Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:677

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
200.214.971/01; 200.214.972/01; 200.214.974/01;
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verdeling eenvoudige gemeenschap ten aanzien van appartementsrecht. Spoorboekje voor taxatie en overdracht. Stilzwijgende afspraak over betaling van de lasten van het appartementsrecht. Beslissing over betaling na uiteengaan partijen van die lasten. Uitkering tot levensonderhoud. Limitering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 21 februari 2018

Zaaknummers : 200.214.971/01, 200.214.972/01, 200.214.974/01 en

200.214.975/01

Rekestnummers rechtbank: C/09/503831 en C/09/520130

Zaaknummers rechtbank : FA RK 16-461 en FA RK 16-7880

In de zaak met nummers 200.214.971/01 en 200.214.972/01

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.E. de Geus te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.W.E. Lansen te Den Haag.

In de zaak met nummers 200.214.974/01 en 200.214.975/01

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.W.E. Lansen te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.E. de Geus te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

In de zaken met nummers 200.214.971/01 en 200.214.972/01

De vrouw is op 1 mei 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 januari 2017 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking.

De man heeft op 22 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 20 november 2017 een V-formulier van 20 november 2017 met bijlagen.

In de zaken met nummers 200.214.974/01 en 200.214.975/01

De man is op 1 mei 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 januari 2017 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 17 juli 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 mei 2017 een V-formulier van 4 mei 2017 met bijlagen;

- op 15 november 2017 een V-formulier van 14 december 2017 met bijlagen.

In beide zaken

De zaken zijn op 1 december 2017 gezamenlijk mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Beide advocaten hebben ter terechtzitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen de op huwelijkse voorwaarden gehuwde partijen uitgesproken.

Voorts is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.200,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    de wijze van verdeling gelast van de goederen die partijen in gemeenschappelijk eigendom hebben.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 april 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie)

  • -

    de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van het appartementsrecht [adres] te [plaats] (hierna ook: [de woning] ).

In de zaken met nummers 200.214.971/01 en 200.214.972/01

2. De vrouw verzoekt bij beschikking in appel te vernietigen de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

voor zover deze de alimentatie betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

- de man aan de vrouw dient te voldoen een maandelijkse bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ter hoogte van € 2.042,- bruto, althans een zodanige bijdrage vast te stellen welke het hof juist acht;

voor zover deze de gemeenschappelijke woning betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

- de vrouw tot 1 augustus 2017 de gelegenheid heeft om te onderzoeken of zij het aandeel van de man in de woning [adres] te [plaats] kan overnemen, onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man;

voor zover deze de gemeenschappelijke woning betreft de beslissing:

- dat partijen tot de datum van overdracht van de woning [adres] te [plaats] aan een van de partijen dan wel aan een derde de gemaakte kosten (onder andere hypotheekrente, aflossingen, erfpachtcanon, verbouwingswerkzaamheden), met betrekking tot deze woning onderling te verrekenen, in die zin dat beide partijen de helft van alle kosten dienen te dragen, te vernietigen.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt bij beschikking, zulks uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in appel af te wijzen.

In de zaken met nummers 200.214.974/01 en 200.214.975/01

4. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

het alimentatieverzoek van de vrouw alsnog af te wijzen, althans te bepalen op een dusdanig bedrag lager dan € 1.200,- bruto per maand als het hof zal vermenen te behoren en te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw als door het hof te bepalen zal eindigen 5 jaar na de ontbinding van het huwelijk, dan wel zoveel eerder dan 12 jaar, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk als door het hof te bepalen en/of de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw af te bouwen en derhalve met ingang van een door het hof nader te bepalen, het hof begrijpt: datum, te stellen op een lager bedrag dan de onderhoudsverplichting, welke geldend zal zijn vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

de vorderingen van de man als bij wege van zelfstandige verzoek ingediend en aangevuld ter mondelinge behandeling alsnog toe te wijzen te weten: i) te bepalen dat de woning, gelegen aan de [adres] in [plaats] in de eenvoudige gemeenschap toebehorende aan partijen, aan de man zal worden toebedeeld onder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening en te bepalen dat de vrouw aan de man ter zake van onderbedeling een bedrag van € 958,40, het hof begrijpt: dient, te voldoen, uiterlijk op het moment van notariële levering van de woning aan de man ii) te bepalen dat de vrouw aan de man zal voldoen een bedrag van € 49.915,45 ter zake door de man betaalde hypotheekrente alsmede een bedrag van € 23.068,20 ter zake de tot en met 31 januari 2017 door de man betaalde aflossing op de hypothecaire geldlening van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] en haar daartoe te veroordelen;

te bepalen dat de vrouw aan de man zal voldoen een bedrag van € 3.745,05 ter zake door de man betaalde erfpachtcanon, onroerende zaakbelasting en kosten VVE met betrekking tot het appartementsrecht gelegen aan de [adres] In [plaats] , vermeerderd met de helft van de betalingen die de man na 1 april 2015 mocht voldoen, zolang de woning niet aan de man geleverd zal zijn, dan wel aan een derde zal zijn verkocht en geleverd;

te bepalen dat de vrouw aan de man zal voldoen een bedrag van € 14.538,41, zijnde de helft van het door de man bij de aankoop van het appartementsrecht aan de [adres] in [plaats] uit eigen middelen geïnvesteerde bedrag;

de vrouw te veroordelen, om met ingang van 1 februari 2017 en zolang partijen nog hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de op het appartementsrecht aan de [adres] in [plaats] rustende hypothecaire geldlening en de man de maandelijkse annuïteit betaalt, hem een bedrag van € 321,07 per maand te betalen.

5. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle verzoeken van de man af te wijzen.

6. Het hof ziet aanleiding eerst de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van het appartementsrecht [adres] te [plaats] (hierna ook: [de woning] ) te behandelen.

Woning nr. 88

Verdeling

7. Partijen zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, waarin elke gemeenschap van goederen is uitgesloten en waarin tevens is opgenomen dat tussen partijen geen verrekening (noch jaarlijks van gespaard inkomen noch bij einde huwelijk door overlijden of anders dan door overlijden) zal plaatsvinden. Tussen hen bestaat een eenvoudige gemeenschap van [de woning] , welke woning was bedoeld als beleggingspand. De vrouw wenst tot 1 augustus 2017 de tijd te krijgen om te onderzoeken of zij voormelde woning kan overnemen. Nu deze termijn reeds is verstreken, heeft de vrouw geen belang meer bij dit verzoek, zoals haar advocaat ter terechtzitting ook heeft erkend. Het hof beschouwt de desbetreffende grief dan ook als ingetrokken. Aan hetgeen partijen in het kader van het overnemen van de woning door de vrouw over en weer hebben gesteld, komt het hof niet toe.

8. Aangezien toedeling van de woning aan de vrouw niet mogelijk is gebleken, zoals zij zelf in haar pleitnota ook stelt, acht het hof het redelijk de woning overeenkomstig het verzoek van de man aan hem toe te delen. Nu partijen zich daarover niet hebben uitgelaten, dient deze toedeling naar het oordeel van het hof conform de hoofdregel: dat verdeeld wordt tegen de waarde ten tijde van de verdeling, te geschieden tegen de actuele waarde, welke waarde (opnieuw) zal worden vastgesteld als volgt.

9. Partijen dienen binnen zes weken na de datum van deze beschikking een taxateur/makelaar aan te wijzen, hetzij één gemeenschappelijke taxateur/makelaar, hetzij ieder één taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen. De door partijen gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, dan wel de drie taxateurs/makelaars tezamen, zal/zullen [de woning] bindend taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer. Onder de waarde in het economisch verkeer verstaat het hof de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed. De taxatie dient plaats te vinden in aanwezigheid van beide partijen. De kosten van de taxatie komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.

10. De toedeling aan de man zal geschieden onder voorwaarde dat binnen drie maanden, nadat de voormelde taxatie van de woning heeft plaatsgevonden, duidelijk is dat de man de overname van het aandeel van de vrouw in [de woning] zal kunnen financieren en dat de vrouw zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening. De man heeft bij pleitnota verklaard dat de [hypotheekverstrekker] hem reeds per e-mail heeft bericht dat zij in beginsel bereid is de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. De levering van de woning aan de man dient in dat geval binnen een maand, nadat de man de vrouw (binnen genoemde termijn van drie maanden) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, plaats te vinden.

11. De vrouw draagt haar aandeel over aan de man. Indien de woning aan een derde zou worden overgedragen, zouden de kosten van het notariële transport door de derde worden gedragen. Het hof acht het in dat licht bezien redelijk dat de kosten van het notariële transport, in het geval [de woning] aan de man wordt toegedeeld, voor rekening van de man komen en zal aldus beslissen.

12. Voor het geval toedeling aan de man van [de woning] onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen drie maanden nadat de taxatie van de voormalige echtelijke woning heeft plaatsgevonden, gerealiseerd zal zijn, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat [de woning] alsdan zo spoedig mogelijk verkocht en geleverd dient te worden aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldlening en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen.

13. Voormelde verkoop dient te geschieden binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in [de woning] aan de man is verstreken, door middel van een opdracht aan de taxateur/makelaar die de in rechtsoverweging 9 gemelde bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven.

14. Partijen zullen in overleg met de taxateur/makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de taxateur/makelaar de woning te koop aanbieden tegen een bindende marktconforme vraagprijs.

15. Partijen zullen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen.

16. Iedere partij is bij overdracht van [de woning] aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

Investering door de man

17. [de woning] betreft een eenvoudige gemeenschap, waarbij iedere partij zijn eigen aandeel dient te financieren. Tussen partijen is niet in geschil dat de man bij de verkrijging door partijen daarvan uit eigen middelen een bedrag van € 29.076,83 heeft geïnvesteerd. Dit brengt mee dat de man de helft van dit bedrag - zijnde € 14.538,41 - heeft geïnvesteerd in het aandeel van de vrouw in voormelde woning. De vrouw dient op grond van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden dit bedrag nominaal aan de man terug te betalen.

Lasten

18. Tussen partijen staat vast dat de man met ingang van 2008 de hypothecaire rente en aflossing alsmede de erfpachtcanon, onroerendezaakbelasting en de kosten van de Vereniging van Eigenaren van [de woning] heeft voldaan. Uit de randnummers 14 en 15 van het appelschrift van de man blijkt dat hij van 2008 tot en met januari 2017 een bedrag van € 49.915,45 aan rente en € 23.068,20 aan aflossing heeft betaald. Voorts heeft hij vanaf de aankoop van [de woning] tot 1 april 2015 een bedrag van € 7.490,10 betaald aan de overige zakelijke lasten van de woning. De man wenst dat de vrouw alsnog de helft van deze kosten aan hem betaalt.

19. De vrouw beroept zich primair op een afspraak tussen partijen dat de man alle lasten van [de woning] zou dragen, waarbij de vrouw de verbouwing zou bekostigen en de beoogde verhuur van die woning zou regelen. De man heeft volgens de vrouw de lasten van die woning ook nooit op haar verhaald. Zij had destijds beperkte inkomsten en het was de bedoeling van partijen door verhuur van de woning in hun oude dag te voorzien. Ten slotte stelt de vrouw dat zij op haar beurt kosten heeft gemaakt voor de verbouwing van [de woning] van een totaalbedrag van € 18.000,- die dan eveneens mede door de man zouden moeten worden gedragen.

20. De man weerspreekt het bestaan van de door de vrouw gestelde afspraak. Volgens de man blijkt uit de inhoud van de huwelijkse voorwaarden van partijen dat zij hun financiën volledig gescheiden wilden houden. Naar zijn mening toont de vrouw niet aan dat zij kosten heeft gemaakt voor de verbouwing van [de woning] .

21. Het hof overweegt als volgt. In beginsel dient de vrouw de helft van de lasten van [de woning] voor haar rekening te nemen. Echter, de man heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat hij [de woning] destijds heeft aangekocht als pensioenvoorziening. De bedoeling was de woning te verhuren en van de huuropbrengst samen te leven. De man heeft tevens verklaard dat hij uit liefde voor de vrouw de passerende notaris heeft opgedragen haar als mede-eigenaar in de akte op te nemen. De man heeft feitelijk alle lasten van [de woning] gedragen en nimmer aan de vrouw gevraagd daarvan de helft aan hem te vergoeden. Kennelijk is ook op het moment van overdracht van de woning niet over de financiële gevolgen van de mede-eigendom en de daarmee samenhangende lasten met de vrouw gesproken. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk slechts een zeer bescheiden inkomen had en uit dat inkomen de lasten ook niet zou kunnen voldoen Het hof acht het gezien de feitelijke gang van zaken aannemelijk dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben, inhoudende dat de man de lasten van [de woning] volledig voor zijn rekening zou nemen en dat de vrouw de kosten van de verbouwing op zich zou nemen en de latere verhuur van die woning zou verzorgen.

22. De rechtsrelatie tussen de deelgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval. Nu de verhouding tussen partijen gewijzigd is als gevolg van de echtscheiding acht het hof het niet langer redelijk en billijk dat de man na indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding nog steeds alle lasten met betrekking tot [de woning] dient te voldoen. Het hof zal derhalve bepalen dat de vrouw met ingang van 19 januari 2016 tot aan de datum waarop de woning zal zijn toegedeeld aan de man, dan wel verkocht en geleverd aan derden, voor de helft dient bij te dragen in de lasten (hypothecaire rente en aflossing, erfpachtcanon, onroerendezaakbelasting en de kosten van de Vereniging van Eigenaren) van [de woning] . Nu de bedragen van de maandelijkse lasten in de periode met ingang van 19 januari 2016 niet alle bekend zijn en de datum van toedeling aan de man, dan wel van verkoop en levering aan derden van [de woning] evenmin bekend is, kan het hof de concrete omvang van het bedrag dat de vrouw ter zake aan de man dient te vergoeden, niet vaststellen. Het daartoe strekkende verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

23. Het hof overweegt voorts dat naar zijn oordeel de door de vrouw gestelde kosten van verbouwing van [de woning] - wat daar verder ook van zij - in de periode met ingang van de levering van [de woning] aan partijen tot 19 januari 2016 eveneens onder voormelde stilzwijgende afspraak van partijen vallen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw na 19 januari 2016 nog kosten met betrekking tot die woning heeft gemaakt. De man is de vrouw ter zake de verbouwingskosten derhalve niets verschuldigd.

Partneralimentatie

Ingangsdatum

24. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de partneralimentatie, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand - 5 april 2017- zodat het hof eveneens van die datum zal uitgaan.

Behoefte/behoeftigheid

25. De vrouw is van mening dat de rechtbank haar behoefte te laag heeft vastgesteld. Volgens de vrouw had de rechtbank aansluiting moeten zoeken bij haar welstandsgerelateerde behoefte, die € 2.500,- netto per maand bedraagt. De vrouw verwijst naar haar in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst (productie 3 bij het inleidend verzoek), waaruit een netto behoefte van € 2.519,50 per maand blijkt. Voorts stelt de vrouw dat het haar tot op heden niet is gelukt het inkomen van € 350,- netto per maand te genereren waarvan de rechtbank is uitgegaan.

26. De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte en behoeftigheid gemotiveerd betwist. De man weerspreekt dat de vrouw door medische problemen niet (volledig) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Haar leeftijd van 53, thans 54 jaar vormt naar zijn mening evenmin een belemmering.

27. Het hof overweegt als volgt. De rechter dient volgens vaste rechtspraak bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte van de vrouw rekening te houden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter moeten worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige globaal te schatten uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld (Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336).

28. Het hof heeft de voormelde door de vrouw overgelegde behoeftelijst ter terechtzitting met partijen doorgenomen. Besproken is dat de navolgende posten nog correctie behoeven:

  • -

    hypothecaire lasten [adres] , die op € 345,- per maand zullen worden gesteld. De vrouw heeft ter terechtzitting erkend dat dat bedrag correct is;

  • -

    uit eten en horeca overig. Gebleken is dat deze twee posten van in totaal € 300,- per maand waren gebaseerd op de kosten voor twee personen, zodat het hof ter zake een bedrag van
    € 150,- per maand in aanmerking zal nemen.

29. De overige door de vrouw in haar behoeftelijst opgenomen kosten - waaronder die voor vakantie/weekenden weg - komen het hof redelijk voor en in overeenstemming met de huwelijkse welstand, gelet op het ruime inkomen van de man en de omstandigheid dat partijen de beschikking hadden over drie appartementen en dat de vrouw een auto in haar bezit had. Anders dan de man meent, heeft de vrouw in haar behoeftelijst geen pensioenvoorziening opgenomen. Evenmin heeft zij kosten ter zake [de woning] opgevoerd. Voorts heeft de man ter terechtzitting erkend dat de vrouw hulp in huis nodig heeft, om de werkzaamheden te verrichten die de man voorheen voor haar deed.

30. In acht genomen het hiervoor overwogene stelt het hof de netto welstandsgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.330,- per maand.

31. De vrouw heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat zij op veel functies en projecten solliciteert en dat zij onder meer correctiewerkzaamheden verricht en periodiek als actrice werkzaam is. Het hof gaat er derhalve in redelijkheid vanuit dat de vrouw nog een verdiencapaciteit heeft van € 500,- netto per maand, zodat haar aanvullende netto behoefte
€ 2.330,- minus € 500,- = € 1.830,-, door het hof in redelijkheid begroot op € 3.044,- bruto, per maand bedraagt. De vrouw heeft haar verzoek tot het vaststellen van een onderhoudsbijdrage beperkt tot € 2.042,- bruto per maand.

Draagkracht

32. Voor de draagkracht van de man - die als zelfstandige werkzaam is als financieel adviseur - sluit het hof aan bij de door hem als productie 10 in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening. In voormelde draagkrachtberekening wordt uitgegaan van een bruto jaarinkomen van € 75.000,- per jaar. Het hof acht het redelijk van dit inkomen uit te gaan in plaats van van het hogere inkomen dat de vrouw voorstaat, nu de man wisselende opdrachten heeft. Voor zover de man gedurende een korte periode geen inkomen zou hebben, beschikt hij naar het oordeel van het hof over voldoende financiële buffer om dit te kunnen opvangen in de vorm van het bedrag van € 70.000,- aan spaargelden, dat uit zijn financiële stukken blijkt.

33. De man heeft onder post 119b van zijn draagkrachtberekening een netto uitgave aan pensioenvoorziening opgenomen van € 752,75 per maand, welk bedrag volgens zijn verklaring ziet op de lasten van [de woning] , die als zijn pensioenvoorziening was bedoeld. De vrouw heeft bij pleitnota verklaard dat deze pensioenvoorziening onredelijk hoog is, temeer nu niet duidelijk is wat met de eenvoudige gemeenschap van die woning gaat gebeuren.

34. Het hof acht het redelijk dat de man als zelfstandige een pensioenvoorziening treft. Gezien het inkomen van de man acht het hof een pensioenvoorziening van € 752,75 per maand redelijk.

35. De vrouw heeft de draagkrachtberekening van de man met uitzondering van de pensioenvoorziening niet betwist, zodat het hof van de door de man berekende draagkracht uitgaat, te weten € 2.015,- per maand. Het hof zal de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toekennen ten bedrage van € 2.015,- per maand.

Limitering/nihilstelling

36. De man wenst limitering van de partneralimentatie. Hij voert daartoe het volgende aan:

  • -

    een alimentatieduur van vijf jaar is conform de huidige maatschappelijke normen redelijk, mede gelet op het desbetreffende wetsontwerp;

  • -

    partijen hebben altijd financiële onafhankelijkheid beoogd, zoals ook blijkt uit de inhoud van de huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting, geen verrekenbeding, uitsluiting van pensioenverevening). Bovendien zijn uit het huwelijk geen kinderen geboren, zodat de verdiencapaciteit van de vrouw niet in negatieve zin is beïnvloed;

  • -

    de man wenst subsidiair afbouw van de alimentatie tot uiteindelijk nihil.

37. De vrouw verweert zich daartegen als volgt:

  • -

    het door de man aangevoerde maatschappelijk draagvlak voor een verkorte alimentatietermijn is geen reden voor limitering;

  • -

    er zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat de vrouw binnen een nu al te bepalen periode in staat zal zijn om in haar eigen behoefte te voorzien met haar werkzaamheden als historicus, tekstschrijver en corrector;

  • -

    het is de intentie van de vrouw zo veel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Met name haar onzekere gezondheid maakt limitering niet wenselijk.

38. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende relevante omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een verstrekkende beslissing als limitering van de partneralimentatie, zodat hij niet heeft voldaan aan de strenge eisen die worden gesteld aan zijn stelplicht ter zake. Het hof ziet geen reden vooruit te lopen op het wetsvoorstel waarnaar de man verwijst. Voor de verzochte nihilstelling na een periode van afbouw ziet het hof evenmin aanleiding. Gelet op het inkomensniveau van de vrouw vergeleken met dat van de man, kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij binnen afzienbare tijd volledig in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

39. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft:

  • -

    de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw;

  • -

    de nummers 1 en 3 van het dictum ter zake de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van het appartementsrecht [adres] te [plaats] ;

en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man met ingang van
5 april 2017 op € 2.015,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat partijen binnen zes weken na de datum van deze beschikking (ofwel vóór 4 april 2018) een taxateur/makelaar aanwijzen, hetzij één gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, hetzij ieder één taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen;

bepaalt dat de door partijen gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, dan wel de drie taxateurs/makelaars tezamen in aanwezigheid van beide partijen het appartementsrecht [adres] te [plaats] zullen taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW;

bepaalt dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;

voor het geval toedeling aan de man van het appartementsrecht [adres] te [plaats] onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden gerealiseerd:

deelt toe aan de man het appartementsrecht [adres] te [plaats] , onder de verplichting:

  • -

    de hypothecaire geldlening bij de [hypotheekverstrekker] geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;

  • -

    de helft van de eventuele overwaarde van het appartementsrecht [adres] te [plaats] (deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht aan de man) aan de vrouw te vergoeden;

en bepaalt dat een eventuele onderwaarde door partijen, ieder voor de helft, dient te worden gedragen;

bepaalt dat de levering van het appartementsrecht [adres] te [plaats] aan de man dient plaats te vinden binnen een maand, nadat de man de vrouw (binnen de in rechtsoverweging 10 gemelde termijn van drie maanden) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;

bepaalt dat de kosten van het notariële transport van het appartementsrecht [adres] te [plaats] voor rekening van de man komen;

voor het geval toedeling aan de man van het appartementsrecht [adres] te [plaats] onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen drie maanden na de taxatie zal zijn gerealiseerd:

bepaalt voor dat geval dat verkoop van het appartementsrecht [adres] te [plaats] geschiedt binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in [de woning] aan de man, is verstreken door middel van een opdracht aan de taxateur/makelaar die de in rechtsoverweging 9 gemelde bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de taxateur/makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;

bepaalt dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het appartementsrecht [adres] te [plaats] aan derden;

bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen;

bepaalt dat iedere partij bij overdracht aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

EN

uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:

veroordeelt de vrouw tot betaling van een bedrag van € 14.538,41 aan de man;

bepaalt dat de vrouw met ingang van 19 januari 2016 tot aan de datum waarop het appartementsrecht [adres] te [plaats] zal zijn toegedeeld aan de man, dan wel verkocht en geleverd aan derden voor de helft dient bij te dragen in de lasten (hypothecaire rente en aflossing, erfpachtcanon, onroerendezaakbelasting en de kosten van de Vereniging van Eigenaren) van het appartementsrecht [adres] te [plaats] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, A.N. Labohm en B. Breederveld, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2018.