Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:620

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
22-002243-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet bij medeplegen bewezenverklaard. Veroordeling tot het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de (verlengde) invoer van een grote partij cocaïne in Nederland tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden hebben geleid tot 6 maanden 'korting' ten aanzien van de gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002243-15

Parketnummer: 10-960025-12

Datum uitspraak: 7 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1977,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 december 2017 en 24 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 februari 2012 op de Westerschelde, althans binnen de territoriale wateren van Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2011 tot en met 10 februari 2012 te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een loods ([adres] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en/of

- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde (medeplegen invoer) vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief/alternatief (medeplegen voorbereidingshandelingen) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, onder opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Voorts heeft de rechtbank wel overwegingen gewijd aan het gelegde beslag, doch verzuimd in het dictum daarover een beslissing te geven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde (de invoer) wordt vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde (de voorbereidingshandelingen) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt.

Partiële vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep waren de advocaat-generaal en de raadsvrouw ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde (de invoer) beiden de mening toegedaan dat, nu de verdachte van dat deel van de tenlastelegging is vrijgesproken door de rechtbank en de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging thans niet anders liggen, dit geen verdere bespreking behoeft in hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte reeds op of omstreeks 3 februari 2012 daadwerkelijk wetenschap had van de invoer van cocaïne. De verdachte zal dan ook van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 februari 2012 op de Westerschelde, althans binnen de territoriale wateren van Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2012 tot en met 10 februari 2012 te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een loods ([adres] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en/of

- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering en bespreking van de verweren

Het hof kan zich grotendeels verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Het hof zal deze overwegingen dan ook voor het merendeel overnemen, maar ook aanvullen en waar nodig aanpassen.

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – de feitelijke handelingen die de verdachte heeft verricht, zoals opgenomen in de tenlastelegging, niet als voorbereidingshandelingen kunnen worden gekwalificeerd omdat de verdachte geen opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het te plegen misdrijf (de invoer van cocaïne).

Voorts heeft de raadsvrouw gesteld dat indien het hof voorwaardelijk opzet bij de verdachte aanwezig acht, onvoldoende kan worden bewezen dat dit voorwaardelijk opzet zag op de gehele 1243,5 kg.

Tot slot heeft de raadsvrouw gesteld dat de rol van de verdachte van onvoldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

Feitelijke vaststellingen

Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 22 januari 2012 een container met als kenmerk [x] vanuit de haven [plaats] (Dominicaanse Republiek) met de MS Cap Patton werd verzonden naar de haven van Antwerpen met als consignee en te verwittigen partij: [y]. In deze container werden door de Belgische douaneautoriteiten op 6 februari 2012 27 tassen aangetroffen, inhoudende 1.100 pakken cocaïne met een totaal gewicht van 1.243,5 kg. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de mededader [medeverdachte 1] en [verdachte] (verdachte) vóór de inbeslagname door de Belgische autoriteiten op 6 februari 2012 betrokken waren bij de invoer van deze container. Daarnaast blijken de verdachte en mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken – op 10 februari 2012 – bij het voorbereiden en bevorderen van het vervoer van de cocaïne vanuit de haven van Antwerpen naar Nederland.

De verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 1] was betrokken bij de invoer van wasmiddelen vanuit de Dominicaanse Republiek. Hij zag eerst niets verdachts in de hele operatie, mede omdat met de invoer van de wasmiddelen die (ook) in de container zaten, in zijn ogen een redelijke winstmarge te behalen was. Toen er steeds meer druk op de verdachte werd gelegd om de container binnen te halen kreeg hij het gevoel dat het “niet goed zat”. De verdachte heeft dit in de week waarin hij is aangehouden, op woensdag of donderdag (het hof begrijpt woensdag 8 of donderdag 9 februari 2012) tegen zijn ouders gezegd. Op de laatste dag, 10 februari, moest de container omgezet worden van de Belgische onderneming naar een Nederlandse onderneming. Dat vond de verdachte raar en op dat moment zag hij echt in dat “het niet goed zat”. Hij is doorgegaan met zijn werkzaamheden rond de invoer van de container met cocaïne.

Voorwaardelijk opzet

Het hof overweegt dat de verdachte veel feitelijke handelingen heeft verricht, hetgeen hij ter terechtzitting zelf ook heeft bekend, en daarbij was hij meestal degene die zichtbaar was naar derden. In de dagen voorafgaand aan zijn aanhouding op 10 februari 2012 heeft de verdachte zijn handen vol gehad aan de inklaring van de container met nummer [nr.], waarin zich aanvankelijk ongeveer 1243,5 kg cocaïne bevond. Hij heeft – tot op het laatste moment – documenten, nodig voor de inklaring, opgesteld en ingeleverd bij allerlei bedrijven en instanties. Ook heeft hij zich bezig gehouden met het organiseren van het transport van de container vanuit de haven van Antwerpen. Zo heeft hij in verband daarmee een oplegger en een trailer gehuurd, bij twee verschillende bedrijven. Ook is hij betrokken geweest bij de huur van de Citroen Jumpy, de auto waarin de pakketten cocaïne werden geladen nadat deze uit de container waren gehaald (proces-verbaal van bevindingen van belangrijke telefoongesprekken en ping-berichten, zaaksdossier [y], ordner 1/2, bijlage 03, p. 1-88).

Het hof gaat uit van 6 februari 2012 als het beginpunt voor de betrokkenheid van de verdachte. Immers, uit het dossier blijkt dat de verdachte per 6 februari 2012 een loods heeft gehuurd op de [plaats] in Antwerpen (geschrift, zijnde een kopie-exemplaar van de huurovereenkomst, 2e aanvullend dossier ordner 1/1, p. 59-60). Voorts blijkt uit het dossier dat de verdachte op 6 februari 2012 de waarborgsom voor de huur van de loods heeft voldaan. In totaal was dit een bedrag van € 21.200,-, welk bedrag de verdachte in 25 coupures van € 20,00 en 414 coupures van € 50,00 heeft voldaan (kopie-exemplaar ‘cashstorting loket’, 2e aanvullend dossier ordner 1/1, p. 70).

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij op 10 februari 2102 wel bij de loods op de [plaats] is geweest, maar dat dit eigenlijk ‘toevallig’ was. Nadat de container op 12 februari 2012 was vrijgegeven en de verdachte samen met de vrachtwagen met daarop de container onderweg was naar de douane, is hij de vrachtwagen kwijtgeraakt. Hij is de vrachtwagen gaan zoeken en is toen naar de door hem gehuurde loods gereden waar hij de vrachtwagen vond. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2018, desgevraagd en uitdrukkelijk, verklaard dat hij zelf niet in de loods is geweest, hij is bij de loods geweest. Deze verklaring strookt naar het oordeel van het hof niet met de observaties van de Belgische politie van de betreffende loods. Gezien is dat omstreeks 19:55 uur de DAF vrachtwagen samen met de Citroën C4 (met als bestuurder de verdachte) op de A12 reed in de richting van Antwerpen. Omstreeks 20:05 uur is gezien dat de DAF vrachtwagen een gebouw, gelegen op de [adres], loods D binnenreed, samen met de Citroën C4 (proces-verbaal betreffende de observatie van de Federale gerechtelijke politie Antwerpen van 10 februari 2012, 1e aanvullend dossier [y], p. 714-715).

De verdachte was volgens zijn eigen verklaring alleen verantwoordelijk voor het inklaren van de container en hij moest met de container naar de douane omdat de container op naam van zijn bedrijf stond. De noodzaak van de tussenstap van het huren van een loods in België en de uiteindelijke tussenstop van de vrachtwagen en de verdachte in die loods nadat de container was vrijgegeven, valt naar het oordeel van het hof niet uit te leggen en is ook op geen enkele manier aannemelijk geworden. Daarnaast heeft de verdachte, zoals hiervoor reeds is aangegeven, onjuist verklaard over het onderweg “kwijtraken” van de vrachtauto en het weer “terugvinden” ervan bij de loods. Naar het oordeel van het hof had de verdachte, als hij gelet op vorenomschreven omstandigheden al niet geweten heeft wat er in de container verstopt zat, op het moment dat hij de loods moest huren, op zijn minst moeten begrijpen dat het niet om een gewone lading ging maar dat er iets bij de lading zat dat niet gezien mocht worden door de douane. De aanmerkelijke kans dat het niet (alleen) om een gewone lading ging heeft de verdachte aldus bewust aanvaard.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte vanaf 6 februari 2012 op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de verlengde invoer (een groot deel van de cocaïne was inmiddels vervangen door dummy-materiaal) van de cocaïne die zich op 3 februari 2012 in de container bevond.

Het hof gaat voorts niet mee met de stelling van de raadsvrouw dat niet bewezen is dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de hoeveelheid van 1243,5 kg cocaïne en overweegt daartoe het volgende.

Het hof stelt voorop dat het bewezen heeft verklaard: 1243,5 kg cocaïne, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Het ging om de invoer van een container, die afkomstig was uit Zuid-Amerika. Het is een feit van algemene bekendheid dat vanuit Zuid-Amerikaanse landen vaak voorzien wordt in de drugstoevoer naar Europa, en met name van cocaïne, en dat dat veelal geschiedt door drugs als nevenlading bij te plaatsen in containers met reguliere goederen. Ook de verdachte moet dat hebben geweten, en door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de illegale bijvangst in de container bestond uit een grote hoeveelheid cocaïne.

De verweren worden verworpen.

Medeplegen

Het hof verwijst in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor onder voorwaardelijk opzet is omschreven ten aanzien van de diverse door de verdachte feitelijk verrichte handelingen en activiteiten.

In het kader van de organisatie van het containertransport en de afwikkeling daarvan heeft de verdachte in de dagen na aankomst van de container in de haven van Antwerpen op 3 februari 2012, veelvuldig contact gehad met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (thans beiden onherroepelijk veroordeeld voor deze feiten) zowel in persoon als per telefoon en sms, over de zaken die nog geregeld moesten worden. De verdachte kreeg veelvuldig opdrachten van hen die hij vervolgens ook uitvoerde. Voorts trok de verdachte regelmatig samen met onder meer [medeverdachte 1] op. Dit gebeurde in ieder geval ook op de dag dat de cocaïne uit de container gehaald werd.

Het hof is van oordeel dat de verdachte wezenlijke handelingen heeft verricht om de container op zijn uiteindelijke bestemming te krijgen, en wel vanaf het moment dat hij het voorwaardelijk opzet had zoals hiervoor beschreven. De verdachte heeft in nauw overleg met dan wel in opdracht van andere betrokkenen deze handelingen verricht.

Gelet op al het vorenstaande is naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking in de voorbereiding en van gezamenlijke uitvoering ten aanzien van een groot deel van de handelingen, en dus van medeplegen.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander trachten te bewegen om daartoe middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen of vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de (verlengde) invoer van een grote partij cocaïne in Nederland. Het betrof een grote partij cocaïne die vanuit de Dominicaanse Republiek werd verscheept naar de haven van Antwerpen. De Belgische autoriteiten hebben de cocaïne, die verborgen zat in een container, onderschept en deze in beslag genomen. De verdachte is betrokken geweest bij het inklaren van de container en bij het transport van de container vanuit Antwerpen naar Nederland.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de grootschalige handel in verdovende middelen. Het in georganiseerd verband smokkelen van een grote partij cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en dient krachtig bestreden te worden. Als deze partij niet zou zijn onderschept, zou deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Met de internationale handel in harddrugs wordt veel criminele winst behaald. De verdachte heeft klaarblijkelijk gehandeld uit geldelijk gewin en zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het op de markt brengen van cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten (randcriminaliteit).

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet.

Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Door en namens de verdachte is tijdens de terechtzitting in hoger beroep een gewijzigd beeld van zijn persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht, vooral op het vlak van zijn gezondheid. Die gezondheid is in de afgelopen jaren sterk achteruit gegaan. De verdachte heeft inmiddels meerdere hartinfarcten gehad en hij is onder behandeling bij een cardioloog. Daarbij heeft hij diabetes type II en slikt hij dagelijks veel medicijnen.

Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het aanvangen van de termijn van de berechting in eerste aanleg op 9 mei 2012 en het eindvonnis op 8 mei 2015 meer dan 3 jaar is verstreken. Tussen het aanvangen van de termijn van de berechting in hoger beroep op 20 mei 2015 en het eindarrest op 7 februari 2018 is ruim 2 jaar en 9 maanden verstreken. Dit maakt dat de redelijke termijn is overschreden met in zijn geheel 1 jaar en ruim 9 maanden.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden zoals die naar voren zijn gekomen ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar een passende en geboden reactie vormt. De hierin begrepen “korting” wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt 6 maanden gevangenisstraf.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggeven geldbedrag van € 2.600,00 zal het hof bepalen dat het geldbedrag dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien het geldbedrag niet aan de verdachte toebehoort.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 845,00 zal het hof de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoevende van de rechthebbende van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

geldbedrag van € 2.600,00

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

geldbedrag van € 845,00.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2018.