Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:575

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
22-003309-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld ter hoogte van 4.830,00 euro. Voor een bewezenverklaring van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat het vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Gezien de niet verifieerbare en op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld, is het hof van oordeel dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof veroordeelt de verdachte tot één week gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003309-17

Parketnummer: 09-808865-16

Datum uitspraak: 21 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 20 juli 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1988,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 maart 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens is het voorwerp zoals onder 1 vermeld op de beslaglijst (te weten: 4.830,00 euro) verbeurdverklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 oktober 2016, te Zoetermeer, althans in Nederland, een geldbedrag (circa EUR 4830,-) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het voorwerp zoals onder 1 vermeld op de beslaglijst (te weten: 4.830,00 euro) zal worden verbeurdverklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Rechtmatigheid fouillering verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de identificatiefouillering van de verdachte, waarbij het betreffende geldbedrag bij hem is aangetroffen, onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Daarvoor bestond immers geen noodzaak aangezien de verdachte al had gezegd dat zijn identiteitsbewijs in zijn auto lag. Onder die omstandigheden was er sprake van détournement de pouvoir. De politie heeft op oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van het fouilleringsmiddel en daarmee doelbewust de strafvorderlijke waarborgen rond het opsporingsonderzoek aan kleding omzeild. De verdachte heeft hierdoor nadeel ondervonden nu er sprake was van inbreuk op zijn privacy.

Dit vormverzuim dient gesanctioneerd te worden met uitsluiting van het bewijsmateriaal dat door de onrechtmatige fouillering is verkregen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Met de politierechter is het hof van oordeel dat voor zover er al sprake is van enig vormverzuim, dit in elk geval niet heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek ter zake het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Dat sprake zou zijn geweest van détournement de pouvoir is niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 09 oktober 2016, te Zoetermeer, althans in Nederland, een geldbedrag (circa EUR 4830,-) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Subsidiair heef de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan overtuigend bewijs dat het bij de verdachte aangetroffen en in de tenlastelegging vermelde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 9 oktober 2016 is rond half 2 ’s nachts een bedrijfscontrole uitgevoerd door het Haags Economisch Interventie Team (HEIT), bij onderneming [onderneming]. In het kader van deze controle werden alle bezoekers van [onderneming] verzocht zich te legitimeren. De verdachte was één van die bezoekers. Omdat hij geen legitimatiebewijs bij zich bleek te hebben, is de verdachte op grond van de Wet Identificatieplicht gefouilleerd. Bij die fouillering is een geldbedrag van 4830,00 euro bij de verdachte aangetroffen. Ongevraagd verklaarde de verdachte na het aantreffen van het geld dat hij op dat moment een uitkering genoot, dat hij een nieuwe auto wilde kopen en dat hij vier jaar had gespaard. (zie proces-verbaal van aanhouding, nummer PL1500-2016280949-2 in combinatie met proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016280949-11).

Gelet op de hoogte van het bij de verdachte aangetroffen contante geldbedrag, in combinatie met zijn mededeling dat hij een uitkering genoot, is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het in de tenlastelegging vermelde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is nu niet direct een legale economische verklaring voorlag voor dit grote contante geldbedrag en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Na zijn aanhouding heeft de verdachte over de herkomst van het geld tegenover de politie een uitgebreidere verklaring afgelegd over de wijze waarop hij aan het inbeslaggenomen geldbedrag was gekomen. Hij verklaarde – zakelijk weergegeven – daarover het volgende:

 dat hij voor zijn verjaardag (d.d. 11 september) een bedrag van 700 euro cadeau had gekregen; dat hij voor de zomer een individuele toeslag had gekregen van 1.200 euro; dat hij jarenlang een kleine 100 euro per maand opzij had gezet en had gespaard; dat hij het geldbedrag in de woning van zijn broer in Alphen aan den Rijn had liggen en dat hij dit geld die dag in verband met een voorgenomen autokoop daar uit de kluis heeft gehaald.

Over de reden waarom hij het geldbedrag bij zich had, verklaart de verdachte als volgt. Hij was die dag voornemens geweest in Weert een via Marktplaats aangeboden auto te kopen. Na telefonisch contact met de verkoper is de verdachte op 8 oktober 2016 rond 18:00 uur van huis weg gegaan en samen met zijn broer en twee vrienden naar de verkoper van de auto gereden. De verdachte heeft uiteindelijk echter afgezien van de koop, vanwege een gebrek aan de versnellingsbak van de auto. Vervolgens zijn de verdachte, zijn broer en twee vrienden, na een tussenstop bij een Turkse eetgelegenheid en via Eindhoven, rond half 1 ’s nachts, inmiddels 9 oktober 2016, in [onderneming] beland (zie proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, nummer PL1500-2016280949-5).

Deze verklaring van de verdachte is door de politie waar mogelijk gecontroleerd, maar nergens is de door de verdachte verstrekte informatie verifieerbaar of juist gebleken, immers:

de toeslag van 1.200 euro blijkt niet uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften van de verdachte (zie proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1500-2016280949-13);

 er is geen advertentie op Marktplaats te vinden die aan de omschrijving van de verdachte voldoet en bij onderzoek aan de telefoon van de verdachte is in de lijst met gebelde telefoonnummers niet het nummer van de verkoper te zien (zie proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1500-2016280949-8);

 op de vraag of hij bij de aankoop van de auto aanwezig was, antwoordt de broer van de verdachte, [broer], ‘Nee. Ik niet.’ en bij vragen over een mogelijke kluis in zijn woning beroept hij zich op zijn verschoningsrecht (zie proces-verbaal van verhoor getuige, nummer PL1500-2016280949-9).

Voorts acht het hof het opmerkelijk dat [broer] verklaart over een lening aan de verdachte van circa 1.600,00 euro (afkomstig uit een recente casino-winst) – toch een aanzienlijk gedeelte van het totale bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - terwijl de verdachte hier in zijn politieverhoor in het geheel niet over verklaart (zie proces-verbaal van verhoor getuige, nummer PL1500-2016280949-9).

Naast die omstandigheid dat de verklaring van de verdachte zoals hij die tegenover de politie heeft afgelegd niet verifieerbaar is gebleken, verklaart de verdachte naar het oordeel van het hof gedurende de onderzoeken ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet consistent. Zo verklaarde de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep dat de broer in wiens kluis hij geld bewaarde niet [broer] betreft, maar een andere, jongere, broer [broer 2] (fonetisch), terwijl hij bij de politie spreekt over ‘mijn broer’ als het om de kluis gaat en direct daarna [broer], de broer die heeft verklaard dat hij geld aan de verdachte heeft geleend, eveneens zo aanduidt.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld als ongeloofwaardig terzijde moet worden gelegd. Er is aldus geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld ter hoogte van 4.830,00 euro. Witwassen tast de integriteit aan van het financieel en economisch verkeer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 februari 2018. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, zij het voor andersoortige feiten. Tevens is, gelet op de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking van 30 juni 2017, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat naast de na te melden verbeurdverklaring kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Dit vormt een passende en geboden reactie.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu het feit is begaan met betrekking tot dit geldbedrag. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het voorwerp zoals onder 1 vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst (te weten: geld, totaal 4830,00 euro).

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. R.C. Langeler en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2018.