Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:642

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
BK-17/00882
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2522, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is via Hof 's Hertogenbosch bij Hof Den Haag terechtgekomen. Partijen leggen zich daarbij neer en vragen Hof Den Haag uitspraak te doen. Het Hof volgt de Rechtbank in het oordeel dat het verlaagde tarief van de OB toepassing mist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/744
V-N 2018/28.15.34
Viditax (FutD), 04-04-2018
FutD 2018-0984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00882

Uitspraak van 9 februari 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 april 2016, nr. BRE 15/2768.

Procesverloop

1.1.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op de aangifte over de maand augustus 2014 van € 3.950 aan omzetbelasting afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 331 is geheven.

1.3.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Een griffierecht van € 503 is geheven.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gerepliceerd, de Inspecteur gedupliceerd.

1.6.

Na een zitting op 23 oktober 2017, waar partijen zijn verschenen, heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bij "mondelinge tussenuitspraak" van 6 november 2017 met kenmerk 16/00302 de zaak verwezen naar dit Hof, dat het hoger beroep heeft behandeld ter zitting van 19 januari 2018 te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een recreatiepark in [Z] en is als zodanig ondernemer voor de omzetbelasting. Bezoekers kunnen tegen betaling deelnemen aan activiteiten als midgetgolf, jeu de boules en dergelijke spelen. Op het terrein van het pretpark staan verschillende voertuigen, waaronder trapkarren, fietsen, tandems, steppen en skelters, die tegen betaling ter beschikking worden gesteld van gebruikers.

2.2.

De voertuigen worden voornamelijk buiten het recreatiepark gebruikt. De terbeschikkingstelling van de trapkarren, net als de andere voertuigen, heeft vaak plaats als onderdeel van een arrangement. De arrangementen bestaan onder meer uit een combinatie van spellen op het recreatiepark, ritten met de trapkarren buiten het recreatiepark, activiteiten op een andere locatie en al dan niet gecombineerd met de verstrekking van spijzen en dranken. Voor een arrangement wordt in het algemeen één totaalprijs in rekening gebracht.

2.3.

Het recreatiepark is een voorziening die is ingericht voor vermaak en dagrecreatie als bedoeld in post b14, letter g, van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968. Belanghebbende heeft over de terbeschikkingstelling van de voertuigen, waaronder de trapkarren, omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief. Bij de arrangementen heeft belanghebbende omzetbelasting voldaan per onderdeel van het arrangement, met dien verstande dat, voor zover de vergoeding ziet op de terbeschikkingstelling van voertuigen, het algemene tarief is toegepast.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

2.4.

In geschil is of de vergoeding die wordt betaald voor de huur van de voertuigen moet worden beschouwd als vergoeding voor het verlenen van toegang tot het recreatiepark, in welk geval het verlaagde tarief van toepassing zou zijn. Indien het gelijk is aan belanghebbende, leidt dat tot een teruggaaf van omzetbelasting voor het onderhavige tijdvak van € 1.871.

2.5.

Het verlaagde tarief is op grond van post b-14, letter g, van de bij de Wet OB behorende Tabel I, voor zover hier van belang, van toepassing op het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen. Deze bepaling is gebaseerd op onderdeel 7 van Bijlage III van de BTW-richtlijn die toepassing van een verlaagd tarief toestaat voor onder meer het verlenen van toegang tot amusementsparken.

2.6.

Belanghebbende bepleit een ruime uitleg van het begrip 'het verlenen van toegang tot'. De rechtbank stelt voorop dat bepalingen die een afwijking vormen op een beginsel, strikt moeten worden uitgelegd (Hof van Justitie van de EU (HvJ), 18 maart 2010, C-3/09, Erotic Center BVBA, r.o. 15, ECLI:NL:XX:2010:BL9248). Uit genoemde rechtspraak volgt ook dat het begrip 'toegang verlenen tot' volgens de gebruikelijk betekenis van deze woorden moet worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank valt 'de verhuur van voertuigen' niet binnen de gebruikelijke betekenis van het begrip 'toegang verlenen tot'. Dit is ook opgemerkt in de memorie van toelichting bij de toevoeging van deze tabelpost (MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 688, p. 26): 'Door de opname van dit onderdeel onder post 14 “het verlenen van toegang tot”, vallen overigens activiteiten waarvan de (afzonderlijke) vergoeding daarvoor is te kenmerken als een vergoeding voor de verhuur van een roerende lichamelijke zaak buiten de reikwijdte van de post. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verhuur van fietsen, kano’s, speelautomaten, karts en dergelijke.' Derhalve kan de verhuur van voertuigen aan bezoekers van een recreatiepark niet worden aangemerkt als het verlenen van toegang tot dat recreatiepark, zeker niet in een geval als dit waarin de voertuigen nagenoeg geheel buiten het recreatiepark worden gebruikt. Daarbij is niet van belang of de verplaatsing met de voertuigen vanaf het recreatiepark via een vaste of vrije route geschiedt. Belanghebbende heeft dus terecht omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief.

2.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen geldt ook indien de verhuur van het voertuig onderdeel is van een arrangement dat mede de toegang tot spellen op het recreatiepark bevat. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Indien een belastingplichtige tegelijk jegens één afnemer verschillende handelingen tegen afzonderlijke vergoedingen verricht, zoals bij de verhuur van een voertuig en de toegang tot een spel (zie 2.3), moet elk van die handelingen voor de heffing van omzetbelasting normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd (vgl. HvJ van 25 februari 1999, nr. C-349/96, Card Protection Plan Ltd., BNB 1999/224 en HR 23 oktober 2009, nr. 08/02605, ECLI:NL:HR:2009:BK0916, BNB 2009/318). Dat is slechts anders wanneer een of meer aspecten van de desbetreffende handelingen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl een of meer andere aspecten moeten worden beschouwd als bijkomend bij die hoofdprestatie. Een prestatie moet in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie worden beschouwd, wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (vgl. HvJ 11 juni 2009, Tellmer Property, C-572/07, ECLI:EU:C:2009:365, V-N 2009/29.17, punt 18, en 10 maart 2011, Bog e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, ECLI:EU:C:2011:135, V-N 2011/18.17, punt 54). In de door belanghebbende overgelegde prijslijst van arrangementen staan de prijzen van de verschillende activiteiten, waaronder de verhuur van voertuigen en de toegang tot spellen, vermeld naast de arrangementen, die bestaan uit een samenstel van enkele van die activiteiten, gecombineerd met iets te eten en drinken en/of een andere activiteit buiten het recreatiepark. De rechtbank acht aannemelijk dat de gemiddelde klant het arrangement beschouwt als een combinatie van die verschillende activiteiten en dat daarbij het onderdeel, bestaande uit ritten met de voertuigen buiten het recreatiepark, als een afzonderlijke dienst wordt ervaren, naast de andere onderdelen.

2.8.

Het beroep van belanghebbende op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 2 november 2011 (Staatscourant 2011, nr. 19798) kan belanghebbende niet baten. Al hetgeen daarin staat over de toepassing van het verlaagde tarief bij gelegenheid geven tot sportbeoefening is niet relevant nu, naar het oordeel van de rechtbank terecht, niet in geschil is dat in dit geval geen sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Omtrent het gelegenheid geven van toegang tot een recreatiepark als het onderhavige wordt expliciet gesteld dat het verlaagde tarief niet van toepassing is indien een activiteit wordt georganiseerd op een locatie buiten het recreatiepark die op zichzelf geen recreatieve inrichting of sportaccommodatie is.

2.9.

Voorts heeft belanghebbende een beroep gedaan op het neutraliteitsbeginsel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dagrecreatie en recreatieve sportbeoefening overeenkomstige eigenschappen vertonen en voorzien in dezelfde consumentenbehoeften. De inspecteur weerspreekt dit betoog onder meer met de stelling dat als mensen naar een attractiepark gaan, ze niet het oogmerk hebben om te sporten en vice versa.

2.10.

Volgens vaste rechtspraak verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, voor de heffing van omzetbelasting verschillend worden behandeld. Soortgelijke werking van producten houdt niet per se in dat desbetreffende producten soortgelijk zijn (HvJ, 3 mei 2001, C-481/98, ECLI:NL:XX:2001:AV6347). Voorts kan de werkingssfeer van een verlaagd btw-tarief niet op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit worden uitgebreid (HvJ, 5 maart 2015, C-479/13, r.o. 43, ECLI:EU:C:2015:141 en HvJ, 17 maart 2016, C-40/15, r.o. 31, ECLI:EU:C:2016:172). De rechtbank is van oordeel dat dagrecreatie en sportbeoefening niet soortgelijk zijn, zodat het beroep op dit beginsel door belanghebbende reeds daarom niet slaagt.

2.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

2.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Geschil en standpunten

4.1.

Partijen houdt in hoger beroep alleen nog het antwoord op de vraag verdeeld of ter zake van het tegen betaling ter beschikking stellen van de trapkarren het verlaagde tarief voor de omzetbelasting is verschuldigd, welke vraag belanghebbende, zo nodig met een beroep op het neutraliteitsbeginsel, bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Ter zitting is komen vast te staan dat, zo het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is, de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Beoordeling

5.1.

Ter zitting daarnaar gevraagd hebben partijen, wat er zij van de (vorm en inhoud van de) verwijzing door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, zonder enig voorbehoud verklaard zich neer te leggen bij die verwijzing en het Hof uitdrukkelijk verzocht het hoger beroep te behandelen en uitspraak te doen.

5.2.

De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel op alle onderdelen terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep van belanghebbende ongegrond is. Dat belanghebbende, naar ter zitting is gebleken, het geschil heeft teruggebracht tot de vraag of de terbeschikkingstelling van trapkarren tegen betaling het verlaagde tarief voor de omzetbelasting deelachtig wordt, maakt dat oordeel niet anders. Dat betekent dat het verlaagde tarief op de terbeschikkingstelling van trapkarren tegen betaling, ook al is die terbeschikkingstelling begrepen in een arrangement, toepassing mist.

5.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 9 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.