Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:644

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00723
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8635, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep houdt partijen het antwoord op de vragen verdeeld of de boete - die in bezwaar naar € 52 is verlaagd - terecht is opgelegd en of de Rechtbank bij de toekenning van de proceskostenvergoeding terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank is verschenen. Hof corrigeert proceskostenveroordeling door de Rechtbank in het voordeel van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/743
V-N 2018/24.18.2
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00723

Uitspraak van 9 februari 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, kantoor Apeldoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 juli 2017, nr. SGR 17/869.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 34. Gelijk met de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur aan hem bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 158.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot op € 52. Gelijk met de uitspraken heeft hij bij afzonderlijk besluit aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 123.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar inzake de verzuimboete en tegen het besluit van de Inspecteur inzake de proceskostenvergoeding beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar betreffende de proceskostenvergoeding vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 987 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 januari 2018 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

2. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de Rechtbank onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak vermelde feiten.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft vastgesteld en overwogen:

"1. [Belanghebbende] is volgens de kentekenregistratie van 11 november 2013 tot en met 15 februari 2016 houder geweest van de personenauto met kenteken […] .

2. [ Belanghebbende] heeft de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het tijdvak 27 december 2015 tot en met 26 maart 2016 niet tijdig betaald. [De Inspecteur] heeft aan [belanghebbende] met dagtekening 14 maart 2016 naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van € 34 en tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 158 (de verzuimboete).

3. Voor het tijdvak 27 september 2015 tot en met 26 december 2015 is de verschuldigde MRB ook niet tijdig betaald.

4. In de uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] de opgelegde naheffingsaanslag gehandhaafd en de opgelegde boete van € 158 verminderd tot een bedrag van € 52 en tevens is aan [belanghebbende] een bedrag van € 125 aan proceskosten toegekend.

5. In geschil is of de verzuimboete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Tevens is de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskosten in geschil en ook of [belanghebbende] in bezwaar nog nader gehoord had moeten worden.

Naheffingsaanslag

6. Op grond van artikel 15 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB), en in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), moet de verschuldigde motorrijtuigenbelasting zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. [Belanghebbende] is verantwoordelijk voor een tijdige betaling van de belasting en dient de verschuldigde belasting uit eigen beweging te voldoen. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 14 van de Wet MRB waarin is bepaald dat de motorrijtuigenbelasting op aangifte dient te worden voldaan. Als service zendt de Belastingdienst een rekening en een acceptgirokaart. Op de rekening vermeldt [de Inspecteur] een uiterste betaaldatum. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Deze rekening vormt slechts een mededeling aan [belanghebbende] van de omvang van de verschuldigde belasting volgens de door [belanghebbende] gedane aangifte.

7. Het doen van aangifte bestaat, voor zover hier van belang, uit de aanvraag om afgifte van het kentekenbewijs, welke aangifte geldt zolang het motorrijtuig niet van eigenaar wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden. De hiervoor vermelde heffingswijze brengt mee dat [belanghebbende] zelf verantwoordelijk blijft voor de tijdige voldoening van de op aangifte verschuldigde belasting, ook indien zij geen rekening ontvangt.

8. [ De Inspecteur] stelt dat aan [belanghebbende] op 28 december 2015 een rekening is verzonden en dat hij de uiterste betaaldatum op de rekening heeft gesteld op 28 januari 2016. [Belanghebbende] stelt deze rekening niet te hebben ontvangen. Vast staat dat [belanghebbende] de verschuldigde MRB over het tijdvak 27 december 2015 tot en met 26 maart 2016 niet tijdig heeft betaald. Anders dan [belanghebbende] stelt is [de Inspecteur], gelet op de hiervoor weergegeven heffingssystematiek, niet gehouden een rekening, aanmaning of herinnering te sturen alvorens een naheffingsaanslag op te leggen (vergelijk Hof Amsterdam 13 juni 2013, nr. 12/00649, ECLI:NL:GHAMS: 2013:CA3437).

Verzuimboete

9.1. [

De Inspecteur] heeft de verzuimboete gebaseerd op artikel 67c, eerste lid, van de AWR. Hierin is bepaald dat indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan [de Inspecteur] een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen van de boete achterwege behoort te blijven.

9.2.

In paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verzuimboete drie procent bedraagt van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest (alsdan wordt geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden).

9.3.

Vaststaat dat [belanghebbende] in het voorafgaande tijdvak ook te laat heeft betaald en dat hij daarvoor een verzuimmededeling heeft ontvangen. In deze procedure gaat het derhalve om een tweede verzuim. De enkele stelling van [belanghebbende] dat hij de rekening niet zou hebben ontvangen, maakt, gelet op hetgeen is overwogen onder 6 en 7 en mede gelet op het feit dat sprake is van een tweede verzuim, naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van feiten of omstandigheden die een beroep op avas doen slagen. De rechtbank acht het opleggen van een boete tot een bedrag van € 52 voor dit verzuim geboden.

Hoorzitting

10. [ Belanghebbende] heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om te worden gehoord. [De Inspecteur] heeft de gemachtigde van [belanghebbende] op 26 oktober 2016 telefonisch gehoord. Tijdens dit gesprek is kenbaar gemaakt dat de gemachtigde van [belanghebbende] een verzendbewijs van de rekening motorrijtuigenbelasting wenst te ontvangen en dat hij de mogelijkheid wil krijgen op het verzendbewijs te reageren. Bij brief van 22 november 2016 heeft de gemachtigde van [belanghebbende] heeft op het toegezonden verzendbewijs gereageerd. [Belanghebbende] stelt in beroep dat nu zijn gemachtigde niet in de gelegenheid is gesteld om (nogmaals) te worden gehoord, nadat hij het verzendbewijs had ontvangen, [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden. [Belanghebbende] heeft na ontvangst van de stukken aangaande de verzending van de rekening/acceptgiro een uitgebreide schriftelijke reactie gegeven en daarbij niet verzocht om (opnieuw) te worden gehoord, [de Inspecteur] was dan ook niet gehouden om [belanghebbende] nader te horen. [Belanghebbendes] recht op hoor en wederhoor is niet geschonden.

In bezwaar gemaakte kosten

11. In het verweerschrift heeft [de Inspecteur] het standpunt genomen dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte een proceskostenvergoeding toegekend van € 125 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op een hoorzitting met een waarde per punt van € 246 met een wegingsfactor 0,25) en dat, gelijk [belanghebbende] stelt, de wegingsfactor 1 had moeten worden gehanteerd. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 987 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Voor een toekenning van [] 1 punt voor het verschijnen ter zitting ziet de rechtbank geen grond. [De Inspecteur] heeft reeds in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat in bezwaar bij de toekenning van proceskosten een onjuiste wegingsfactor is gehanteerd."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep houdt partijen het antwoord op de vragen verdeeld of de boete - die in bezwaar naar € 52 is verlaagd - terecht is opgelegd en of de Rechtbank bij de toekenning van de proceskostenvergoeding terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank is verschenen. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Beoordeling

5.1.

Wat betreft de boetebeschikking heeft de Rechtbank met juistheid en op goede gronden geoordeeld dat de boete, gelet al op een eerder verzuim, terecht is opgelegd en ook terecht op € 52 is vastgesteld. De Rechtbank heeft evenwel verzuimd dienovereenkomstig te beslissen. Het Hof zal de omissie herstellen.

5.2.

Wat betreft de proceskostenveroordeling heeft de Rechtbank terecht rekening gehouden met een te verlenen vergoeding in bezwaar van € 492, maar ten onrechte geen rekening gehouden met het verschijnen ter zitting in beroep van de gemachtigde, die belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

5.3.

Dat laatste berust op de grond, zo leest het Hof de motivering van de Rechtbank in de laatste volzin van punt 13 van haar uitspraak, dat de Inspecteur bij de Rechtbank in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat bij de toekenning van de proceskostenvergoeding bij de uitspraak op bezwaar niet 0,25 maar 1 als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak moet worden gebruikt. De motivering van de Rechtbank is evenwel onvoldoende. Belanghebbende kwam immers het recht toe op dat nieuwe standpunt van de Inspecteur te reageren en hiervoor biedt de zitting bij de Rechtbank de enige gelegenheid. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft belanghebbende daar gebruik van gemaakt. Dat belanghebbende te kennen heeft gegeven wat betreft het gewicht van de zaak eenzelfde mening te zijn toegedaan als de Inspecteur in het verweerschrift, is nog geen reden bij de toekenning van de proceskostenvergoeding geen rekening te houden met het verschijnen van belanghebbendes gemachtigde ter zitting van de Rechtbank.

5.4.

Voor de bepaling van de proceskostenvergoeding in beroep had de Rechtbank dus rekening moeten houden met 2 punten voor proceshandelingen. Omdat geen van de partijen in hoger beroep de juistheid van de door de Rechtbank voor het beroep toegepaste factor voor het gewicht van de zaak heeft betwist, zal het Hof net als de Rechtbank uitgaan van wegingsfactor 1.

5.5.

Ter zitting daarnaar gevraagd heeft belanghebbende verklaard zich te kunnen voorstellen dat voor het vaststellen van de proceskosten in hoger beroep een wegingsfactor van 0,5 dan wel 0,25 wordt gehanteerd.

5.6.

Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 1.732,50: in bezwaar € 492, in beroep € 990, te weten de door de Rechtbank toegekende € 495 plus de ten onrechte niet toegekende € 495, en in hoger beroep € 250,50, te weten 2 punten à € 501 x 0,25 (gewicht). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

5.7.

De Inspecteur dient de voor de behandeling in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.

5.8.

Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake het griffierecht;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het afzonderlijke besluit van de Inspecteur inzake de proceskosten in bezwaar gegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, in beroep en in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.732,50; en

- gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 9 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.