Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:576

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
22-004480-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging om de eigenaresse van een winkel te overvallen. Bij de verdachte zijn geestelijke stoornissen en een ernstige progressieve ziekte geconstateerd. De psychologen hebben geen aanwijzingen gezien voor de doorwerking van de geconstateerde stoornissen in het tenlastegelegde. Het hof gaat dan ook uit van de volledige toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004480-17

Parketnummer: 10-681027-17

Datum uitspraak: 21 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1984,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 467 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Tevens is een beslissing genomen over het bevel voorlopige hechtenis en de vordering van de benadeelde partij, horende bij het onder 1 ten laste gelegde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 januari 2017 te Dordrecht in/uit een winkel/pand gelegen aan de [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- een (bivak)muts voor het gezicht heeft gedragen, en/of

- die [benadeelde partij] de woorden heeft toegevoegd: "Dit is een overval, ik wil je geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- een (dreigende) beweging heeft gemaakt naar een (binnen)jaszak alsof hij iets wilde pakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf gekoppelde bijzondere voorwaarde die ziet op het verblijven in een (24-uurs)voorziening. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze thans niet meer worden opgelegd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 31 januari 2017 te Dordrecht in/uit een winkel/pand gelegen aan de [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, en te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- een (bivak)muts voor het gezicht heeft gedragen, en/of

- die [benadeelde partij] de woorden heeft toegevoegd: "Dit is een overval, ik wil je geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- een (dreigende) beweging heeft gemaakt naar een (binnen)jaszak alsof hij iets wilde pakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging om de eigenaresse van een winkel te overvallen. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de psychische integriteit van zijn slachtoffer en haar gevoelens van angst bezorgd. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door eigen financieel gewin, zonder stil te staan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 22 juli 2017, opgesteld en ondertekend door T. de Frel, reclasseringswerker, en P. van Rigteren, leidinggevende, alsmede op het psychologisch onderzoek Pro Justitia, d.d. 14 juli 2017, opgesteld en ondertekend door B. Koudstaal, klinisch psycholoog, en Y. Noorlander, GZ-psycholoog.

Bij de verdachte zijn geestelijke stoornissen en een ernstige progressieve ziekte geconstateerd. De verdachte wordt omschreven als iemand die fysiek en psychisch gemankeerd in het leven staat en waarbij de problemen in maatschappelijk en sociaal opzicht zich opstapelen.

Er is daarom sprake van een verhoogd risico op herhaling van delictgedrag.

De psychologen hebben geen aanwijzingen gezien voor de doorwerking van de geconstateerde stoornissen in het tenlastegelegde. Het hof gaat dan ook uit van de volledige toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Geadviseerd is reclasseringstoezicht, met name om de vinger aan de pols te houden ten aanzien van het risicomanagement en als ondersteuning in het zoeken naar passende zorg, waarbij eerst zou kunnen worden verkend of ambulante ondersteuning gecombineerd met praktische thuiszorg haalbaar en afdoende is.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot zijn huidige persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat hij op eigen initiatief en met hulp van zijn familie (moeder en zussen) erin is geslaagd een zorgnetwerk om hem heen te bouwen zodat hij voorlopig in zijn eigen huis – in de straat bij zijn moeder - kan blijven wonen, hetgeen heel belangrijk voor hem is. Mede aan de hand van overgelegde stukken is aannemelijk geworden dat er inmiddels voldoende thuiszorg en individuele begeleiding rond de verdachte is georganiseerd. Hij krijgt daarnaast ambulante psychische zorg inclusief medicatie.

Gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding om een lagere straf aan de verdachte op te leggen dan de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan. Voorts zal het hof ervan afzien om de verdachte via de weg van bijzondere voorwaarden te verplichten tot reclasseringscontact, ambulante forensische zorg en/of begeleid wonen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. R.C. Langeler en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2018.