Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:605

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
22-003109-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 3, maanden, met aftrek van voorarrest wegens poging tot zware mishandeling, namelijk met een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd te slaan van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003109-17

Parketnummers: 10-811024-17 en 22-001231-16 (TUL)

Datum uitspraak: 29 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

15 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging en de vorderingen van de benadeelde partijen beslist zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Maassluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door voornoemde [benadeelde partij 1] (met een vuurwapen/ op een vuurwapen gelijkend hard voorwerp) tegen het hoofd te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Maassluis [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door hem (met een vuurwapen/een op een vuurwapen gelijkend hard voorwerp) tegen het hoofd te slaan;

2.
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Maassluis [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

- gericht in de richting van (de/het licha(a)m(en) van) voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2], en/of

- getoond aan voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2]

en/of (daarbij) opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en dat, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest en dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen, met dien verstande dat de jeugddetentie zal worden vervangen door een gevangenisstraf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Maassluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door voornoemde [benadeelde partij 1] (met een vuurwapen/ op een vuurwapen gelijkend hard voorwerp) tegen het hoofd te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Maassluis [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

- gericht in de richting van (de/het licha(a)m(en) van) voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2], en/of

- getoond aan voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2]

en/of (daarbij) opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.

De verdachte heeft [benadeelde partij 1] met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen. Gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer hierdoor enige tijd het bewustzijn heeft verloren en gelet op de open wond die ten gevolge hiervan op het hoofd van [benadeelde partij 1] is ontstaan, heeft de verdachte kennelijk met kracht met genoemd hard voorwerp tegen het hoofd van [benadeelde partij 1] geslagen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou hebben kunnen toebrengen en dus met opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehandeld. Het hof acht derhalve het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt. Nu het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde komt, behoeft dit verweer geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1], door hem met een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd te slaan. Aldus handelende heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem nodeloos pijn en letsel bezorgd. Tevens heeft de verdachte [benadeelde partij 1] en diens vrienden bedreigd, hetgeen voor de slachtoffers beangstigend is geweest.

Het hof rekent het voorgaande de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.460,97, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1020,97.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot ditzelfde bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 74,99 materiële schade is geleden, bestaande uit de posten ‘bloedvlekken op trui (€ 39,99)’, ‘reiskosten ziekenhuis (€ 25,00)’ en ‘reiskosten politiebureau (€ 10,00)’. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Deze vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Deze vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 574,99 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.030,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 210,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot ditzelfde bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 10,00 materiële schade is geleden, bestaande uit de post ‘reiskosten politiebureau’. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. Deze vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige zal de vordering inzake de materiële schade worden afgewezen nu de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd(maak een keuze).

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de benadeelde partij zich bedreigd heeft gevoeld en hiervan last en hinder heeft ondervonden in de vorm van gevoelens van onveiligheid en slaapproblemen, zoals vermeld in de vordering van de benadeelde partij. Dit brengt echter niet zonder meer met zich dat sprake is van aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is immers nodig dat sprake is van geestelijk letsel, dan wel van een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van zijn persoon. Het hof stelt vast dat de gestelde immateriële schade - behoudens een algemene weergave van de gevolgen - niet is onderbouwd met enig stuk. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat sprake is geweest van dergelijk letsel of een dusdanige inbreuk op de integriteit van de persoon van de benadeelde, dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade zonder meer toewijsbaar is.

Het hof is dan ook van oordeel dat behandeling van dat gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering in zoverre niet worden ontvangen en kan dat gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2016 onder rolnummer 22-001231-16 is de verdachte – voor zover hier van belang – veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van één maand, met bevel dat die detentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf en tot vervanging van de jeugddetentie door een gevangenisstraf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Nu de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en hij naar het oordeel van het hof niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, zal het hof – gelet op artikel 77dd lid 3 van het Wetboek van Strafrecht – bepalen dat de jeugddetentie voor de duur van één maand als gevangenisstraf van gelijke duur ten uitvoer zal worden gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 574,99 (vijfhonderdvierenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 74,99 (vierenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2017.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 574,99 (vijfhonderdvierenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 74,99 (vierenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 januari 2017.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10,00 (tien euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 januari 2017.

Het inzake de gevorderde materiele schade meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Verklaart de benadeelde partij inzake de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10,00 (tien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 januari 2017.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2016, onder rolnummer 22-001231-16, te weten jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand, te vervangen door een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Dit arrest is gewezen door mr. T.B. Trotman,

mr. S. Verheijen en mr. C.H.M. Royakkers, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 maart 2018.