Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:62

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
200.203.980/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot vernietiging arbitraal vonnis; ontvankelijkheid; eindvonnis of tussenvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/42
NTHR 2018, afl. 2, p. 106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.203.980/01

Rolnummer rechtbank : C/10/479079 / HA ZA 15-718

arrest van 23 januari 2018

inzake

SMST DESIGNERS & CONSTRUCTORS B.V.,

gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,

appellante,

hierna te noemen: SMST,

advocaat: mr. J. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam,

tegen

1. BMT DE BEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. BMT SURVEYS (AMSTERDAM) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. BMT SURVEYS (ROTTERDAM) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. NOEST SHIPPING C.V.,

gevestigd te Kolham, gemeente Midden-Groningen,

5. NOEST SHIPPING B.V.,

gevestigd te Roden, gemeente Noordenveld,

geïntimeerden,

hierna te noemen: BMT (geïntimeerden sub 1 t/m 3), NOEST (geïntimeerden sub 4 en 5) en gezamenlijk: BMT c.s.,

advocaten: mr. R.C.A. van ’t Zelfde te Rotterdam (geïntimeerden sub 1 t/m 3) en

mr. M. Verhagen te Rotterdam (geïntimeerden sub 4 en 5).

Het geding

Bij dagvaardingen van 12 en 13 mei 2016 is SMST in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2016. SMST heeft bij memorie van grieven (met producties) 14 grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door BMT en NOEST elk bij memorie van antwoord (BMT onder overlegging van producties) zijn bestreden. Ter terechtzitting van 17 november 2017 hebben partijen bij monde van hun raadslieden hun standpunten aan de hand van pleitnotities toegelicht. Vervolgens is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten:
- BMT heeft tegen SMST en tegen NOEST een (TAMARA) arbitrageprocedure aangespannen over een aan BMT gegeven opdracht tot onder meer het controleren van de belading van een coaster. Volgens BMT heeft zij haar opdracht gekregen van ofwel SMST ofwel NOEST.
- Zowel SMST als NOEST heeft de opdracht aan BMT betwist, en daarmee ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van BMT die een (TAMARA) arbitrageclausule bevatten. Zij hebben elk een beroep gedaan op de onbevoegdheid van arbiters.
- Arbiters hebben in een arbitraal vonnis van 9 maart 2015 in de beide zaken vonnis in de bevoegdheidsincidenten gewezen. In de zaak tussen BMT en SMST hebben arbiters het beroep van SMST op onbevoegdheid verworpen, en SMST veroordeeld in de kosten van het incident. In de zaak tussen BMT en NOEST hebben arbiters zich onbevoegd verklaard, en BMT veroordeeld in de kosten van het incident.
- Volgens het TAMARA arbitragereglement is hoger beroep uitgesloten.

2. SMST heeft vervolgens BMT gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, en vernietiging gevorderd van het tussen SMST en BMT gewezen arbitraal vonnis van 9 maart 2015 in het bevoegdheidsincident. Tevens heeft SMST NOEST opgeroepen om in de procedure te verschijnen.

3. De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 17 februari 2016 overwogen dat ingevolge artikel 1064 lid 1 (oud) Rv alleen vernietiging kan worden gevorderd van een arbitraal vonnis, indien dat vonnis geheel of gedeeltelijk een eindvonnis is. De rechtbank heeft verder overwogen dat het tussen SMST en BMT gewezen arbitrale vonnis in het incident ten aanzien van SMST geen geheel of gedeeltelijk eindvonnis vormt maar een tussenvonnis, en heeft SMST niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen BMT. Ten aanzien van NOEST heeft de rechtbank geoordeeld dat SMST NOEST ten onrechte in het geding heeft betrokken. SMST is veroordeeld in de proceskosten van BMT en NOEST.

4. SMST heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. De grieven 1 tot en met 9 hebben betrekking op de beoordeling door de rechtbank van de vorderingen van SMST jegens BMT, de grieven 10 tot en met 13 op de procedure tegen NOEST, en grief 14 betreft de veroordeling van SMST in de proceskosten.

5. Voor zover de grieven betrekking hebben op de procedure tegen BMT, overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft terecht, en in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat ingevolge artikel 1064 lid 1 (oud) Rv alleen vernietiging kan worden gevorderd van een arbitraal vonnis, indien dat vonnis geheel of gedeeltelijk een eindvonnis is. SMST stelt in hoger beroep dat zij ontvankelijk is in haar vorderingen om de volgende – kort en zakelijk weergegeven – redenen:
primair: er is sprake van een gedeeltelijk eindvonnis:
- arbiters hebben hun beslissing in de beide incidenten gewezen in één vonnis, met één zaaknummer, in één doorgenummerd en éénmaal ondertekend document dat éénmaal ter griffie is gedeponeerd. Dit betekent volgens SMST dat arbiters hun beslissing in de beide incidenten als één vonnis hebben beschouwd en ingericht. De vonnissen in de beide incidenten zijn volledig aan elkaar verknocht. Daarom kan de onbevoegdverklaring in de zaak tegen NOEST, op welk punt het vonnis in ieder geval als een eindvonnis geldt, niet los worden gezien van de bevoegdverklaring in de zaak tegen SMST, en geldt het vonnis ook ten opzichte van SMST als een gedeeltelijk eindvonnis;
- het vonnis van arbiters maakt een einde aan de subsidiaire eis van BMT. Deze eis was erop gegrond dat, voor het geval SMST niet als opdrachtgever van BMT kon worden beschouwd, SMST desondanks gebonden was aan de algemene voorwaarden van BMT op grond van derdenwerking;
- de ratio van art. 1064 Rv is dat met de uitsluiting van tussentijds beroep tegen arbitrale vonnissen het belang van een voortvarend procesverloop wordt gediend, fragmentatie van de instructie van de zaak wordt voorkomen en processuele complicaties (zoals tegenstrijdige uitspraken) worden vermeden. Het arbitraal vonnis van 9 maart 2015 leidt in dit geval juist tot processuele complicaties. Een voortvarend en praktisch procesverloop en een behoorlijke procesorde brengen in de bijzondere omstandigheden van dit geval mee dat de rechtbank SMST ontvankelijk had moeten verklaren en het vonnis van 9 maart 2015 had moeten vernietigen. De rechter is bij een beroep op schending van de fundamentele beginselen van een goede procesorde niet terughoudend en dient de zaak volledig inhoudelijk te toetsen. De bewijslast dat tussen partijen een arbitrageovereenkomst bestaat, rust op BMT;
- het voorgaande klemt temeer, nu arbiters hebben verzuimd zich in elk geval met betrekking tot BMT de Beer en BMT Surveys (Rotterdam) onbevoegd te verklaren. Hadden arbiters hun plicht gedaan, dan was hun beslissing, aldus nog steeds SMST, op dat punt in ieder geval een gedeeltelijk eindvonnis geweest;

- SMST heeft niet het risico kunnen nemen dat na het arbitrale eindvonnis zou worden geoordeeld dat SMST al eerder, direct na het arbitraal vonnis van 9 maart 2015, vernietiging van dit laatste vonnis had moeten vorderen;

subsidiair: SMST is ontvankelijk wegens ernstige schending van de ook in een arbitrage geldende fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde:
- arbiters hebben zich ten doel gesteld om zichzelf hoe dan ook bevoegd te maken, om SMST hoe dan ook in het ongelijk te stellen en om NOEST hoe dan ook uit de wind te houden. Ze zijn partijdig geweest, en SMST heeft geen eerlijk proces gehad. Arbiters hebben onder meer stellingen van SMST genegeerd, stellingen en stukken onjuist en misleidend uitgelegd, en bewijs genegeerd en fundamenteel onjuist geïnterpreteerd;
- uit het bewijs blijkt duidelijk dat NOEST de opdrachtgever is van BMT en niet SMST. Arbiters hebben, door aan dit bewijs voorbij te gaan en hier ten onrechte betekenis aan te ontzeggen, zich schuldig gemaakt aan een ernstige schending van de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde;
- de schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde brengt mee dat er sprake is van een doorbrekingsgrond, op grond waarvan SMST ontvankelijk moet worden geacht in haar vorderingen, ook als het arbitrale vonnis van 9 maart 2015 moet worden aangemerkt als een tussenvonnis.

6. Het hof verwerpt de primaire stelling van SMST dat het tussen SMST en BMT gewezen arbitrale vonnis in het incident moet worden aangemerkt als een geheel of gedeeltelijk eindvonnis. Het arbitrale vonnis van 9 maart 2015 bevat, zoals ook blijkt uit de kop van het vonnis, zowel een vonnis in het bevoegdheidsincident in de zaak tussen SMST en BMT, als een vonnis in het bevoegdheidsincident in de zaak tussen NOEST en BMT. Deze beide vonnissen houden weliswaar verband met elkaar, maar betreffen zelfstandige vonnissen in afzonderlijke zaken. Het enkele feit dat de beide vonnissen gezamenlijk zijn opgenomen in het arbitrale vonnis van 9 maart 2015, al dan niet met één zaaknummer, in één doorgenummerd en éénmaal ondertekend document dat éénmaal ter griffie is gedeponeerd, maakt dit niet anders. Het eindvonnis in de zaak NOEST maakt niet dat het tussenvonnis in de zaak tegen SMST een (geheel of gedeeltelijk) eindvonnis wordt. In het arbitrale vonnis in de procedure tussen BMT en SMST wordt, met de verwerping van het door SMST opgeworpen bevoegdheidsincident, niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding gemaakt. De stelling van SMST dat zij het risico niet heeft kunnen nemen dat na het arbitrale eindvonnis zou worden geoordeeld dat SMST al eerder, direct na het arbitraal vonnis van 9 maart 2015, vernietiging van dit laatste vonnis had moeten vorderen, wordt daarmee verworpen. Het hof verenigt zich derhalve met het oordeel van de rechtbank dat er tussen SMST en BMT geen sprake is van een (geheel of gedeeltelijk) eindvonnis, maar slechts van een tussenvonnis. De stelling van SMST dat arbiters met hun vonnis een eind hebben gemaakt aan de subsidiaire eis van BMT, wordt verworpen. Aan de subsidiaire grondslag van de eis van BMT zijn arbiters eenvoudigweg niet toegekomen. Of met het aannemen van ontvankelijkheid van SMST in deze vernietigingsprocedure het belang van een voortvarend en praktisch procesverloop en een behoorlijke procesorde wordt gediend kan in het midden blijven, aangezien dit niet het doorslaggevend criterium is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van SMST in de procedure tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Of het arbitrale vonnis mogelijk wel een deelvonnis was geweest als arbiters zich met betrekking tot BMT de Beer en BMT Surveys (Rotterdam) onbevoegd hadden verklaard, en of dit dan zou hebben geleid tot ontvankelijkheid van SMST in de vernietigingsprocedure tegen BMT Surveys (Amsterdam), kan eveneens in het midden blijven, aangezien deze situatie zich niet heeft voorgedaan. Dat BMT in de door SMST aanhangig gemaakte procedure tot schorsing van het bestreden arbitraal vonnis, die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2015, heeft erkend dat het om een voor vernietiging vatbaar arbitraal vonnis ging en dat ook de rechtbank daar toen vanuit is gegaan, doet aan het bovenstaande niet af.

7. Ook de door SMST aangevoerde subsidiaire grondslag voor ontvankelijkheid wordt verworpen. SMST heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat bij de behandeling van de zaak in de arbitrageprocedure een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel door de arbiters is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Dat SMST de indruk heeft dat arbiters partijdig zijn en stellingen, stukken en/of bewijsmiddelen hebben genegeerd en/of onjuist hebben uitgelegd, is hiervoor onvoldoende. De argumenten die SMST in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn ofwel onvoldoende onderbouwd, ofwel onvoldoende zwaarwegend.

8. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven 1 tot en met 9 worden verworpen. Voor zover het hoger beroep zich richt tegen BMT, kan het daarom niet slagen.

9. De grieven 10 tot en met 13, die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank – kort gezegd – dat SMST NOEST ten onrechte in het geding heeft betrokken, worden eveneens verworpen. Noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft SMST - met uitzondering van de vordering tot veroordeling in de proceskosten - enige vordering ingesteld tegen NOEST. Het hof verwerpt de door SMST gegeven toelichting ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, inhoudende dat NOEST als partij is opgeroepen om haar in de gelegenheid te stellen haar standpunt te kunnen weergeven, aangezien het oordeel van arbiters over de vraag of SMST de partij is geweest die de opdracht aan BMT heeft gegeven ook van invloed is op het arbitrale vonnis dat is gewezen tegen NOEST. Anders dan SMST meent zou een eventuele vernietiging van het arbitrale vonnis in de procedure tussen BMT en SMST in beginsel niet afdoen aan de geldigheid van het arbitrale vonnis in de procedure tussen BMT en NOEST. Bovendien volgt uit hetgeen hierboven is overwogen en beslist dat de situatie van vernietiging van het arbitrale vonnis zich thans niet voordoet. Voor zover het hoger beroep zich richt tegen NOEST, kan het daarom niet slagen.

10. Het bovenstaande brengt mee dat ook grief 14 wordt verworpen.

11. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. SMST zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van BMT en NOEST.

12. Aangezien er geen bewijs is aangeboden van feiten die kunnen leiden tot een andere beslissing, komt het hof aan bewijslevering niet toe.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2016;

  • -

    veroordeelt SMST in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BMT tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II);

- verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt SMST in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van NOEST tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II);

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.D. Ruizeveld en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.