Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:508

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
200.194.503/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Mededelingsplicht bij aangaan verzekeringsovereenkomst. Plicht inlichtingen en bescheiden te verschaffen bij verwezenlijking risico. Vraag wie geldt als tot uitkering gerechtigde. Brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.194.503/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/484566/HA ZA 15-314

arrest van 20 maart 2018

inzake

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: Nationale-Nederlanden,

advocaat: mr. M. de Haan te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B. Kaya te Eindhoven.

Het geding

Bij exploot van 31 mei 2016 is Nationale-Nederlanden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 2 maart 2016. Bij memorie van grieven met producties heeft Nationale-Nederlanden vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De door de rechtbank in het vonnis van 2 maart 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[geïntimeerde] heeft tussen 1993 en 2005 met de rechtsvoorganger van Nationale-Nederlanden (RVS) verzekeringen afgesloten, die in 2013 door Nationale-Nederlanden zijn ondergebracht in het ‘ZekerheidsPakket Particulieren’ (pakketpolisnummer [polisnummer] ). [geïntimeerde] heeft destijds bij RVS onder meer een inboedelverzekering afgesloten, waarop de polisvoorwaarden PP 0000-03 en PP 2300-02 van toepassing zijn. De verzekerde som bedraagt € 47.745,=.

2.2.

Sinds 2004 heeft [geïntimeerde] een affectieve relatie met [X] (hierna: [X] ), die voortduurt tot op heden. Uit deze relatie is op [geboortedatum] hun dochter geboren.

2.3.

Op 12 december 2006 is [geïntimeerde] samen met [neef 1] , de zoon van een broer van [X] , geboren [geboortedatum] , eigenaar geworden (ieder voor de onverdeelde helft) van het woonhuis aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). [neef 1] heeft nooit in de woning gewoond.

2.4.

Aan [geïntimeerde] en voornoemde [neef 1] gezamenlijk is door de Rabobank een hypothecaire lening verstrekt waarmee de woning is bekostigd.

2.5.

Op 12 december 2006 heeft [geïntimeerde] een opstalverzekering (woonhuisverzekering) afgesloten voor de woning, waarmee zij deze heeft verzekerd tegen brandschade.

De verzekerde som bedraagt € 213.245,- met een eigen risico van € 250,- per gebeurtenis.

Op de opstalverzekering zijn naast de (in 2.1 genoemde) polisvoorwaarden PP 0000-03 de polisvoorwaarden P2200-02 van toepassing.

2.6.

Op het vragenformulier, gedateerd 12 december 2006, dat door [geïntimeerde] bij het aanvragen van de opstalverzekering is ingevuld, staat het volgende:

Voorgeschiedenis

Bij deze vragen dienen feiten vermeld te worden over de voorgeschiedenis van aanvrager, de personen met wie hij/zij in gezinsverband samenwoont en/of andere belanghebbenden bij deze verzekering, die zijn voorgevallen in de laatste acht jaar.

(…)

De volgende vraag is door haar met “nee” beantwoord:

Is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie ter zake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf? Hieronder te verstaan het als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking gekomen zijn met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. Hieronder vallen dus niet alle strafbare feiten, maar alleen die wettelijk als misdrijven worden aangemerkt.

2.7.

De naam van [X] wordt genoemd in een boek getiteld: ‘Deals met Justitie’. In dit boek is beschreven dat hij in 1999 als verdachte is aangehouden in een onderzoek naar invoer van en handel in heroïne.

2.8.

Op 8 juli 2014 zijn [geïntimeerde] , [X] en hun dochter [naam dochter] voor vakantie naar Turkije vertrokken. Een sleutel van de woning is achtergelaten bij [neef 2] , geboren op [geboortedatum] (zijnde een ander dan de onder 2.3 genoemde [neef 1] en eveneens), een zoon van een broer van [X] . Toen deze (jongere) [neef 2] zelf op vakantie ging, heeft hij de sleutel achtergelaten bij zijn broer [neef 3] .

2.9.

In de nacht van 25 op 26 augustus 2014 is de woning afgebrand. [geïntimeerde] en [X] bevonden zich ten tijde van de brand in Turkije.

2.10.

Op 17 juli 2015 is een zekere [Y] door de strafkamer van de rechtbank Rotterdam veroordeeld voor medeplichtigheid aan het opzettelijk stichten van brand in de woning. In het vonnis heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“De verdachte heeft verklaard dat hij, op verzoek van een onbekend gebleven Turkse man, in de nacht van 26 augustus 2014 omstreeks 00.30 uur jerrycans benzine heeft neergezet in de woning (…). Ook heeft hij toen de beveiligingscamera’s van de woning onklaar gemaakt. Vervolgens heeft hij de woning verlaten, waarbij hij de achterdeur heeft opengelaten. De verdachte heeft steeds ontkend dat hij de brand heeft aangestoken of daarbij aanwezig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de brand heeft aangestoken noch dat hij aanwezig is geweest bij het aansteken van de brand. De enkele omstandigheid dat er relatief weinig tijd zit tussen het betreden van de woning door de verdachte en het uitbreken van de brand, maakt dit niet anders. Uitgaande van de verklaringen van getuigen over het tijdstip van de brand bleef er genoeg tijd over om de woning te verlaten en door een ander te betreden. De rechtbank ziet voor dit scenario ook steun in het feit dat de verdachte de camera uitgeschakeld heeft. Verdachte is zelf zichtbaar op de camera voordat hij deze heeft kunnen uitschakelen. Het feit dat hij vervolgens alsnog de camera bij de ingang van de woning uitschakelt, past goed bij een scenario waarbij een nog te arriveren persoon niet zichtbaar mag zijn.

2.11.

Op 24 juli 2015 heeft het Openbaar Ministerie aan de advocaat van [neef 3] een e-mail gezonden waarin wordt gemeld dat besloten is hem niet te vervolgen voor de brand aan de [adres] te [plaats] .

2.12.

[geïntimeerde] heeft Nationale-Nederlanden verzocht de door haar geleden schade te vergoeden. Een door Nationale-Nederlanden ingeschakelde expert heeft de schade aan de woning vastgesteld op € 160.769,=. De omvang van de schade aan de inboedel is tussen partijen nog in geschil.

2.13.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft Nationale-Nederlanden dekking afgewezen en uitkering van enige schadesom geweigerd.

Procesverloop in eerste aanleg

3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de brandschade aan de woning aan de [adres] en de inboedel door Nationale-Nederlanden moet worden vergoed, en dat Nationale-Nederlanden wordt veroordeeld om over te gaan tot vergoeding van de brandschade, met vergoeding aan haar van een bedrag van € 3.122,28 in verband met door [geïntimeerde] gemaakte kosten van rechtsbijstand, vermeerderd met kosten. Bij wege van provisionele vordering heeft [geïntimeerde] een voorschot op de door haar geleden schade gevorderd van € 50.000,=. [geïntimeerde] heeft aan haar vordering kort gezegd ten grondslag gelegd dat de brandschade aan woning en inboedel gedekt is door de bij Nationale-Nederlanden gesloten verzekeringsovereenkomsten. Nationale-Nederlanden heeft ten verwere – samengevat – het volgende aangevoerd.

- Er is sprake van een schending van de mededelingsplicht bij de aanvraag van de opstalverzekering in 2006. [X] , de partner van [geïntimeerde] , woonde ten tijde van de aanvraag in 2006 in gezinsverband met [geïntimeerde] samen. [X] is in de acht jaar voor de aanvraag van de verzekering verdachte geweest van een misdrijf en dat is ten onrechte bij de aanvraag van de verzekering niet gemeld. Nationale-Nederlanden zou bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering hebben gesloten, zo volgt uit haar interne acceptatiebeleid. De reeds lopende verzekeringen, waaronder de inboedelverzekering, zouden dan tegen de eerstvolgende contractvervaldatum in 2007 door Nationale-Nederlanden zijn beëindigd.

- Er is sprake van betrokkenheid van een of meer verzekerden bij de brand, hetgeen maakt dat geen dekking behoeft te worden verleend. Ook [X] kan naast [geïntimeerde] als verzekerde worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat [neef 3] bij de brand betrokken is geweest en het is zeer waarschijnlijk dat [neef 3] bij de brandstichting in opdracht van [X] heeft gehandeld.

- [geïntimeerde] en mede-verzekerde [X] hebben na de brand hun mededelingsplicht geschonden. [geïntimeerde] heeft in strijd met de waarheid verklaard over onder meer het verblijf van [X] in de woning. [X] heeft helemaal niets aan de onderzoeker van Nationale-Nederlanden willen verklaren. Nationale-Nederlanden is hierdoor in haar belangen geschaad, onder meer doordat het onderzoek aanzienlijk meer tijd in beslag heeft genomen.

4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2016 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, waaronder het bij wege van voorlopige voorziening gevorderde voorschot op de schade-uitkering van € 50.000,=. De rechtbank overwoog daartoe, kort samengevat, dat niet is komen vast te staan dat dat [geïntimeerde] en [X] op het moment van de aanvraag van de opstalverzekering, dus op 12 december 2006, in gezinsverband samenwoonden. Nationale-Nederlanden heeft over de samenwoning in die periode te weinig gesteld. Het is daarom niet relevant of sprake is van een strafrechtelijk verleden van [X] . Ten aanzien van de vraag of [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting betrokken zijn geweest, oordeelde de rechtbank dat het aan Nationale-Nederlanden is om feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen die meebrengen dat zij niet tot uitkering verplicht is. Zelfs als sprake zou zijn van een vermoeden dat [neef 3] bij de brandstichting betrokken is, helpt dat Nationale-Nederlanden niet, omdat Nationale-Nederlanden onvoldoende heeft gesteld op basis waarvan de rechtbank tot het oordeel kan komen dat het handelen van [neef 3] aan [geïntimeerde] of [X] kan en moet worden toegerekend. Aan het bewijsaanbod van Nationale-Nederlanden is de rechtbank daarom niet toegekomen. Ten aanzien van de mededelingsplicht ná de brand oordeelde de rechtbank, dat deze alleen rust op [geïntimeerde] als verzekeringnemer, en niet tevens op [X] als medeverzekerde. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [geïntimeerde] , door het doen van tegenstrijdige verklaringen, niet de in de polis verlangde volle medewerking aan het onderzoek heeft verleend, maar dat opzet tot misleiding daaruit niet kan worden afgeleid. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het door Nationale-Nederlanden uitgevoerde diepgravende onderzoek ook had plaatsgevonden als de tegenstrijdige uitlatingen van [geïntimeerde] worden weggedacht. Nationale-Nederlanden is door die tegenstrijdige uitlatingen dus niet in een redelijk belang geschaad.

Vorderingen in hoger beroep

5. In appel vordert Nationale-Nederlanden dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Grief 1 – strafrechtelijk verleden [X]

6. Grief 1 heeft betrekking op het door Nationale-Nederlanden gevoerde verweer dat ten onrechte bij het aangaan van de opstalverzekering geen mededeling is gedaan van het strafrechtelijk verleden van [X] . Nationale-Nederlanden betoogt dat zij ten onrechte niet is toegelaten om bewijs te leveren van haar stelling, dat [geïntimeerde] en [X] reeds ten tijde van de aanvraag van de opstalverzekering in gezinsverband samenwoonden.

7. Indien de grief van Nationale-Nederlanden slaagt dient het hof – indachtig de devolutieve werking van het appel – ook in te gaan op de andere stellingen die [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft ingenomen in verband met het beroep van Nationale-Nederlanden op het schenden van de mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering. Het hof stelt in verband hiermee bij de beoordeling van de grief voorop dat [X] ten tijde van het sluiten van de opstalverzekering geen eigenaar was van de woning (en dat nog steeds niet is). Ook als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [X] en [geïntimeerde] ten tijde van het aanvragen van de opstalverzekering samenwoonden (althans voornemens waren om na levering in de woning te gaan samenwonen), is niet juist dat [X] bij het aanvragen van de opstalverzekering in 2006 kan gelden als bekende derde in de zin van artikel 7:928 lid 2 BW wiens belangen door de aangevraagde verzekering worden gedekt. De opstalverzekering dekt immers in beginsel geen financiële belangen van anderen dan de eigenaar. In de op de opstalverzekering betrekking hebbende polisvoorwaarden PP 2200-02 is dienovereenkomstig opgenomen dat als verzekerde (naast de verzekeringnemer) geldt “elke persoon met wie verzekeringnemer in duurzaam gezinsverband samenwoont, voorzover deze persoon financieel belang heeft bij de verzekerde zaken, zoals door mede-eigendom”. Van mede-eigendom is geen sprake. Dat [X] als mede-bewoner enig belang heeft bij de woning, in die zin dat hij door schade aan de woning in zijn woongenot wordt beperkt, maakt niet dat sprake is van een financieel belang in bovengenoemde zin. Gesteld noch gebleken is immers dat [X] voor het door Nationale-Nederlanden bedoelde financiele belang ook recht op een uitkering kon krijgen. Nationale-Nederlanden heeft in eerste aanleg nog aangevoerd dat [geïntimeerde] en [X] mogelijk gehuwd zijn en dat de verzekerde zaken in een gemeenschap zouden kunnen vallen. Deze stelling acht het hof echter onvoldoende toegelicht. Hetzelfde geldt voor de – door [geïntimeerde] betwiste – stelling dat “niet kan worden uitgesloten dat [X] ) achter de schermen de woning gedeeltelijk financierde c.q. de hypotheeklasten (gedeeltelijk) droeg”.

8. Het voorgaande brengt mee dat de mededelingsplicht van [geïntimeerde] , als verzekeringnemer en verzekerde, beperkt was tot datgene wat zij wist of behoorde te weten. Nog steeds veronderstellenderwijs aannemende dat [geïntimeerde] en [X] ten tijde van het aanvragen van de opstalverzekering in gezinsverband samenwoonden, diende [geïntimeerde] gezien de daarop gerichte vraag in het aanvraagformulier slechts mede te delen hetgeen zij wist of behoorde te weten over het strafrechtelijk verleden van [X] in de acht jaren voor het aanvragen van de verzekering.

9. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betwist dat zij ten tijde van het sluiten van de opstalverzekering op de hoogte was van het strafrechtelijk verleden van [X] . Nationale-Nederlanden heeft niet, althans niet gemotiveerd, aangevoerd dat zij daarvan in 2006 wel op de hoogte was. Naar het oordeel van het hof geldt evenmin dat [geïntimeerde] daarvan op de hoogte behoorde te zijn. Van een schending van de mededelingsplicht is derhalve geen sprake. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde] en [X] bij het sluiten van de opstalverzekering daadwerkelijk in gezinsverband samenwoonden. Het daarop gerichte bewijsaanbod van Nationale-Nederlanden zal als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

10. Aan het voorgaande voegt het hof – ten overvloede – nog toe dat voor zover [X] in 2006 wel als verzekerde kon worden aangemerkt in het kader van de inboedelverzekering, dit geen rol speelt bij de beoordeling van de mededelingsplicht bij het aangaan van die verzekering. De inboedelverzekering is immers door [geïntimeerde] reeds gesloten in 1996, dat wil zeggen voordat sprake was van een affectieve relatie tussen [geïntimeerde] en [X] .

Grief 2 (betrokkenheid [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting)

11. Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is gesteld waaruit kan volgen dat [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting betrokken zijn.

12. Tussen partijen staat vast dat de brand in de woning is ontstaan als gevolg van brandstichting. Vast staat ook, dat [geïntimeerde] en [X] ten tijde van de brand beiden in Turkije verbleven. Waar het dus op aankomt is of [geïntimeerde] en/of [X] opdracht hebben gegeven voor het stichten van de brand of deze op andere wijze opzettelijk hebben gefaciliteerd. Het is aan Nationale-Nederlanden om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit de betrokkenheid van [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting kan volgen. Nationale-Nederlanden wijst daartoe op het volgende:

- aan de brand lag een vooropgezet plan ten grondslag, naar onder meer volgt uit de verklaring van [Y] ;

- er zijn geen braaksporen aangetroffen, dus de brandstichter moet de beschikking hebben gehad over de sleutel;

- [geïntimeerde] heeft verklaard dat neef [neef 3] als enige (in Nederland) over de sleutel beschikte ten tijde van de brand;

- [neef 3] heeft de sleutel na de brand aan [geïntimeerde] en [X] teruggegeven, zodat [neef 3] wel betrokken moet zijn geweest bij (het faciliteren van) de brandstichting; uit het proces-verbaal van de strafzaken tegen [neef 3] blijkt dat er een tip bij de politie is binnengekomen van een betrouwbaar geachte informant, die luidt dat [neef 3] bij de brand betrokken is;

- [Y] heeft over de opdrachtgever van de brandstichting (wiens identiteit niet uit het verhoor van [Y] is gebleken) verklaard: “hij zei tegen mij dat hij geld van de verzekering wilde krijgen, afpersing”.

- [geïntimeerde] en [X] zijn de enigen die aanspraak kunnen maken op of belang hebben bij de verzekeringsuitkering;

- [X] heeft geweigerd een verklaring af te leggen bij de politie over het (mogelijk) motief voor de brandstichting;

- [neef 3] en [X] hebben in de nacht voor de brand telefonisch contact gehad;

- [neef 3] en [X] hebben dezelfde strafadvocaat;

- [geïntimeerde] heeft, zo volgt uit het proces-verbaal van aangifte, bij de politie voor wat betreft mogelijke motieven voor de brandstichting naar [X] verwezen.

13. De door Nationale-Nederlanden naar voren gebrachte feiten en omstandigheden hebben voor een deel betrekking op de betrokkenheid van [neef 3] bij de brandstichting. Voor zover juist is dat [neef 3] bij de brandstichting betrokken is (de vervolging van [neef 3] is geëindigd met een sepot), leidt dat nog niet tot het oordeel dat dus ook [geïntimeerde] en/of [X] daarbij betrokken zijn.

14. Dat [neef 3] is aangestuurd door [geïntimeerde] en/of [X] , onderbouwt Nationale-Nederlanden door te stellen dat [neef 3] en [X] kort voor de brand telefonisch contact hebben gehad, dat [neef 3] zelf geen belang heeft bij de brandstichting en dat [neef 3] en [X] dezelfde strafadvocaat hebben. Tot slot wijst Nationale-Nederlanden er op dat uit de verklaring van [Y] ten overstaan van de politie zou kunnen worden afgeleid dat de opdrachtgever belang had bij de verzekeringspenningen. Het hof is van oordeel dat de door Nationale-Nederlanden genoemde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de stelling dat [X] en/of [geïntimeerde] [neef 3] hebben aangestuurd. Dat [X] en [neef 3] dezelfde strafadvocaat hebben, is naar het oordeel van het hof irrelevant. Dat [geïntimeerde] als eigenares van de woning (en mogelijk ook [X] als haar partner) – anders dan [neef 3] – een geldelijk motief kan hebben voor brandstichting, vormt zonder nadere toelichting eveneens onvoldoende grond om aan te nemen dat [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting betrokken zijn. Zo is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] en/of [X] ten tijde van de brandstichting in financiële problemen verkeerden. De verklaring van [Y] geeft evenmin een aanknopingspunt voor de betrokkenheid van [geïntimeerde] en/of [X] . Zijn – als verdachte afgelegde – verklaring is daarvoor te warrig. Bovendien is “geld krijgen van de verzekering” iets heel anders dan “afpersing”. Dan is er nog het gestelde telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden op de avond voor de brand tussen [neef 3] en [X] . Bij gebreke van enige indicatie van de inhoud van dat gesprek kan daaruit niet worden afgeleid dat [X] toen aan [neef 3] opdracht heeft gegeven voor de brand, of daarover met hem heeft gesproken.

15. Het voorgaande brengt mee dat Nationale-Nederlanden niet aan haar stelplicht voldoet voor wat betreft de betrokkenheid van [geïntimeerde] en/of [X] bij de brandstichting. Aan bewijslevering op dit punt wordt derhalve niet toegekomen

Grieven 3 en 4 - schending mededelingsplicht na brand

16. De grieven 3 en 4 richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een rechtens relevante schending van de mededelingsplicht door [geïntimeerde] en [X] na de brand.

17. Het gaat hier om de verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 7:941 BW en in artikel 4.1.3 van de toepasselijke polisbepalingen PP 0000-03. Laatgenoemd artikel luidt als volgt:

“Verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde is verplicht binnen redelijke termijn naar waarheid aan verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen”.

Ingevolge artikel 4.2.1 van de polisvoorwaarden is de sanctie op het niet nakomen van de (onder meer) in artikel 4.1.3 neergelegde verplichtingen het verval van dekking, indien de verzekeraar door het niet-nakomen van zo’n verplichting door de verzekerde in een redelijk belang is geschaad.

18. Ten aanzien van de mededelingsplicht van [geïntimeerde] geldt het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door de rechtbank in punt 4.10 van het bestreden vonnis opgesomde omstandigheden voorshands aannemelijk maken dat [X] ten tijde van de brand wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning had (in die zin dat daar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven lag), zodat eveneens aannemelijk is dat [geïntimeerde] op de – door de onderzoeker gestelde – vraag wie de bewoners van de woning zijn ten onrechte niet ook [X] heeft genoemd. Daar staat tegenover dat [geïntimeerde] wel steeds heeft verklaard dat [X] in de woning heeft ingeschreven gestaan en daar met enige regelmaat verbleef en zijn dochter bezocht. De mogelijkheid bestaat dat [geïntimeerde] het frequente verblijf van [X] in de woning niet als “daar wonen” opvatte . Naar het oordeel van het hof kan daarom niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] de opzet had om Nationale-Nederlanden te benadelen toen zij op een daartoe strekkende vraag van de onderzoeker naliet [X] aan te merken als hoofdbewoner van de woning.

19. Het hof is verder van oordeel dat (ook als ervan wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] tegenover de onderzoeker van Nationale-Nederlanden tegen beter weten in heeft verklaard dat [X] niet in de woning woonde) ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd dat zij daardoor in enig belang is geschaad. Nationale-Nederlanden heeft daartoe alleen aangevoerd dat zij meerdere gesprekken met [geïntimeerde] heeft moeten voeren in verband met haar (volgens Nationale-Nederlanden: onjuiste) verklaring over de vraag of [X] in de woning woonde. Het ligt bij een zaak als de onderhavige, waarbij brandstichting vaststaat, zozeer voor de hand dat meerdere gesprekken met de verzekeringnemer/ belanghebbenden worden gevoerd dat de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] in verband met de verklaring omtrent de (mede) bewoning door [X] meerdere keren is gehoord, onvoldoende onderbouwing vormt voor de stelling dat Nationale-Nederlanden in een redelijk belang is geschaad. Dit klemt te meer nu de in de polisvoorwaarden op een onjuiste verklaring gestelde sanctie, algeheel verval van dekking, voor de verzekeringnemer zeer ingrijpend is, zodat aan de stelplicht van Nationale-Nederlanden op dit punt hoge eisen gesteld kunnen worden.

20. Nationale-Nederlanden voert verder aan dat de rechtbank bij de vraag of sprake is van een schending van de mededelingsplicht door een uitkering gerechtigde, als bedoeld in artikel 7:941 BW, ten onrechte niet heeft betrokken of [X] een mededelingsplicht heeft verzaakt. Naar het oordeel van het hof slaagt dit onderdeel van de grief niet voor zover het gaat om de opstalverzekering. Zoals hierboven reeds overwogen, is [X] nooit eigenaar van de woning geweest en kan hij derhalve niet als de tot uitkering gerechtigde als bedoeld in artikel 7:941 BW onder de opstalverzekering worden aangemerkt.

21. Ten aanzien van de inboedelverzekering geldt, dat als verzekerde onder die polis ook geldt degene met wie de verzekerde in duurzaam gezinsverband samenwoont voor zover deze persoon financieel belang heeft bij de verzekerde zaken, zoals door mede-eigendom (zie artikel 1.1.1 van de polisvoorwaarden 2300-02). Dit brengt mee dat [X] , als hij ten tijde van de brand in duurzaam gezinsverband met [geïntimeerde] samenwoonde en er zaken in de woning aanwezig waren waarvan hij (mede)eigenaar was, voor die verzekering als tot uitkering gerechtigde in de zin van artikel 7:941 BW moet worden aangemerkt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er sterke aanwijzingen zijn dat [X] ten tijde van de brand, in 2014 woonachtig was in de woning (in die zin dat aldaar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven lag). De in het kader van het politieonderzoek gehoorde buurtbewoners verklaren zonder uitzondering, dat de afgebrande woning werd bewoond door een man, die voldoet aan de omschrijving van [X] . [X] en [geïntimeerde] zijn bovendien gezamenlijk uit de woning op vakantie vertrokken, waarbij het – volgens zijn eigen verklaring – [X] is geweest die de sleutel heeft afgegeven aan een familielid van hem. Het hof acht dan ook voorshands bewezen, dat [X] ten tijde van de brand met [geïntimeerde] in duurzaam gezinsverband in de woning woonde. In het verlengde daarvan geldt naar het oordeel van het hof eveneens voorshands als bewezen dat [X] een financieel belang had bij de verzekerde zaken, zoals door mede-eigendom. Het is immers niet goed denkbaar dat [X] in de woning woonde zonder dat hij van enig deel van de inboedel eigenaar of tenminste mede-eigenaar was. Tegen de hiervoor omschreven bewijsvermoedens staat tegenbewijs open.

22. Het voorgaande brengt – voorshands – mee dat ook [X] op grond van de polis en van artikel 7:941 BW gehouden was om alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat [X] in het geheel geen vragen van het door Nationale-Nederlanden ingeschakelde onderzoeksbureau heeft willen beantwoorden. Nationale-Nederlanden heeft echter (anders dan ten aanzien van [geïntimeerde] ) niet toegelicht hoe zij door het niet-afleggen van een verklaring door [X] in enig belang is geschaad. Naar het oordeel van het hof mocht dat laatste wel van Nationale-Nederlanden worden verwacht, gezien de verstrekkende gevolgen van het beroep op het niet-medewerken. In dat kader had tevens van Nationale-Nederlanden verwacht mogen worden dat zij had toegelicht welk verzoek aan [X] is gedaan en wat daarop precies zijn reactie was; in het bijzonder wordt niet duidelijk of Nationale-Nederlanden aan [X] heeft medegedeeld dat zij hem als tot uitkering gerechtigde beschouwde en wat de gevolgen zouden zijn van niet-medewerken. Bij gebreke van een toelichting hierop wijst het hof het beroep op het niet-medewerken van [X] af. Aan tegenbewijslevering door [geïntimeerde] ten aanzien van de vraag of [X] in de woning woonde wordt derhalve niet toegekomen.

Slotsom

23. De slotsom is dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Nationale-Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • -

    veroordeelt Nationale-Nederlanden in het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,= aan griffierecht en € 1.631,= aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, F.R. Salomons en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.