Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:485

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
200.214.995/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstek. Stelplicht. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.214.995/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/493730/ HAZA 15-882

arrest van 27 maart 2018

inzake

[appellant], h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.W. Stok te Delft,

tegen

[bedrijf],

gevestigd te [vestigingsplaats], Republiek Turkije,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 21 april 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van 23 maart 2016 en 25 januari 2017. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. Bij memorie van grieven heeft [appellant] achttien grieven aangevoerd.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 23 maart 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [geïntimeerde] exploiteert oogziekenhuizen in Turkije en West-Europa.

b. [appellant] hield zich bezig met de werving in Nederland van patiënten voor ooglaserbehandelingen, die vervolgens plaatsvonden in het oogziekenhuis van [geïntimeerde] in Turkije. De patiënten betaalden voor de behandeling aan [appellant], die de behandelingen met korting inkocht bij [geïntimeerde]. Bij de door [appellant] voor [geïntimeerde] geworven patiënten vonden het vooronderzoek en de nacontroles plaats in Nederland.

c. Partijen hebben sinds 2003 met elkaar samengewerkt. Zij hebben op 1 juli 2010 een samenwerkingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst).

d. Partijen hebben op 27 maart 2015 afspraken met elkaar gemaakt over de betaling van een openstaand bedrag door [appellant] aan [geïntimeerde], die zijn neergelegd in een “Memorandum of Understanding” (hierna: MoU), opgesteld in de Turkse en in de Engelse taal. De Engelse tekst luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. COMPANY – [appellant] have agreed to pay to [geïntimeerde] a total amount of EUR 49,400 (forty nine thousand and four hundred Euros) in connection with the commercial relationship established under the Cooperation Agreement made by and between the Parties on 01.07.2010 subject to terms and conditions specified hereinafter. This amount shall be paid by COMPANY – [appellant] as follows:

- EUR 8,000 on 27.03.2015 to be paid bymeans of a remittance

- EUR 1,400 on 27.03.2015 to be paid in person

- EUR 15,000 on 27.04.2015

- EUR 15,000 on 27.05.2015, and

- EUR 10,000 on 27.06.2015 to [geïntimeerde]’s bank account.

(…)

4. If COMPANY – [appellant] have failed to discharge obligations set forth in this Memorandum of Understanding, they shall promptly pay to [geïntimeerde] EUR 50,000 as a penalty upon request. COMPANY– [appellant] hereby agree that the amount in question is not exxorbitant.

(…)”

e. [appellant] heeft het op grond van artikel 1 van de MoU per 27 april 2015 door hem verschuldigde bedrag van € 15.000,-- niet aan [geïntimeerde] voldaan. Van het per 27 juni 2015 door [appellant] te betalen bedrag van € 10.000,-- heeft [appellant] € 5.000,-- onbetaald gelaten. In totaal heeft [appellant] € 20.000,-- van de op grond van artikel 1 van de MoU verschuldigde bedragen onbetaald gelaten.

f. De samenwerkingsovereenkomst is op 27 maart 2015 buitengerechtelijk ontbonden door [geïntimeerde], met ingang van 1 juli 2015.

g. Op 7 juli 2015 is namens [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING Bank en de ABN AMRO Bank ten laste van [appellant].

2. In dit geschil vordert [geïntimeerde] in conventie – samengevat – betaling door [appellant] van € 70.000, vermeerderd met rente en kosten, bestaande uit € 20.000 aan openstaande posten op grond van de MoU en € 50.000 aan boete op grond van de MoU. In reconventie vordert [appellant] – samengevat – een verklaring voor recht dat artikel 4 van de MoU is vernietigd, dan wel dat deze wordt vernietigd, betaling van een bedrag van (na eisvermindering) € 180.030, (bestaande uit commissie en schadevergoeding), vermeerderd met rente en kosten, alsmede – ex art. 843a Rv – [geïntimeerde] op te dragen om [appellant] in het bezit te stellen van een lijst van alle via [appellant] doorverwezen patiënten in de periode 2004 tot 2009 in verband met de door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde vergoeding van nabehandelingen en commissie, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellant] in conventie toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De vordering van [appellant] ingevolge artikel 843a Rv wees de rechtbank af en ook hier werd [appellant] veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank een deel van de vordering van [appellant], groot € 5.956 (met rente) toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten.

4. [appellant] richt zich met achttien grieven tegen de beslissingen van de rechtbank. De grieven lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. [appellant] heeft in het hoger beroep de grieven niet nader toegelicht. [appellant] heeft slechts een korte samenvatting gegeven van de feiten en het procesverloop en een enkele stelling herhaald. De rechtbank heeft die herhaalde stellingen, met name die (i) ter zake de door [appellant] gestelde overboeking aan [geïntimeerde] van € 2.350, (ii) ter zake de door hem gevorderde commissie ad € 6.800 en (iii) betreffende de door hem gevorderde schadevergoeding, gepasseerd wegens onvoldoende onderbouwing. Bij gebrek aan enige nadere onderbouwing in hoger beroep komt ook het hof tot het oordeel dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat aan zijn bewijsaanbod wordt voorbij gegaan. Met betrekking tot het beroep op matiging van de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [appellant] gestelde omstandigheden niet nopen tot matiging. De door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank toegewezen als ongemotiveerd weersproken. Bij gebrek aan nadere onderbouwing van de ter zake geformuleerde grieven komt het hof tot ditzelfde oordeel.

5. Wat betreft het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van artikel 4 MoU, geldt dat [appellant] ook dat in hoger beroep niet nader heeft toegelicht. In eerste aanleg heeft hij aangevoerd dat [geïntimeerde] de MoU eenzijdig heeft laten opstellen en de boete van € 50.000 heeft laten opnemen en [appellant] geen bedenktijd heeft gegund en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om juridisch advies in te winnen. Bovendien heeft [geïntimeerde] bij de ondertekening van de MoU verzwegen dat [appellant] direct daarna met een opzegging van de samenwerkingsovereenkomst zou worden geconfronteerd. Als hij dat zou hebben geweten zou hij het MoU niet, althans niet onder dezelfde condities hebben ondertekend. Volgens [appellant] was derhalve sprake van dwaling, dan wel misbruik van omstandigheden. Uit de verklaring van [appellant] ter comparitie op 8 februari 2016 blijkt echter dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de MoU over de openstaande bedragen hebben gesproken en dat op het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag € 30.000 is gecorrigeerd. Ter comparitie van 8 februari 2016 heeft mr. Pelle voorts namens [appellant] verklaard dat hij geen beroep doet op vernietiging van het MoU op de grond dat hij nog niet wist dat de samenwerking zou worden beëindigd. Verder heeft [geïntimeerde] de stellingen van [appellant] weersproken en aangevoerd dat zij feitelijk meer van [appellant] te vorderen hadden dan in het MoU is vastgelegd. Onder die omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende gesteld om zijn vordering op dit punt te kunnen doen slagen.

6. Ook de vordering tot overlegging van administratie door [geïntimeerde] is terecht door de rechtbank afgewezen. In eerste aanleg heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] de gevraagde administratie makkelijk kan produceren, want zij hield administratie van patiënten bij. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat de gevorderde gegevens niet kunnen bijdragen aan het onderbouwen en/of aantonen in hoeverre [appellant] schade heeft geleden doordat [geïntimeerde] niet adequaat op nabehandelingsverzoeken heeft gereageerd, dan wel zulke verzoeken onterecht heeft afgewezen. [appellant] heeft ook in hoger beroep niets aangevoerd waaruit kan volgen wat zijn rechtmatig belang bij de gevorderde bescheiden is. Ook dit deel van de vordering kan daarom niet worden toegewezen.

7. Daarmee falen alle grieven, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellant] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven - te worden gepasseerd.

8. Een proceskostenveroordeling blijft bij gebrek aan belang achterwege, nu [geïntimeerde] niet is verschenen en dus geen kosten heeft gemaakt. [appellant] dient zijn eigen kosten te dragen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2016 en 25 januari 2017;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, R.F. Groos en M.C.M. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.