Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:647

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00716
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:6968, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van in totaal € 1.010.000 juist is vastgesteld.

Uitgaande van de beschikbare gegevens heeft de Rechtbank op alle onderdelen van het geschil terecht en op goede gronden beslist dat het beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/767
V-N 2018/32.1.2
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0989
NTFR 2018/887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00716

Uitspraak van 30 maart 2018

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 juni 2017, nr. SGR 16/9271.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 9.298, uit aanmerkelijk belang van € 505.000 en uit sparen en beleggen van € 3.923 en is bij beschikking heffingsrente van € 5.195 in rekening gebracht.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 16 februari 2018. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal gemaakt.

1.8.

Met instemming van partijen zijn op de zitting tevens de hoger beroepen met de nummers BK-17/00714 en BK-17/00715 behandeld en geldt wat in de ene zaak is aangevoerd en ingebracht, voor zover toepasselijk, ook voor de andere zaken.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [Y] , enig aandeelhouder en directeur van [A] B.V. [B] B.V. is een 100 percent dochtermaatschappij van de holding.

2.2.

In het jaar 2011 is door de holding en [B] B.V. in een periode van ongeveer vier maanden in tien verschillende tranches in totaal € 750.000 overgemaakt naar een bankrekening van de echtgenoot van belanghebbende met telkens de omschrijving "DIVIDEND".

2.3.

Aan belanghebbende is tot 1 mei 2013 uitstel verleend voor het indienen van de aangifte IB/PVV over het jaar 2011. Zij heeft op 13 juli 2013 aangifte gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 9.298. Voor de overige aan te geven belastbare inkomens zijn bedragen van nihil ingevuld. De echtgenoot (fiscale partner) van belanghebbende heeft ver na de bij herinnering en bij aanmaning gestelde termijnen op 19 juni 2014 aangifte gedaan naar voor bedragen van nihil voor alle belastbare inkomens.

2.4.

Met dagtekening 11 december 2015 heeft de Inspecteur de aanslag opgelegd. Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, groot € 1.010.000, en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen zijn voor de helft aan belanghebbende toegerekend en voor de andere helft aan haar echtgenoot.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

6. In geschil is of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van in totaal € 1.010.000, juist is vastgesteld en of de heffingsrente juist is berekend. Het voordeel uit aanmerkelijk belang wordt door [belanghebbende] tot een bedrag van € 260.000 niet betwist. Evenmin zijn in geschil het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning en het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen, noch de toerekening van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen voor de helft aan de echtgenoot.

7. [ Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] ten onrechte concludeert dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De administratie van de echtgenoot was in beslag genomen en de aangifte is op basis van toen beschikbare gegevens gedaan. [Belanghebbende] stelt voorts dat [de Inspecteur] ten onrechte een bedrag van € 750.000 als inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangemerkt.

8. [ De Inspecteur] stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. [Belanghebbende] heeft voorts niet aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De aanslag berust op een redelijke schatting.

Beoordeling van het geschil

9. Niet in geschil is dat [belanghebbende] tezamen met haar echtgenoot in het onderhavige jaar over vermogen beschikte maar desondanks geen rendementsgrondslag heeft aangegeven. Gegeven de omvang van het vermogen van [belanghebbende] en haar echtgenoot, acht de rechtbank aannemelijk dat de niet aangegeven verschuldigde belasting - zowel absoluut als relatief - aanzienlijk is en dat [belanghebbende] dit wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Zo kon de beginstand van het vermogen worden opgemaakt uit de aangifte IB/PVV voor het jaar 2010. Dat de administratie in beslag was genomen, maakt dit niet anders, het gaat immers om vermogen dat voldoende kenbaar was voor [belanghebbende]. [Belanghebbende] heeft aldus niet de vereiste aangifte gedaan. Dit heeft tot gevolg dat het beroep ongegrond wordt verklaard tenzij [belanghebbende] doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

10. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 10 en 11 in de uitspraak van heden in de zaak van de echtgenoot met zaaknummer SGR 16/9274, is de rechtbank van oordeel dat [de Inspecteur] het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang - gegeven de toerekening van dat inkomen aan [belanghebbende] met de helft - juist heeft vastgesteld.

11. [ Belanghebbende] heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, zal het beroep ook in zoverre ongegrond worden verklaard.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van in totaal € 1.010.000 juist is vastgesteld. Het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt door belanghebbende tot een bedrag van € 260.000 niet betwist. Evenmin zijn in geschil de vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning en uit sparen en beleggen. Ook zijn geen voorwerp van geschil de toerekening van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen voor de helft aan de echtgenoot van belanghebbende.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Uitgaande van de beschikbare gegevens heeft de Rechtbank op alle onderdelen van het geschil terecht en op goede gronden beslist dat het beroep ongegrond is. Het Hof neemt in aanmerking dat al wat door belanghebbende in aanvulling op het beroep naar voren is gebracht in het hogerberoepschrift onder het kopje "De vermeende dividenduitkeringen", ter zitting toegelicht, noch zelfstandig noch beschouwd in het licht van de weerspreking door de Inspecteur dwingt tot een andere conclusie.

5.2.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 30 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.