Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:670

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
22-003904-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens een woninginbraak (art. 311 Sr) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003904-16

Parketnummer: 10-233611-15

Datum uitspraak: 5 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 februari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2015 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen in/aan de [adres], heeft weggenomen een laptop en/of een iPad, althans een tablet van het merk Apple en/of één paar oorbellen, althans (een) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2015 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen in/aan de [adres], heeft weggenomen een laptop en/of een iPad, althans een tablet van het merk Apple en/of één paar oorbellen, althans (een) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof bezigt tot bewijs het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2015 met nummer PL1700-2015084883-2 (blz. 47 + 48) houdende de verklaring van iemand wiens identiteit niet blijkt. Nu (I) de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal, te weten de aangifte, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij de betreffende dag op het balkon was, de getuigenverklaring van [getuige] dat zij de verdachte herkent op de foto’s die zijn gemaakt door de getuige wiens identiteit niet blijkt en voorts dat in haar bijzijn [getuige 2] (een wederzijdse vriend van de verdachte en de getuige) met de verdachte heeft gebeld en dat zij via de luidspreker hoorde dat de verdachte zei dat hij de spullen had gejat omdat hij geld nodig had, en nu (II) door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen, is voldaan aan de in artikel 344a, derde lid, aanhef en onder a en b van het Wetboek van Strafvordering genoemde voorwaarden.

Het hof acht de in genoemd proces-verbaal weergegeven anonieme verklaring betrouwbaar. Deze getuige was getuige van de tenlastegelegde woninginbraak, heeft de politie gebeld en heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij de verdachte herkende omdat zij vroeger bij hem in de klas heeft gezeten. Zij heeft foto’s gemaakt van de verdachte terwijl hij samen met een ander bezig was met het plegen van de woninginbraak. Onafhankelijk van deze anoniem gebleven getuige heeft de getuige [getuige] de verdachte herkend op deze foto’s. Gelet hierop en gelet op de eigen verklaring van de verdachte dat hij op het desbetreffende balkon was en de aangifte, heeft het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de anonieme getuigenverklaring. Hierbij betrekt het hof tevens de omstandigheid dat de verdediging niet heeft verzocht om het (doen) horen van deze anoniem gebleven getuige.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Hij heeft misbruik gemaakt van het feit dat hij door de logee van de aangeefster in de woning is gelaten. De verdachte heeft niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster maar tevens misbruik gemaakt van haar gastvrijheid. Door deze woninginbraak wordt materiele schade toegebracht aan de aangeefster.

Het hof acht uit oogpunt van rechtshandhaving de in eerste aanleg opgelegde straf zonder meer op zijn plaats, maar kan de ogen niet sluiten voor de ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Deze ontwikkelingen kenmerken zich door het uitblijven van recidive van vermogensdelicten, alsmede door het min of meer duurzame werkverband en het dragen van verantwoordelijkheden voor zijn kind.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk en andersoortige strafbare feiten.

Gelet op een en ander acht het hof het – alle omstandigheden in aanmerking genomen – raadzaam om de verdachte een uiterste tegemoetkoming te gunnen en hem te behoeden voor de ontregelende effecten van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die bij het feit zou passen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. S. Verheijen en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2018.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest te ondertekenen.