Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:473

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
200.224.114/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder bewind gestelde werkneemster mag niet zelf procederen tegen ontslag; overname procedure door bewindvoerder in hoger beroep. Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet. Billijke vergoeding € 5.500.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.224.114/01

Zaaknummer rechtbank : 6170702 HA VERZ 17-90

Beschikking van 20 maart 2018

in de zaak van

SmartPLUS Resources B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep,

nader te noemen: SmartPLUS,

advocaat: mr. G. Bloem te Rotterdam,

tegen:

1. GNG Bewindvoering B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] ,

gevestigd te Dordrecht,

2. [naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,

hierna te noemen respectievelijk: GNG Bewindvoering en [belanghebbende] ,

advocaat: mr. E.E.P. Gosling-Verheijen te Utrecht.

Het geding

Bij beroepschrift met producties, ter griffie ingekomen op 28 september 2017, is SmartPLUS in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 5 september 2017. Namens [belanghebbende] is een verweerschrift ingediend met producties, dat op 27 december 2017 is ontvangen ter griffie van het hof.

Op 16 januari 2018 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris en de griffier, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun voornoemde advocaten. Bij brief van 27 december 2017 zijn partijen door het hof in kennis gesteld van de enkelvoudige mondelinge behandeling en in de gelegenheid gesteld om daartegen bezwaar te maken. Van die gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de uitspraak bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. In aanvulling daarop kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het navolgende.

2. Bij beschikking van 25 oktober 2016 heeft de kantonrechter te Dordrecht op de voet van art. 1:431 BW een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [belanghebbende] en GNG Bewindvoering benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [belanghebbende] .

3. [belanghebbende] is (na een proefplaatsing van 2 januari tot en met 6 maart 2017) op 7 maart 2017 bij SmartPLUS (SmartPLUS Resources B.V., standpunt [belanghebbende] ) dan wel bij SmartPLUS Resources International B.V. (standpunt SmartPLUS) in dienst getreden als managementassistente tegen een salaris van € 1.395.33 bruto per maand op basis van 28 uur per week, exclusief 8% vakantiebijslag.

4. Het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt op 6 september 2017.

5. SmartPLUS heeft [belanghebbende] op 2 juni 2017 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende opgenomen:

“(…) Hierbij bevestig ik u, dat ik u op vrijdag 2 juni 2017 op staande voet heb ontslagen. De reden voor dit ontslag, zoals ik u ook op 2 juni 2017 heb meegedeeld is, dat u wederom een dienstopdracht weigert uit te voeren.

Ik vroeg u op vrijdag 2 juni 2017 met mij in gesprek te gaan. U weigerde dit tweemaal. Ik gaf u daarna tweemaal een dienstopdracht om met mij in gesprek te gaan en u weigerde dit wederom. U gaf mij aan in het bijzijn van medewerkers, dat u zelf bepaalt wanneer u in gesprek gaat met mij.

Verder was u op donderdag 1 juni 2017 in de middag vanaf omstreeks 14.00 uur ongeoorloofd afwezig. U bent buiten kantoor gegaan terwijl ik u driemaal een dienstopdracht had gegeven om aan het werk te gaan. U heeft dit niet opgevolgd en geweigerd.

Verder verloop van gesprekken en meerdere keren weigeren werk:

Op donderdag 1 juni 2017, omstreeks 10.50 uur was u niet content op de manier waarop ik met u in gesprek ging en tegen u reageerde. Mijn opdracht aan u was duidelijk en u reageerde met een totaal verkeerde houding en gedrag.

Ik heb u uitgelegd hoe de gezagsverhouding binnen het bedrijf is. Ondanks de herhaalde uitleg probeert u mij de les te lezen. U moet dit en u moet dat en ik wil dit of ik doe dit niet.

Tijdens het tweede gesprek op donderdag 1 juni 2017 heb ik u aangegeven, dat ik niet wil, dat u uw collega’s lastig valt met uw ongenoegens. Ik vroeg u aan het werk te gaan en dat heeft u niet gedaan. U weigerde het werk te hervatten. Wat u wel deed was contact zoeken met [de begeleidster] uw oud begeleider. Zij stond ineens ongevraagd bij mij op kantoor. U had haar hulp ingeroepen zonder dat u mij in kennis had gesteld. In het gesprek werd ik door [de begeleidster] geconfronteerd met aannames over mijn bedrijf, die zij ter tafel bracht. Ik werd hiermee onnodig door [de begeleidster] onder druk gezet.

Na een kort gesprek stelde [de begeleidster] mij voor dat zij u even mee naar buiten nam. Verder heb ik [de begeleidster] aangegeven dat ik u had aangezegd aan het werk te gaan, maar dat ik het goed vond dat ze dan nog even met u naar buiten ging. U bent echter zonder afmelding of bericht weg gebleven en bent zoals ik u had gevraagd niet aan het werk gegaan.

Ik vroeg u vanmorgen op vrijdag 2 juni 2017 met mij in gesprek te gaan: U weigerde dit tweemaal. Ik gaf u daarna tweemaal een dienstopdracht om met mij in gesprek te gaan en u weigerde dit wederom. (…)

Gelet op het feit, dat ik meerdere keren u heb aangegeven, dat u geen werk of dienstopdrachten kan weigeren en uw gedrag moet aanpassen heeft u dit niet opgevolgd en vormen de redenen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet (…)”

6. Tegen de achtergrond van voormelde feiten heeft [belanghebbende] , na wijziging van haar verzoek – zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang – berust in de beëindiging van het dienstverband per datum ontslag op staande voet (2 juni 2017) en de kantonrechter verzocht om SmartPLUS te veroordelen tot betaling van het loon over de periode 1 mei tot 2 juni 2017 en pro rata vakantiegeld alsmede openstaande vakantiedagen, alles vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. Daarnaast heeft [belanghebbende] verzocht om de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging groot € 2.914,56 bruto. Deze verzoeken zijn door de kantonrechter toegewezen. Daarnaast is SmartPLUS veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 20.000,- bruto en veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat SmartPLUS de arbeidsovereenkomst met [belanghebbende] onregelmatig heeft opgezegd.

7. SmartPLUS is onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep gekomen. Daarnaast heeft SmartPLUS in haar beroepschrift een verzoek ex art. 351 jo. 360 lid 2 Rv gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de kantonrechter.

Bij welke werkgever in dienst?

8. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [belanghebbende] bij SmartPLUS Resources B.V. in dienst was. SmartPLUS stelt zich op het standpunt dat [belanghebbende] bij SmartPLUS Resources International B.V. (hierna: SmartPLUS International) in dienst is. SmartPLUS voert in dit verband aan dat de kantonrechter zich louter heeft laten leiden door het briefpapier waarop de arbeidsovereenkomst is afgedrukt, terwijl er meerdere omstandigheden zijn die erop duiden dat [belanghebbende] in dienst is bij SmartPLUS International, waaronder de omstandigheid dat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [belanghebbende] in dienst treedt van SmartPLUS. Met deze grief miskent SmartPLUS naar het oordeel van het hof dat er veel meer aanwijzingen zijn die erop duiden dat zij in redelijkheid kan worden aangemerkt als de werkgever van [belanghebbende] . Naast de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van 7 maart 2017 inderdaad is gedrukt op briefpapier van SmartPLUS, staat SmartPLUS ook genoemd als partij in de aanhef van deze arbeidsovereenkomst. Ook de brief van 2 juni 2017, waarmee [belanghebbende] op staande voet is ontslagen, is ondertekend door SmartPLUS (aan het slot van de brief staat vermeld: “ [de directeur] , Directeur SmartPLUS Resources B.V”). Het eerste loon van [belanghebbende] , over de maand maart 2017, is bovendien voldaan door SmartPLUS, zo blijkt uit de bankoverschrijving van 10 april 2017, evenals een reiskostenvergoeding De feitelijk leidinggevende van [belanghebbende] , de heer [de directeur] , is ook directeur van SmartPLUS (en houdt zowel bij SmartPLUS als bij SmartPLUS International alle touwtjes in handen).

9. Gelet op al deze omstandigheden mocht [belanghebbende] er naar het oordeel van het hof vanuit gaan dat zij bij SmartPLUS in dienst was. De omstandigheden die SmartPLUS onder punt 14 t/m 18 van haar beroepschrift noemt, die volgens haar dienen te leiden tot de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met SmartPLUS International, waaronder de omstandigheid dat het loon van [belanghebbende] ook enkele malen door SmartPLUS International is betaald, leggen hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal. De onduidelijkheid en mogelijke verwarring die SmartPLUS zelf heeft gecreëerd komt in de verhouding werkgever-werknemer voor haar rekening en risico. Gelet op het voorgaande faalt grief 1.

Mag [belanghebbende] zelf procederen?

10. Met grief 2 stelt SmartPLUS aan de orde dat de kantonrechter [belanghebbende] ten onrechte als geldige procespartij heeft gekwalificeerd. SmartPLUS wijst erop dat [belanghebbende] onder bewind staat en gebruik maakt van de wettelijke schuldsaneringsregeling. SmartPLUS heeft in hoger beroep ook GNG Bewindvoering opgeroepen, omdat [belanghebbende] in deze procedure niet zelf als verzoekende partij zou mogen optreden.

11. Het hof oordeelt als volgt. Bewind houdt in dat een rechthebbende wiens goederen onder bewind zijn gesteld ten aanzien van die goederen zelfstandige beheers- en beschikkingsbevoegdheid mist, wat meebrengt dat hij met betrekking tot die goederen niet als verzoekende/eisende of verwerende partij in rechte kan optreden. In hoger beroep heeft SmartPLUS zich (voor het eerst) op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] gelet op de onderbewindstelling niet zelf had mogen optreden in de onderhavige zaak. Door de Hoge Raad is in een arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2015:525) in een huurzaak geoordeeld dat de bewindvoerder dient op treden als formele procespartij ten behoeve van de partij die onder bewind is gesteld. Ditzelfde heeft te gelden in de onderhavige arbeidszaak. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de arbeidsovereenkomst, maar de daaruit voorvloeiende rechten van [belanghebbende] (loon etc) zijn wel aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder dient daarom op te treden ten behoeve van de rechthebbende als formele procespartij in een procedure als de onderhavige.

12. In deze zin slaagt de grief. Dit kan echter niet leiden tot het slagen van het hoger beroep. Aangezien GNG Bewindvoering in hoger beroep partij is in de procedure en expliciet heeft aangeboden om alsnog de procedure als verzoekende partij in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [belanghebbende] over te nemen en gesteld noch gebleken is dat SmartPLUS op enigerlei wijze in haar processuele belangen is geschaad doordat de procedure in eerste aanleg door [belanghebbende] in plaats van door haar bewindvoerder is gevoerd, zal het hof GNG Bewindvoering alsnog aanmerken als verzoekende procespartij in plaats van [belanghebbende] . [belanghebbende] zal alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarmee komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de overige grieven.

Ontslag op staande voet

13. Met grief 3 komt SmartPLUS op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet en er sprake is van een onregelmatig ontslag.

14. Het hof stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat op SmartPLUS als werkgever de stelplicht en bewijslast rust van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden.

15. In de ontslagbrief van 2 juni 2017 zijn de volgende twee redenen voor het ontslag op staande voet vermeld: (1) de weigering van een dienstopdracht om met [de directeur] in gesprek te gaan op vrijdag 2 juni; en (2) ongeoorloofde afwezigheid op donderdag 1 juni vanaf omstreeks 14.00 uur. Daarnaast wordt in de brief melding gemaakt van eerdere werkweigeringen. [belanghebbende] heeft de ontslagredenen gemotiveerd weersproken. Partijen twisten over de toedracht van hetgeen is voorgevallen en hebben beide een aantal verklaringen in het geding gebracht ter ondersteuning van hun lezing van de gebeurtenissen ( [belanghebbende] in eerste aanleg en SmartPLUS in hoger beroep).

16. Ten eerste zal het hof een oordeel geven over de gestelde ongeoorloofde afwezigheid van [belanghebbende] op donderdag 1 juni 2017. Hierbij zal het hof veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de weergave van SmartPLUS van de gebeurtenissen. SmartPLUS stelt in de ontslagbrief dat [belanghebbende] op donderdag 1 juni vanaf omstreeks 14.00 uur ongeoorloofd afwezig was; zij was buiten kantoor gegaan terwijl [de directeur] haar driemaal een dienstopdracht had gegeven om aan het werk te gaan. [belanghebbende] heeft dit niet opgevolgd en geweigerd.

17. Uit de processtukken en de overgelegde verklaringen blijkt dat sprake is geweest van een aanvaring tussen [de directeur] en [belanghebbende] op 1 juni 2017, waarbij [de directeur] met stemverheffing heeft gesproken. [belanghebbende] raakte erg van streek en heeft haar begeleidster van het Sociaal Wijkteam Centrum, [de begeleidster] gebeld, die naar het kantoor van [de directeur] is gekomen om hem hierover te spreken. Dit wordt ook bevestigd door de ontslagbrief, waarin de volgende passage staat: “Ik vroeg u aan het werk te gaan en dat heeft u niet gedaan. U weigerde het werk te hervatten. Wat u wel deed was contact zoeken met [de begeleidster] [hof: [de begeleidster] ] uw oud begeleider. Zij stond ineens ongevraagd bij mij op kantoor. U had haar hulp ingeroepen zonder dat u mij in kennis had gesteld. In het gesprek werd ik door [de begeleidster] geconfronteerd met aannames over mijn bedrijf, die zij ter tafel bracht. Ik werd hiermee onnodig door [de begeleidster] onder druk gezet.”

18. Voorts maakt het hof uit de ontslagbrief op, dat [de directeur] zelf toestemming heeft verleend aan [belanghebbende] om naar buiten te gaan, aangezien in de brief staat: “Na een kort gesprek stelde [de begeleidster] mij voor dat zij u even mee naar buiten nam. Verder heb ik [de begeleidster] aangegeven dat ik u had aangezegd aan het werk te gaan, maar dat ik het goed vond dat ze dan nog even met u naar buiten ging. U bent echter zonder afmelding of bericht weg gebleven en bent zoals ik u had gevraagd niet aan het werk gegaan.” Dit betekent dat het verwijt dat [de directeur] aan [belanghebbende] in de ontslagbrief maakt, te weten dat zij buiten kantoor is gegaan terwijl [de directeur] haar driemaal een dienstopdracht heeft gegeven om aan het werk te gaan, in elk geval niet terecht is, althans geen ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Immers, [de directeur] heeft zelf toestemming gegeven aan [belanghebbende] om met [de begeleidster] mee naar buiten te gaan. Uit de ontslagbrief en de door SmartPLUS overgelegde verklaringen blijkt ook niet dat [de directeur] [belanghebbende] nadat zij – met toestemming – naar buiten was gegaan daarna nog heeft verzocht om weer aan het werk te gaan. Uit de verklaringen van [de begeleidster] en [belanghebbende] blijkt dat zij niet hebben begrepen dat het de bedoeling van SmartPLUS was dat [belanghebbende] die middag nog zou terugkeren op het werk. Mogelijk is sprake geweest van een miscommunicatie. De omstandigheid dat [belanghebbende] de rest van de middag is weggebleven, terwijl het kennelijk de bedoeling van SmartPLUS was dat [belanghebbende] na korte tijd weer zou terugkomen om haar werk die middag te hervatten, kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet leiden tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet omdat deze gedraging onvoldoende ernstig is om te kwalificeren als dringende reden.

19. De tweede ontslagreden betreft de weigering van [belanghebbende] om op 2 juni 2017 in gesprek te gaan met [de directeur] . SmartPLUS omschrijft het verzoek aan [belanghebbende] om een gesprek als een ‘dienstopdracht’, die [belanghebbende] tweemaal zou hebben geweigerd. In het beroepschrift schetst SmartPLUS hierover de navolgende gang van zaken:

“ [belanghebbende] kwam ’s morgens op 2 juni 2017 binnen op kantoor en zei Goedemorgen tegen [de directeur] en aanwezigen en ging naar boven naar haar bureau. [belanghebbende] zette haar computer aan en ging aan het werk. [de directeur] vroeg even later [belanghebbende] om een gesprekje om te praten waarom zij op 1 juni 2017 ongeoorloofd was weggebleven.

Een ontslag was op dat moment niet aan de orde. [belanghebbende] weigerde tweemaal, althans wenste een gesprek op een later tijdstip te willen voeren.

Aansluitend gaf [de directeur] twee keer een dienstopdracht die [belanghebbende] weigerde. [belanghebbende] sprak [naam 2] aan en [naam 2] zei: “als jouw baas vraagt om een gesprekje kan je dat niet weigeren” [de directeur] zei toen: “de afgelopen weken weiger je herhaaldelijk werk, je blijft ongeoorloofd weg, ik vraag je tweemaal om een gesprek; ik geef je tweemaal een dienstopdracht. Ik kan niet anders dan je op staande voet te ontslaan”. [belanghebbende] zei: ”dat is goed, maar ik ben het er niet mee eens, dan ga ik naar huis”. [de directeur] stelde [belanghebbende] in de gelegenheid om haar spullen te pakken”

In de ontslagbrief wordt hieraan nog toegevoegd dat [belanghebbende] zou hebben aangegeven dat zij zelf wel bepaalt wanneer zij in gesprek zou gaan met [de directeur] .

20. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de weergave van de gang van zaken door SmartPLUS ( [belanghebbende] geeft een gedeeltelijk andere lezing van de toedracht), is het hof van oordeel dat de weigering van [belanghebbende] om gehoor te geven aan de opdracht van [de directeur] om met hem in gesprek te gaan, ook bezien in het licht van de gestelde eerdere werkweigeringen, geen rechtsgeldige reden is voor ontslag op staande voet. Tegen de achtergrond van de gespannen situatie en de aanvaring die tussen [de directeur] en [belanghebbende] had plaatsgevonden de dag daarvoor, waarvan vast staat dat [de directeur] met stemverheffing heeft gesproken en [belanghebbende] erg overstuur was geraakt, is de weigering van [belanghebbende] om met [de directeur] een één op één gesprek te voeren begrijpelijk en behoefde zij niet te verwachten dat [de directeur] dit zo hoog zou opnemen. Tegen deze achtergrond lag het naar het oordeel van het hof in elk geval op de weg van SmartPLUS om [belanghebbende] voorafgaand aan een ontslag op staande voet te waarschuwen dat haar weigering om (op dat moment) met [de directeur] in gesprek te gaan voor SmartPLUS een reden zou zijn voor ontslag op staande voet. Uit de weergave van de gebeurtenissen door SmartPLUS blijkt niet dat een dergelijke waarschuwing is gegeven.

21. Ook wanneer de verwijten die SmartPLUS [belanghebbende] maakt van de gebeurtenissen op 1 en 2 juni 2017 en de gestelde eerdere werkweigeringen samen worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, is het hof van oordeel tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is geoordeeld dat de gedragingen van [belanghebbende] niet zodanig ernstig waren dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

22. Het voorgaande betekent dat grief 4 faalt. De kantonrechter heeft SmartPLUS terecht veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon over de periode vanaf 1 mei tot 2 juni 2017 alsmede de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.

De billijke vergoeding

23. Grief 5 is gericht tegen de toekenning van een billijke vergoeding aan [belanghebbende] van € 20.000,- bruto.

24. SmartPLUS stelt ten eerste dat aan haar van het ontslag op staande voet geen verwijt te maken valt, laat staan een ernstig verwijt. Met deze stelling miskent SmartPLUS, dat artikel 7:681 lid 1 sub a BW de ten onrechte op staande voet ontslagen werknemer het recht geeft om de rechter te vragen een billijke vergoeding toe te kennen (in plaats van de opzegging te vernietigen). Voor de toekenning van deze billijke vergoeding is geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. Overigens blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wwz dat een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet per definitie als ernstig verwijtbaar handelen moet worden gekwalificeerd, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen.

25. Daarnaast wijst SmartPLUS erop dat een niet rechtsgeldig ontslag wordt gesanctioneerd met doorbetaling van loon, hetzij middels een loonvordering hetzij middels onregelmatig ontslag en dat SmartPLUS door toekenning van een billijke vergoeding dubbel wordt gestraft. Ook dit argument is onjuist: de door de kantonrechter toegewezen loonvordering heeft betrekking op het ten onrechte niet uitbetaalde achterstallige loon over een eerdere periode tot de datum van het ontslag op staande voet. De gefixeerde schadevergoeding in verband met de onregelmatige opzegging is een omstandigheid waarmee de rechter rekening behoort te houden bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding, in verband met de financiële gevolgen van het ontslag. Van een dubbele straf is dan ook geen sprake, nog daargelaten dat de toegewezen onderdelen van de vordering van [belanghebbende] juridisch niet kwalificeren als straf.

26. Voorts maakt SmartPLUS bezwaar tegen de hoogte van billijke vergoeding, waarbij zij wijst op hetgeen is voorgevallen in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet, de gedragingen van [belanghebbende] die hebben geleid tot het ontslag en het feit dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die slechts liep tot 6 september 2017.

27. Het hof oordeelt ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoeding als volgt. Rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Van een specifiek punitief (straf)karakter van de billijke vergoeding is geen sprake. In de gegeven situatie, waarin sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een korte resterende looptijd en gelet op de bij SmartPLUS bestaande onvrede over [belanghebbende] niet in de lijn der verwachting lag dat de arbeidsovereenkomst na 6 september 2017 nog zou worden verlengd, dient de billijke vergoeding deels ter compensatie van het gemis aan loondoorbetaling gedurende de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst, dus tot 6 september 2017. Met de gefixeerde schadevergoeding van € 2.914,56 bruto dient rekening te worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, aangezien deze betrekking heeft op dezelfde periode (2 juni 2017 tot 31 juli 2017) als die waarop de billijke vergoeding ziet (2 juni 2017 tot 6 september 2017). Het resterende gemis aan loonbetaling/vakantietoeslag heeft derhalve betrekking op de periode 1 augustus tot 6 september 2017 en bedraagt afgerond een bedrag groot € 1.800,- bruto.

28. Daarnaast zal het hof bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding rekening houden met de omstandigheid dat [belanghebbende] ten onrechte door SmartPLUS op staande voet ontslagen is en met de gevolgen van het ontslag. In dit verband heeft [belanghebbende] erop gewezen dat zij, als alleenstaande moeder van een zoon van zes jaar, van de ene op de andere dag werd ontslagen, geen recht had op een WW-uitkering, haar loon over de gewerkte maand (mei 2017) voorafgaand aan het ontslag op staande voet niet werd uitbetaald, zij in de problemen kwam met de wettelijke schuldsaneringsregeling en zich door de ontstane financiële problemen moest wenden tot de Voedselbank. Niet gesteld of gebleken is dat [belanghebbende] in de periode tot 6 september 2017 ander werk heeft gevonden, zodat er geen reden is om rekening te houden met inkomsten uit ander werk. Ook de bijstandsuitkering die [belanghebbende] heeft ontvangen na het ontslag op staande voet zal buiten beschouwing worden gelaten, aangezien de beschermingsbewindvoerder van [belanghebbende] onweersproken heeft gesteld dat door de gemeente leenbijstand is verstrekt aan [belanghebbende] , die zij zal moeten terugbetalen als een billijke vergoeding wordt betaald door SmartPLUS. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht het hof een billijke vergoeding van € 5.500,- bruto gerechtvaardigd. De wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf 19 juli 2017, aangezien tegen dit deel van de beslissing van de kantonrechter geen bezwaar is gemaakt. Grief 5 slaagt dan ook gedeeltelijk.

29. Grief 6, die zich richt tegen het passeren van het bewijsaanbod van SmartPLUS door de kantonrechter, slaagt niet. SmartPLUS heeft geen concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot een andere beslissing. Ook in hoger beroep komt het hof om deze reden niet aan bewijslevering toe.

30. De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 5.500,- bruto. De veroordelingen van SmartPLUS tot betaling van de overige in het dictum van de bestreden beschikking genoemde bedragen aan [belanghebbende] , zullen worden gewijzigd in veroordelingen tot betaling van dezelfde bedragen aan GNG Bewindvoering in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [belanghebbende] . Tegen de door de kantonrechter toegewezen wettelijke rente is geen grief gericht. Er is evenmin een grief gericht tegen de toewijzing van de wettelijke verhoging door de kantonrechter. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging ambtshalve te matigen, zodat de beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd (met dien verstande dat SmartPLUS, zoals hiervoor is beslist, zal worden veroordeeld tot betaling aan GNG Bewindvoering in plaats van [belanghebbende] ).

31. Bij deze stand van zaken heeft SmartPLUS geen belang meer bij (de behandeling van) haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, mede gelet op de toezegging van (de advocaat van) [belanghebbende] dat zij geen executiemaatregelen zal treffen tot in hoger beroep is beslist.

32. Naar het oordeel van het hof is SmartPLUS in eerste aanleg aan te merken als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat zij door de kantonrechter terecht in de proceskosten is veroordeeld. In hoger beroep zijn partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk gesteld, zodat het hof de kosten zal compenseren.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 5 september 2017;

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart [belanghebbende] niet-ontvankelijk in haar verzoeken;

- veroordeelt SmartPLUS om aan GNG Bewindvoering – in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [belanghebbende] – te betalen:

a) een bedrag van € 1.487,33 bruto aan loon over de periode 1 mei tot 2 juni 2017;

b) een bedrag van € 322,83 bruto aan tot 2 juni 2017 opgebouwd vakantiegeld;

c) een bedrag van € 435,94 bruto aan tot 2 juni 2017 opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen;

d) de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 2 juni 2017 tot de dag van algehele voldoening over voornoemde bedragen sub a t/m c;

e) een bedrag van € 2.914,56 bruto als vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2017 tot de dag van algehele voldoening;

f) een bedrag van € 5.500,- bruto ter zake van de billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2017 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt SmartPLUS in de proceskosten in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van GNG Bewindvoering – in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [belanghebbende] – bepaald op € 78,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris gemachtigde;

- verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

- compenseert de proceskosten van het hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Frikkee, M. Flipse en J.M.T. van der Hoeven-Oud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.