek tot zekerheidstelling reeds te worden afgewezen omdat DMI niet heeft gesteld waarom zekerheidstelling noodzakelijk of wenselijk zou zijn.

Slotsom

2.12

Het hof zal verlof verlenen om tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis over te gaan. Het bewijsaanbod van DMI (p. 4 verweerschrift) wordt als onvoldoende concreet gepasseerd. DMI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3 Beslissing

Het hof:

- verleent verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 8 juni 2016 gewezen in Belgrado (Servië) tussen Dunav Re en DMI;

- veroordeelt DMI in de kosten van het geding, aan de zijde van Dunav Re tot aan deze uitspraak bepaald op € 716,- aan verschotten en € 1.788,- voor salaris van de advocaat;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, D. Aarts en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.