Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:574

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
22-004026-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich twee maal schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. In beide gevallen maakte de verdachte deel uit van een groep jongens die het slachtoffer meerdere malen heeft geslagen en geschopt, ook toen het slachtoffer op de grond lag. De slachtoffers hebben divers letsel overgehouden aan het tegen hen gebruikte geweld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van

50 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004026-17

Parketnummer: 09-827357-16 en 09-852099-17 (gev.)

Datum uitspraak: 25 januari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 11 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte onder toepassing van het jeugdstrafrecht ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 73 dagen, met aftrek van voorarrest. Onder toepassing van het volwassenenstrafrecht is de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen, alsemede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Aan de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden als in het vonnis opgenomen, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen, alsmede ten aanzien van de voorlopige hechtenis van de verdachte, één en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 25 maart 2016 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Hobbemastraat, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen slaan/stompen in het gezicht en/of op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het schoppen tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1];

2:
hij op of omstreeks 4 mei 2017 te Rotterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Kruiskade, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen slaan/stompen in het gezicht en/of op het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of het meermalen schoppen tegen en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] (al dan niet terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 73 dagen, met aftrek van voorarrest. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 25 maart 2016 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Hobbemastraat, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen slaan/stompen in het gezicht en/of op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het schoppen tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 1];

2:
hij op of omstreeks 4 mei 2017 te Rotterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Kruiskade, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen slaan/stompen in het gezicht en/of op het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of het meermalen schoppen tegen en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] (al dan niet terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 1] tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring betrouwbaarder is dan de verklaring in zijn aangifte. Bij de beoordeling van het feit dient dan ook te worden uitgegaan van eerstgenoemde verklaring. Deze verklaring ontzenuwt de in de aangifte afgelegde en de verdachte belastende verklaring van [slachtoffer 1].

Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat de aangifte beduidend korter na het feit is gedaan dan de verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris . In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om van de juistheid van die verklaring uit te gaan en die verklaring te gebruiken voor het bewijs.

Deze verklaring, in onderlinge samenhang met de overige te bezigen bewijsmiddelen bezien, maakt dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich twee maal op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. In beide gevallen maakte de verdachte deel uit van een groep jongens die het slachtoffer meerdere malen heeft geslagen en geschopt, ook toen het slachtoffer op de grond lag. De slachtoffers hebben divers letsel overgehouden aan het tegen hen gebruikte geweld. De kaak van slachtoffer [slachtoffer 1] is op twee plaatsen gebroken en zijn schouder is uit de kom geraakt. Door deel te nemen aan dergelijke handelingen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Voorts veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer nu de feiten hebben plaatsgevonden in het openbaar.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat het letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] is veroorzaakt door een handeling van een van de medeverdachten en niet door de verdachte.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Onder toepassing van het jeugdstrafrecht is het hof – alles afwegende – van oordeel dat op het onder 1 bewezenverklaarde feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur.

Onder toepassing van het volwassenenstrafrecht is het hof – alles afwegende – van oordeel dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf een passende en geboden reactie vormt.

Bij de strafoplegging van het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de duur van de aan de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde feit opgelegde jeugddetentie korter is dan de duur die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.791,02.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 3.916,20.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.416,02, bestaande uit de schadepost ‘eigen risico ziektekosten’ en ‘gederfde inkomsten’, materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden materiële schade zal derhalve tot een bedrag van € 1.416,02 hoofdelijk worden toegewezen.

Ten aanzien van de schadepost ‘kosten extra rijlessen’ dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat niet is komen vast te staan dat dit deel van de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden welke het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00.

De vordering tot immateriële schadevergoeding zal voor het overige deel worden afgewezen.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag € 3.916,02 hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.916,02 hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde. Op het voegingsformulier is geen bedrag genoteerd.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zijn vordering gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu op het voegingsformulier geen bedrag is ingevuld, kan het hof niet vaststellen wat de schade is die door het bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij is toegebracht. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van

50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.916,02 (drieduizend negenhonderdzestien euro en twee cent) bestaande uit € 1.416,02 (duizend vierhonderdzestien euro en twee cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding immateriële schade voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.916,02 (drieduizend negenhonderdzestien euro en twee cent) bestaande uit € 1.416,02 (duizend vierhonderdzestien euro en twee cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 maart 2016.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van

50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. I.M. Abels, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 januari 2018.

Mr. I.M. Abels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.