Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:643

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00729
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8632, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsregeling oldtimers (MRB). Het bedrag van € 122 (2016) moet tijdig zijn betaald. In deze zaak is het bedrag te laat betaald. Bezwaar is gericht tegen voldoening reguliere MRB, echter ook te laat. Rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/749
V-N 2018/28.15.30
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0997
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00729

Uitspraak van 9 februari 2018

in het geding tussen:

mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, kantoor Apeldoorn, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 juli 2017, nr. SGR 17/654.

Procesverloop

1.1.

Op 25 februari 2016 heeft belanghebbende als houdster van de personenauto met het kenteken […] een bedrag van € 122 aan motorrijtuigenbelasting op aangifte voldaan.

1.2.

Bij brief van 12 april 2016 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt bij de Inspecteur.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 25 juli 2016, heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Bij uitspraak van 7 december 2016 heeft de Rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en hem opgedragen het griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 19 januari 2017, heeft de Inspecteur opnieuw op het bezwaar beslist en dit (wederom) niet-ontvankelijk verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de laatstvermelde uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven.

1.7.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.8.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven.

1.9.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.10.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 januari 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is blijkens de kentekenregistratie vanaf 30 november 2015 houdster van de personenauto van het merk [Y] met het kenteken […] . De datum van het kentekenbewijs deel I is 8 april 1977. De datum van eerste toelating is eveneens 8 april 1977.

2.2.

Met dagtekening 14 december 2015 is aan belanghebbende een rekening voor de overgangsregeling 2016 voor oldtimers (tijdvak van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016) gestuurd. De uiterste betaaldatum voor deze rekening is 13 januari 2016. Op de rekening staat onder meer de tekst:

"Als u niet tijdig, onvoldoende of helemaal niet betaalt, komt u niet in aanmerking voor de overgangsregeling voor oldtimers. U bent dan het reguliere bedrag aan belasting verschuldigd."

2.3.

Belanghebbende heeft de rekening van 14 december 2015 niet uiterlijk op 13 januari 2016 betaald.

2.4.

Met dagtekening 5 februari 2016 is aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting van € 277 gestuurd voor het tijdvak van 8 januari 2016 tot en met 7 april 2016. De uiterste betaaldatum voor deze rekening is 8 maart 2016.

2.5.

Belanghebbende heeft op 25 februari 2016 een bedrag van € 122 aan motorrijtuigenbelasting voor de auto betaald. Dit bedrag is door de Belastingdienst in mindering gebracht op de rekening van 5 februari 2016, zodat daarvan € 155 resteert te betalen.

2.6.

Het bezwaarschrift is gedagtekend 12 april 2016. Op de envelop waarin het is gestuurd, staat een poststempel van 13 april 2016. Op 14 april 2016 is het bezwaarschrift bij de Inspecteur ingekomen.

2.7.

Met dagtekening 21 april 2016 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd over het tijdvak van 8 januari 2016 tot en met 7 april 2016 van € 155.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

"(…)

2. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - en voor zover hier van belang - aan op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen

3. De verschuldigde motorrijtuigenbelasting voor de auto is betaald op 25 februari 2016. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 7 april 2016. Het bezwaarschrift, met dagtekening 12 april 2016, is op 14 april 2016 door [de Inspecteur] ontvangen. Het bezwaar is, gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb, niet tijdig ingediend.

4. [ Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan geoordeeld kan worden dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. [De Inspecteur] heeft het bezwaar van [belanghebbende] terecht niet ontvankelijk verklaard.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is in geschil de vraag of belanghebbende, ondanks de overschrijding van de betalingstermijn voor de rekening van 14 december 2015, in aanmerking komt voor de overgangsregeling oldtimers voor het kalenderjaar 2016, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Beoordeling

5.1.

Met de betaling van € 122 op 25 februari 2016 beoogde belanghebbende voor het jaar 2016 (alsnog) in aanmerking te komen voor de overgangsregeling oldtimers ten einde voor het hele jaar 2016 verder geen motorrijtuigenbelasting te hoeven betalen.

5.2.

De betaling van het bedrag van € 122 (2016) moet normaliter worden beschouwd als een verzoek als bedoeld in artikel 84a, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (het verzoek om in aanmerking te komen voor de overgangsregeling oldtimers). Ingevolge het vierde en het vijfde lid van die bepaling wordt zodanig verzoek aangemerkt als aanvullende aangifte.

5.3.

In lid 3, aanhef en onderdeel e, van genoemd artikel 84a staat dat het tarief van € 122 alleen kan worden toegepast als die belasting is betaald bij de aanvang van het tijdvak.

5.4.

Uit het systeem van deze wettelijke regeling vloeit voort dat de betaling (die tevens geldt als verzoek) moet zijn gedaan voordat de op de rekening (in dit geval die van 14 december 2015) vermelde betalingstermijn is verlopen (in dit geval uiterlijk op 13 januari 2016). Dit brengt tevens mee dat de betaling van 25 februari 2016 niet kan worden geacht te hebben gestrekt tot voldoening van de rekening van 14 december 2015 en dat die ook niet moet worden aangemerkt als een verzoek om toepassing van de overgangsregeling voor het kalenderjaar 2016.

5.5.

De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de betaling van 25 februari 2016 strekte tot gedeeltelijke voldoening van de rekening van 5 februari 2016.

5.6.

Het bezwaarschrift van 12 april 2016 moet worden geacht tegen die voldoening te zijn gericht.

5.7.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken na de voldoening op aangifte en eindigde met donderdag 7 april 2016. Uit de dagtekening van het bezwaarschrift, het poststempel op de envelop waarin het is verzonden en de datum waarop het bij de Inspecteur is ingekomen, concludeert het Hof dat het niet binnen de termijn ter post is bezorgd. Mitsdien is het bezwaarschrift te laat ingediend.

5.8.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat al eerder een bezwaarschrift tegen de voldoening was ingediend, maar dat daarvan geen kopie was gemaakt. De Inspecteur heeft deze stelling ter zitting in twijfel getrokken. Hierbij heeft hij gesteld dat hij alleen het bezwaarschrift van 12 april 2016 heeft ontvangen en dat in de tekst van dit bezwaarschrift voor de stelling van belanghebbende dat er nog een eerder bezwaarschrift is, geen aanwijzing kan worden gevonden. Het Hof volgt de Inspecteur hierin.

5.9.

Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. Evenmin heeft het Hof in de gedingstukken daarvoor aanwijzingen gevonden. De termijnoverschrijding voor het bezwaar is derhalve niet verschoonbaar.

5.10.

Belanghebbende heeft niet gesteld dat het bezwaar (mede) is gericht tegen de naheffingsaanslag van 21 april 2016. Het Hof beschikt ook niet over aanwijzingen daarvoor. Aan toepassing van artikel 6:10 Awb komt het Hof niet toe.

5.11.

Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep faalt derhalve. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 9 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.