Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:661

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
22-004011-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk een strafbare hoeveelheid hennep aanwezig gehad in zijn woning. Het hof veroordeelt de verdachte tot een een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004011-17

Parketnummer: 09-807183-16

Datum uitspraak: 21 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachtee],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1966,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 februari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde (het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep; opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod) is aan hem met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:


2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 februari 2016 te Poeldijk, gemeente Westland, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep (artikel 3 onder C van de Opiumwet), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 28 februari 2016 te Poeldijk, gemeente Westland, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het in de tenlastegelegde periode opzettelijk aanwezig hebben een hoeveelheid hennep in zijn woning, omdat zijns inziens onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om vast te stellen dat het in de woning van de verdachte aangetroffen gruis-materiaal hennep in de zin van de Opiumwet is. Het aangetroffen materiaal is bij de doorzoeking niet in beslag genomen en onderzocht, zodat alleen de verklaring van de verdachte met betrekking tot dat materiaal als bewijsmiddel voorhanden is, hetgeen niet voldoende wettig bewijs oplevert, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op 9 februari 2016 hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een doorzoeking verricht in de woning van de verdachte aan de [adres] te Poeldijk (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 194 t/m 201, inclusief kleurenfotobijlagen). In een lade van een kast in de slaapkamer van de verdachte werd een zakje aangetroffen met groenkleurig gruis (dossierpagina 198, foto linksboven). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dat zakje een mengsel van hennepgruis bevat en dat het zeker meer dan 5 gram en mogelijk wel 10 gram weegt.

Dat hennepgruis koopt hij, zo heeft hij voorts verklaard, altijd bij één bepaalde coffeeshop om na te melden reden: het hennepgruis dat hij bij die coffeeshop koopt bestaat altijd uit een mix van hennepbladeren en vrouwelijke toppen van de hennepplant. De toppen hebben, zo verklaart de verdachte ook nog, een hoger THC-gehalte (het werkzame bestanddeel van hennep) dan de bladeren. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij weet dat het van bedoelde coffeeshop afkomstige hennepgruis het werkzame bestanddeel THC bevat, doordat hij als henneproker bekend is met het effect van dat werkzame bestanddeel, en het roken van bedoeld hennepgruis dat effect bij hem teweeg brengt.

Voorts heeft de getuige [getuige], bewoner van de onder de portiekwoning van de verdachte gelegen woning (adres [adres 2]) tegenover verbalisant [verbalisant 3] op 12 januari 2016 verklaard dat hij en zijn vriendin nog steeds overlast ervaren van activiteiten in de woning van de verdachte aan de [adres] en dat zij ’s avonds vaak een sterke wietlucht vanuit die woning ruiken. Deze lucht herkennen zij als de geur van wiet [het hof begrijpt: hennep], omdat zij in het verleden ook blowden (proces-verbaal bevindingen, dossierpagina 193).

Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om rechtens vast stellen dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad in zijn woning.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft opzettelijk een strafbare hoeveelheid hennep aanwezig gehad in zijn woning. Door zo te handelen heeft de verdachte de productie van en de handel in hennep bevorderd. Hennep schaadt de volksgezondheid en de productie van en de handel in hennep bevordert het plegen van vermogensmisdrijven.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.P.A. van Engelen,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 februari 2018.

mr. L.F. Gerretsen-Visser is buiten staat dit arrest te ondertekenen.