Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:646

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00770
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:10608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffing MRB + boete blijven in stand. Hof volgt Rechtbank uitspraak. Beroep en hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/753
V-N 2018/28.15.31
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00770

Uitspraak van 23 februari 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, kantoor Apeldoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 augustus 2017, nr. SGR 17/2332.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn op 15 februari 2017 met betrekking tot een auto met een buitenlands kenteken een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting van € 361 en bij beschikking een verzuimboete van € 361 opgelegd.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boeteschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 februari 2018 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is sinds zijn geboorte [in] 1995 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).

2.2.

Bij een controle op 15 oktober 2016 om 04.35 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van de auto, een [Y] , met het (tijdelijke) Belgische kenteken […] rijdend gebruik maakt van de openbare weg in Nederland ( [A] in [Z] ). Het kentekenbewijs is tenaamgesteld van [B] (buurman van belanghebbende).

2.3.

Naar aanleiding van die constatering, gevoegd bij de inschrijving van belanghebbende in de BRP, heeft de Inspecteur voor de periode 2 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 motorrijtuigenbelasting van belanghebbende nageheven en aan hem een boete van 100 percent van de belasting opgelegd.

2.4.

Het van de controle opgemaakte formulier "Melding Controle Autoheffingen" vermeldt:

"(…)

Bestuurder wil geen antwoord geven op de vragen die hem gesteld worden.

(…)

Bestuurder wenst geen antwoord te geven op de vragen die hem gesteld zijn.

(…)"

2.5.

Het proces-verbaal van de zitting voor de Rechtbank vermeldt:

"(…)

[B] - verklaart al dan niet in antwoord op vragen van de rechtbank - het volgende:

- de auto stond op mijn naam. De auto moest naar Afrika;

- ik heb [belanghebbende] gevraagd om de sleutels van de auto in de brievenbus te doen. De auto stond nog wel op mijn naam, maar de auto was aan iemand in Afrika verkocht. De auto was bestemd voor de export. Ik had de auto in België gekocht. De auto had een tijdelijk kenteken;

- ik had drie maanden om de auto te exporteren;

- in de periode tussen 15 oktober 2016 en 2 december 2016 stond de auto bij mij in de straat geparkeerd. Er reed verder niemand meer in.

[Belanghebbende] - verklaart al dan niet in antwoord op vragen van de rechtbank - het volgende:

- ik zat tijdens de controle alleen in de auto. Ik had mijn ouders weggebracht in het centrum van [Z] . Mijn tante had mijn vader gebeld. Ik was bij mijn ouders in [Z] . Ik heb toen bij de buren aangebeld, [B] is mijn buurman. Ik ben in [Z] aangehouden. Ik heb toen ook nog een boete gekregen voor het niet tonen van de autopapieren. Die kon ik niet vinden. Ze dachten dat ik ze treiterde. Ik had mijn ouders afgezet en wilde daarna gaan parkeren. Toen werd ik staande gehouden;

- als ik dit had geweten, had ik niet met de auto gereden;

(…)"

2.6.

De Inspecteur vermeldt in het verweerschrift in hoger beroep:

"(…) Over de stelling van de gemachtigde dat het in casu gaat het om kortstondig gebruik voor één enkele rit om de ouders van belanghebbende weg te brengen naar een familielid vanwege medische omstandigheden, wil ik het volgende opmerken. Bij het (hoger) beroepschrift zijn geen bewijsstukken aangetroffen die deze stelling onderbouwen. Zo is het niet duidelijk geworden en/of onderbouwd dat het daadwerkelijk om één rit ging, om welk familielid het ging, waar deze woonachtig is en om welke medische omstandigheid het ging. Ook helpt het tijdstip van controle (04.35 uur) niet mee aan de geloofwaardigheid van de stelling van belanghebbende. Verder komt het verhaal van belanghebbende om eerst een (buitenlands gekentekend) motorrijtuig op te halen bij de heer [B] (die gezien het tijdstip wellicht lag te slapen) om daarmee vervolgens naar zijn ouders te rijden terwijl beide woningen zich op maximaal 150 meter van zijn woonhuis bevinden en zijn ouders op de controledatum zelf over een motorrijtuig met Nederlands kenteken beschikten, mij niet logisch voor. (…)"

2.7.

Met betrekking tot de auto is aan belanghebbende ook een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 1.536 en bij beschikking een boete van € 153 opgelegd. Aan de vernietiging van die naheffingsaanslag en boetebeschikking ligt ten grondslag dat de voor die belasting bevoegde inspecteur van zijn kant niet aannemelijk dacht te kunnen maken dat aan het vereiste duurzaamheidscriterium is voldaan.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

6. In geschil is of [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden. Tevens is in geschil of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht zijn opgelegd.

Hoorplicht

7. De uitspraak op bezwaar is gedaan op het door [belanghebbende] ingediende bezwaarschrift van 26 januari 2017. In dat bezwaarschrift heeft [belanghebbende] niet verzocht om te worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat [de Inspecteur] dit bezwaarschrift terecht als een bezwaar kon aanmerken tegen de opgelegde naheffingsaanslag en boete, nu het bezwaarschrift een reactie was op de aankondiging die niet afweek van de daarna opgelegde aanslag en boete. Nu de uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 10 maart 2017 en het faxbericht van de gemachtigde is gedagtekend op 8 maart 2017, en het voorts van algemene bekendheid is dat de belastingdienst uitspraken op bezwaar vóór de datum van dagtekening verzend, acht de rechtbank aannemelijk dat [de Inspecteur], naar hij heeft gesteld, ten tijde van het doen van de uitspraak op bezwaar nog niet van het bezwaar van de gemachtigde op de hoogte was. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. [De Inspecteur] heeft ter zitting verklaard dat de uitspraak op bezwaar en het bezwaar van de gemachtigde elkaar hebben gekruist en dat hij om die reden bereid is het griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet hierin aanleiding [de Inspecteur] op te dragen het voor het beroep betaalde griffierecht aan [belanghebbende] te vergoeden.

Naheffingsaanslag

8. Op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet Mrb), is de houder van een motorvoertuig degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Wet Mrb wordt deze houder, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de Brp.

9. Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet Mrb kan de belasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Daarbij wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is afgegeven. De na te heffen belasting wordt op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wet Mrb berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan aan degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, wordt de belasting in zoverre niet nageheven (artikel 34, derde lid, van de Wet Mrb).

10. Niet in geschil is dat [belanghebbende] op 15 oktober 2016 de auto feitelijk ter beschikking had als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Mrb.

11. De rechtbank overweegt dat op grond van de in artikel 34, derde lid, van de Mrb opgenomen tegenbewijsregeling [belanghebbende] overtuigend dient aan te tonen dat hij niet of voor een kortere periode houder van het motorrijtuig was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] dit niet aangetoond. De verklaring ter zitting van [B] , de buurman van [belanghebbende], dat hij de auto slechts eenmaal aan [belanghebbende] had uitgeleend, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende, nu aan die enkele verklaring voor het verlangde bewijs, onvoldoende bewijskracht toekomt. Nu [belanghebbende] voorts desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat er geen andere concrete bewijzen zijn, is [belanghebbende] niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd.

12. Voor zover [belanghebbende] stelt dat hij in aanmerking komt voor de vrijstelling uit artikel 73, eerste lid, onderdeel d, van Wet Mrb overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat [belanghebbende] een dergelijk verzoek heeft ingediend, terwijl dit op grond van artikel 26a van het Uitvoeringsbesluit Mrb 1994 wel vereist was.

13. Gelet op het vorenstaande is terecht aan [belanghebbende] de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

Verzuimboete

14. Op grond van artikel 37 van de Wet Mrb, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het bepaalde in paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, kan [de Inspecteur], indien de belastingplichtige de verschuldigde belasting in geval van een in het buitenland gekentekend motorrijtuig niet heeft betaald, een verzuimboete opleggen van ten hoogste 100% en een maximum van € 5.278. Met inachtneming van genoemde wettelijke bepalingen is de boete, naar het oordeel van de rechtbank, naar het juiste bedrag opgelegd. Feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld zijn gesteld noch gebleken. Van een wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. De verwijzing door [belanghebbende] ter zitting naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4544, gaat in het onderhavige geval niet op, nu voormelde uitspraak op een andere situatie ziet; aan de belanghebbende in die procedure was namelijk een boete opgelegd die 500% bedroeg van de verschuldigde belasting. Het hof oordeelde in die zaak dat een boete van die omvang niet in een evenredige verhouding staat tot de ernst van de verwijtbare gedraging. De rechtbank acht een boete van € 316 in het onderhavige geval dan ook passend en geboden.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep houdt partijen het antwoord op de vragen verdeeld, net als voor de Rechtbank, of de hoorplicht is geschonden, of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en, zo dat het geval is, op het juiste bedrag is vastgesteld en of de boete terecht is opgelegd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

De beschikbare gegevens brengen naar 's Hofs oordeel mee dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk op alle onderdelen van het geschil aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd, tegen de achtergrond van de stellingen van de Inspecteur, dat een andere conclusie rechtvaardigt. Het Hof neemt in aanmerking:

5.1.1.

Het is aannemelijk, de afweging door de Rechtbank volgend, dat de Inspecteur ten tijde van het beslissen op het door belanghebbende bij brief 26 januari 2017 gemaakte bezwaar niet heeft kunnen weten van het door de gemachtigde van belanghebbende bij faxbericht van 8 maart 2017 gedane verzoek te worden gehoord. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting, daarnaar gevraagd, heeft verklaard dat hij in de bezwaarfase niet iets anders naar voren had willen brengen dan dat hij in beroep en hoger beroep heeft gedaan en dat de zaak niet moet worden teruggewezen naar de Inspecteur, maar moet worden beoordeeld en beslist door het Hof.

5.1.2.

Met betrekking tot de naheffing heeft belanghebbende, de afweging door de Rechtbank volgend, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur (zie 2.6) aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de auto in de periode 2 september 2016 tot en met 14 oktober 2016 niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van belanghebbende. Opmerking verdient dat, zo wordt aangenomen dat het door belanghebbende gedane relaas rond het gebruik van de auto op 15 oktober 2016 op enig onderdeel geloofwaardig is te achten, de conclusie dan niet zonder meer anders is.

5.1.3.

Met betrekking tot de boete is het Hof met de Inspecteur van oordeel, de afweging door de Rechtbank volgend, dat een boete van 100 percent van de belasting voor dit geval, gegeven de omstandigheden, passend en uit een oogpunt van normhandhaving geboden is.

5.2.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 23 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.