Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:532

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
22-003664-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 24c, 36f, 45, 57, 63, 287 en 312 Sr. Veroordeling ter zake van poging tot doodslag en diefstal met geweld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorwaardelijk opzet bij poging tot doodslag. Verwerping beroep op noodweer en noodweerexces. Verklaringen getuigen voldoende betrouwbaar. Slachtoffer verkeert als gevolg van poging tot doodslag in vegetatieve staat. Vordering benadeelde partij. Immateriële schade tot een bedrag van € 250.000,- en materiële schade tot een bedrag van € 10.248,12 toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel; € 250.000,- immateriële schade, € 10.248,12 materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0283
JA 2018/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003664-16

Parketnummers: 10-811190-15 en 10-812040-16

Datum uitspraak: 8 maart 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in [naam inrichting].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het op

22 februari 2018 gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Waar hierna wordt gesproken van zaken met onderscheiden parketnummers is dat een administratieve aanduiding, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan hetgeen rechtens volgt uit de ter terechtzitting in eerste aanleg bevolen voeging van die zaken.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-811190-15 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 10-812040-16 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 10-811190-15

hij op of omstreeks 11 november 2015 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [A] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen/gestompt (ten gevolge waarvan die [A] ten val is gekomen), en/of

- ( terwijl die [A] weerloos op de grond lag) die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft getrapt/geschopt/gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 11 november 2015 te Vlaardingen aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (zwaar) hersenletsel, heeft toegebracht door

- die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan/stompen (ten gevolge waarvan die [A] ten val is gekomen), en/of

- ( terwijl die [A] weerloos op de grond lag) die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te trappen/schoppen/stampen.


Zaak met parketnummer 10-812040-16 (gevoegd)

hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans één, blik(jes) bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Supermarkt X (gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [B] (werkzaam bij de Supermarkt X ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met kracht) duwen van die [B]en/of

- ( daarbij) (op dreigende wijze) toevoegen van de woorden aan die [B] "ik sta op duizenden camerabeelden, je moet me niet meer aanraken, als je dit toch doet, steek ik je in je nek" en/of

- ( daarbij) met zijn, verdachtes, hand richting zijn, verdachtes, broekzak gaan;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans één, blik(jes) bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Supermarkt X (gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Maassluis [B] (werkzaam bij de Supermarkt X) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk die [B] dreigend de woorden toegevoegd: "ik sta op duizenden camerabeelden, je moet me niet meer aanraken, als je dit toch doet, steek ik je in je nek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder parketnummer

10-811190-15 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 10-812040-16 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Betrouwbaarheid verklaringen van de getuigen [C] en [D]

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [C] en [D] onvoldoende betrouwbaar zijn.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het navolgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte zich op het standpunt stelt dat er in de avond/nacht van 11 november 2015 meerdere fysieke confrontaties hebben plaatsgehad, waar de verdachte bij betrokken is geweest. Volgens de verdachte zou er eerst een gevecht hebben plaatsgehad in de Pieter Karel Drossaertstraat, en daarna zou het incident op de op tientallen meters afstand daarvan gelegen Zomerstraat hebben plaatsgehad.

Hoewel er aanwijzingen zijn dat er vóór het geweldsincident in de Zomerstraat, waarvan [A] het slachtoffer is geworden, geweld heeft plaatsgehad is – ook al omdat de verdachte daar geen duidelijkheid over heeft verschaft, althans ook wisselend over heeft verklaard – niet komen vast te staan wat er precies is gebeurd en wie er op welke wijze betrokken was bij mogelijke andere geweldsincidenten die avond/nacht.

Wel is komen vast te staan dat er rond middernacht een geweldsincident heeft plaatsgehad in de Zomerstraat te Vlaardingen. Van dit incident zijn de heren [C] en [D]

getuige geweest.

Deze getuigen van het geweldincident in de Zomerstraat te Vlaardingen hebben, toen de politie, na een melding van de getuige [C], in de nacht ter plaatse kwam, zoals te doen gebruikelijk, een eerste korte verklaring gegeven. [C] is dezelfde woensdag 11 november 2015 in de avond om 20.00 uur en [D], de man met de twee honden, een dag later op donderdag 12 november 2015 te 13.00 uur uitgebreid en in detail door de politie gehoord.

[C] ziet een en ander vanaf zijn balkon plaatsvinden, ter hoogte van een lantarenpaal en [D] loopt met zijn twee honden op straat en neemt in die Zomerstraat de verdachte waar alsmede het slachtoffer, die dan al op de grond ligt.

Deze verklaringen van de getuigen sluiten naar het oordeel van het hof op elkaar aan. Van enige beïnvloeding onderling dan wel door de politie is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet gebleken, noch is een begin van aannemelijkheid daarvan naar voren gekomen.

Daarnaast zijn deze getuigen op verzoek en in aanwezigheid van de raadsman als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. Ook uit dit verhoor kan het hof niet afleiden dat deze getuigen niet betrouwbaar zouden zijn en er twijfel is ontstaan omtrent hun waarnemingen. De getuigen verklaren consequent en consistent, op hoofdpunten geheel in lijn met hun eerdere verklaringen.

Voorts is van belang dat de getuigen toevallige toeschouwers zijn van het incident tussen de verdachte en het slachtoffer in de Zomerstraat te Vlaardingen.

Dat hun verklaringen, tegenover elkaar afgezet, op enkele details afwijken, zoals buik of rug ligging, kan daar niet aan afdoen.

Tot slot stelt het hof ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen vast, dat het ten laste gelegde in de Zomerstraat een complex van handelingen betreft, dat als geheel dient te worden beoordeeld. De door het hof te bezigen bewijsmiddelen dienen dan ook in onderling verband en in samenhang met elkaar te worden bezien.

De stelling van de raadsman onder punt 21 van zijn pleitnotities omtrent het ontbreken van forensisch steunbewijs voor de verklaringen van de getuigen dat er geschopt of getrapt zou zijn, kan het hof niet volgen.

Immers, er heeft geen onderzoek zoals bedoeld door de verdediging plaatsgevonden. Aldus beschouwd is niets vastgesteld omtrent het aangetroffen bloed op de schoenen van de verdachte en is er in die zin geen steunbewijs zoals door de raadsman aangevoerd. Het Openbaar Ministerie vond DNA-onderzoek kennelijk niet nodig. Ook de verdediging heeft niet om een dergelijk onderzoek gevraagd. Het gaat dan niet aan om ter verdediging (eerst) bij pleidooi in hoger beroep voor meerdere uitleg vatbaar te stellen, dat niet is vastgesteld dat bij het op de schoenen van de verdachte aangetroffen bloed, ook sprake is van het bloed van het slachtoffer.

Het hof is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat beide verklaringen betrouwbaar zijn en derhalve tot bewijs van het ten laste gelegde kunnen worden gebezigd.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

(Voorwaardelijk) opzet

Om tot een veroordeling voor poging tot doodslag te komen is vereist dat verdachte daartoe opzet moet hebben gehad. Dit opzet moet zich minst genomen in voorwaardelijke vorm hebben gerealiseerd.

Nu de verdediging in hoger beroep op dit punt geen onderbouwd standpunt heeft ingenomen, zal het hof volstaan met de navolgende overwegingen.

Het hof is van oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de (mogelijke) dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op die gevolgen heeft aanvaard. Dit maakt dat aan de voorwaarden voor voorwaardelijk opzet is voldaan. Van aanwijzingen voor het tegendeel is het hof niet gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak onder parketnummer 10-811190-15 primair en in de zaak onder parketnummer 10-812040-16 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 10-811190-15

hij op of omstreeks 11 november 2015 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [A] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen/gestompt (ten gevolge waarvan die [A] ten val is gekomen), en/of

- (terwijl die [A] weerloos op de grond lag)die [A] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft getrapt/geschopt/gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Zaak met parketnummer 10-812040-16 (gevoegd)

hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eëigening heeft weggenomen twee, althans één, blik(jes) bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Supermarkt X (gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [B] (werkzaam bij de Supermarkt X), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- (met kracht) duwen van die Weeke en/of

- (daarbij) (op dreigende wijze) toevoegen van de woorden aan die [B]"ik sta op duizenden camerabeelden, je moet me niet meer aanraken, als je dit toch doet, steek ik je in je nek" en/of

- (daarbij) met zijn, verdachtes, hand richting zijn, verdachtes, broekzak gaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Beroep op noodweer en noodweerexces (ten aanzien van het onder parketnummer 10-811190-15 bewezenverklaarde)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – aangevoerd, dat de verdachte een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. De verdachte dient derhalve, bij bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman onderscheidt bij de bespreking van dit verweer twee incidenten; het geweldincident op de Zomerstraat en de invulling van het door de verdachte en de raadsman geschetste incident dat daar aan vooraf zou zijn gegaan en zich afgespeeld zou hebben in de Pieter Karel Drossaertstraat, hierna: incident I.

Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt."

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging niet kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien.

Hiervan is naar het oordeel van het hof sprake ten aanzien van het geweldincident in de Zomerstraat en de daarbij door het Hof bewezen handelingen van de verdachte.

Immers, uit de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van [C] komt onder meer naar voren dat het slachtoffer met zijn gezicht naar voren kwam aanlopen en daarachter liep de verdachte. De verdachte heeft, zonder dat het slachtoffer dit kon zien, hard met zijn vuist geslagen op de rechterkant cq. het achterhoofd van het slachtoffer, die hierna aan het wankelen was op zijn benen. Het slachtoffer kreeg toen weer een klap op dezelfde manier en op dezelfde plek op het hoofd. Het slachtoffer viel daarop voorover op de grond en bewoog niet meer. De verdachte heeft vervolgens het slachtoffer vele malen op zijn hoofd geslagen waarbij het volgens de getuige leek of het hoofd van het slachtoffer een boksbal was.

Voor noodweer is voorts vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding".

Gelet op de hiervoor weergegeven en voor het bewijs gebezigde verklaring van Bouman was van een dergelijke ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op het hiervoor weergegeven moment in de Zomerstraat evident geen sprake.

Aldus beschouwd kan dan ook evenmin sprake zijn van noodweerexces.

Echter, de raadsman heeft aangevoerd dat aan het incident in de Zomerstraat een vechtpartij voorafging, incident I, waarbij verdachte tegenover drie andere personen stond onder wie het latere slachtoffer en waarbij de verdachte als eerste werd geslagen. Daarbij betoogt de raadsman voorts dat mogelijk bij de verdachte sprake was van (grote) boosheid, die heviger zou kunnen zijn geworden toen de verdachte ontdekte dat hij de bij zijn aanhouding vastgestelde snij- of steekwond had. De raadsman acht het aannemelijk dat die boosheid vervolgens de overschrijding van de redelijke grenzen van de verdediging heeft beïnvloed.

Het hof verwerpt dit verweer nu uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – zie ook het hierboven onder het kopje ‘Betrouwbaarheid verklaringen van de getuigen [C] en [D] overwogene ten aanzien van de mogelijke geweldsincidenten vóór het incident in de Zomerstraat - dit verweer niet aannemelijk is geworden.

Het hof overweegt in dit verband voorts nog dat, de door de raadsman geopperde mogelijkheden ook in schril contrast staan met de verdachte zijn verklaring van 19 november 2015, waarbij deze een geheel andere aanleiding geeft voor het knock-out tegen de grond slaan van het slachtoffer in de Zomerstraat.

Uit de verklaring van de verdachte op pagina 74 van het proces-verbaal komt namelijk naar voren dat het slachtoffer de tas van de verdachte pakte en verdachte daarop tegen het slachtoffer heeft gezegd dat deze de tas niet kon krijgen omdat die tas, een Feijenoord tas, niet van verdachte was.

Er ontstond naar zeggen van de verdachte toen weer een worsteling. De verdachte heeft het slachtoffer een ‘hoek/hoekstoot’ gegeven waardoor het slachtoffer ‘knock-out’ ging. In die setting zag de verdachte een man die contact met hem maakte. De man zou tegen hem hebben gezegd dat hij zijn hond zou loslaten, althans iets in die trant, waarop de verdachte zou hebben gereageerd met de woorden ‘doe normaal’ en vervolgens zijn tas heeft gepakt.

Het is evident dat de verdachte hier spreekt over het geweldincident in de Zomerstraat en zijn contact met de getuige [D], hetgeen voor een deel ook aansluit bij diens getuigenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 10-812040-16 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Evenmin is een andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Er is sprake van excessief geweld op straat, waarbij het slachtoffer ernstige hersenbeschadiging heeft opgelopen en het incident heeft ook toevallige toeschouwers ernstig geschokt.

Het slachtoffer en zijn dierbaren is onnoemelijk veel leed aangedaan. Van een leven zoals het slachtoffer dat met zijn dierbaren leefde voorafgaande aan dit geweld, zal geen sprake meer kunnen zijn.

Blijkens het geschrift bevattende medische informatie betreffende [A] d.d. 12 juni 2017 verkeert hij in een continue staat van verlaagd of minimaal bewustzijn. De arts concludeert dat voor deze situatie geen behandeling mogelijk is en dat [A] altijd in deze vegetatieve toestand zal blijven.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat verdachte op de bewezen verklaarde wijze met bedreiging van geweld blikjes bier heeft gestolen in een supermarkt. De verdachte heeft aldus blijk gegeven van gebrek aan respect voor andermans eigendomsrecht en heeft zich niet ontzien zijn wil met een doodsbedreiging kracht bij te zetten. Feiten als dit veroorzaken tenminste overlast bij de betrokkenen en zijn regelmatig oorzaak van mentaal trauma bij personeel.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 februari 2018.

Het hof neemt voorts in overweging dat het multidisciplinaire Pro Justitiarapport dat op 9 juni 2016 in de onderhavige zaak over de verdachte is uitgebracht inhoudt, dat de verdachte van 2 maart 2016 tot 13 april 2016 is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum en dat dit onderzoek als gevolg van weigering van medewerking daaraan door de verdachte niet heeft kunnen leiden tot conclusies over de invloed van eerder bij hem aangetroffen stoornissen op het onder 1. bewezenverklaarde, noch tot een uit oogpunt van psychiatrie of psychologie aan te bevelen interventie ter voorkoming van recidive.

Het hof stelt vast dat in het PBC-rapport, dat in zoverre mede berust op gedragskundige rapportages die in het verleden over de verdachte zijn uitgebracht, het sterke vermoeden wordt aangenomen dat bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis bestaat. Uitgaande van de beschikbare informatie concluderen de deskundigen dat de verdachte voldoet aan de criteria voor psychopathie volgens het concept van Hare. Hieraan is in het rapport de volgende passage gewijd.

‘In eerdere rapportages wordt een (zich ontwikkelende) persoonlijkheidsstoornis vastgesteld binnen het antisociale spectrum. Ook in dit onderzoek bestaat op basis van de beschikbare informatie en het te verwachten ontwikkelingspatroon van een eerder vastgestelde (zich ontwikkelende) persoonlijkheidsstoornis, het sterke vermoeden op de aanwezigheid van persoonlijkheidsstoornis. Echter voor het vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis is uitgebreidere diagnostiek vereist [zijn] om meer zicht te verkrijgen op de etiologie, de drijfveren, motieven en interne belevingen van betrokkene naast de collaterale informatie en de geobserveerde dynamiek binnen het interpersoonlijke contact. Daarnaast is het ook niet duidelijk of er ook eveneens een wisselwerking staat met zijn cognitieve capaciteiten.

Afgaande op de PCL-R gebaseerd op de beschikbare collaterale informatie en gedragsobservaties, voldoet betrokkene aan de criteria voor psychopathie volgens het

concept van Hare. Bij betrokkene komt dit met name tot uiting in disfuncties op diverse gebieden. Zo is bijvoorbeeld het zelfsturende vermogen van betrokkene beperkt: mede door affectieve verwaarlozing en onvoldoende pedagogische sturing in de vroege kindertijd zijn er aanwijzingen dat betrokkene afhankelijk is geworden van externe structuren en holding. Verder is er sprake van een defectueuze affectieve ontwikkeling tot uiting komend in een gebrek aan schuldgevoel en berouw, een gebrekkig ontwikkeld geweten, beperkte empathische vermogens en het ontbreken van emotionele diepgang. Betrokkene is geneigd om anderen om zich heen op instrumentele wijze te gebruiken en geen eigen verantwoordelijkheid te nemen. Hij toont hierbij een copingsstijl van bedreigen en intimideren om zijn doelen te bereiken. In het leven van betrokkene tekent zich tevens een patroon af van gebrekkige frustratietolerantie en een verstoorde agressiehuishouding, onder andere tot uiting komend in eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten. Er is sprake van een aanhoudend onvermogen zich te conformeren aan maatschappelijke normen, ook eerdere behandelingen binnen een gedwongen kader hebben hier tot op heden geen verandering in weten te bewerkstelligen.

Er wordt dan ook een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld bij betrokkene, maar deze kan bij gebrek aan verdiepend onderzoek op dit moment niet

geclassificeerd worden in DSM-termen.

Gezien de pervasieve, chronische aard van deze beperking is het aannemelijk dat deze gebrekkige ontwikkeling ook aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde.’

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende naar voren is gekomen dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens op grond waarvan een maatregel de verdachte ter beschikking te stellen met bevel tot verpleging van overheidswege nu passend en geboden zou zijn.

Daarbij overweegt het hof dat het strafrechtelijk doel van vergelding, van speciale preventie, alsmede het doel dat de advocaat-generaal nastreeft met de gevorderde

TBS-maatregel, te weten de bescherming van de samenleving, evenzeer bereikt kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, zeker nu de te zijner tijd in beeld komende voorwaardelijke invrijheidstelling geen automatisme is.

Het voorgaande is reden om bij de straftoemeting af te wijken van wat de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Het hof is - alles afwegende, mede gelet op de generale en speciale preventie - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren, zoals in het dictum nader aangegeven, een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [A]

In het onderhavige strafproces heeft ter zake van het onder parketnummer 10-811190-15 ten laste gelegde feit mevrouw [F], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [A], daarbij in rechte bijgestaan door mr. E.W. Bosch, advocaat te Honselersdijk, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 264.423,15, bestaande uit € 14.423,15 materiële schade en € 250.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 264.423,15.

De advocaat-generaal heeft – in afwijking van zijn schriftelijk overgelegde vordering - geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 10.248,12 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige dient de benadeelde partij

niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat niet is komen vast te staan dat deze materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezen verklaarde.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 106 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bestaat er recht op vergoeding van nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het gaat dus om vergoeding van geleden schade en niet om vergoeding van kosten ter leniging of beperking van die schade. Mitsdien faalt het betoog van de raadsman dat de vordering niet of niet geheel kan worden toegewezen indien zich het geval voordoet dat de lichamelijke en geestelijke toestand van de benadeelde partij niet toestaat dat er tot het gevorderde bedrag kosten voor hem worden gemaakt ter verzachting van het als gevolg van het bewezenverklaarde ontstane leed.

Het hof acht het evident dat de benadeelde partij, als rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezen verklaarde, nadeel heeft geleden in de vorm van gederfde levensvreugde en is van oordeel dat de omvang van de vordering slechts een fractie vertegenwoordigt van die gederfde levensvreugde. Dat de vordering tot een bedrag van € 250.000,- beperkt blijft, vindt zijn oorzaak in het voor toewijzing geldende criterium dat de vergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld. Gegeven de omstandigheden acht het hof de toewijzing tot een bedrag van € 250.000,- billijk, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Samengenomen brengt dit mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [A]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 260.248,12 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [A].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair en in de zaak met parketnummer 10-812040-16 primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair en in de zaak met parketnummer 10-812040-16 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 260.248,12 (tweehonderdzestigduizend tweehonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 10.248,12 (tienduizend tweehonderdachtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 250.000,00 (tweehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 november 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-811190-15 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 260.248,12 (tweehonderdzestigduizend tweehonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 10.248,12 (tienduizend tweehonderdachtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 250.000,00 (tweehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

11 november 2015.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. N. Schaar en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 maart 2018.

Mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.