Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:452

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.173.953/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling echtscheiding. Partijen uiteen in 1986. Scheiding in 1999. Kan de vrouw een beroep doen op de Wet verevening bij scheiding (WVPS), inwerking getreden in 1995? Hof: dat kan en het beroep van de vrouw is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0074
PJ 2018/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.173.953

Zaak- rolnummer rechtbank : C/488088/ HA ZA 15-562

arrest van 20 februari 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. J.C. Heijmann te Rotterdam

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen de, de vrouw,

advocaat: mr. R.A. Kamphuis te Leiden.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 13 oktober 2015.

De man heeft op 24 november 2015 een memorie van grieven genomen. De man heeft 4 grieven geformuleerd.

De vrouw heeft op 16 februari 2016 een memorie van antwoord genomen.

Op 21 juni 2016 hebben partijen schriftelijk gepleit.

Alleen de vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis

2. In het bestreden vonnis is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 321,04 bruto per maand vanaf 10 maart 2010 ter zake van de verevening van pensioenrechten tot de dag waarop aan de verplichting tot verevening op een rechtsgeldige wijze een einde komt, met dien verstande dat een verhoging of verlaging van het pensioen tot een overeenkomstige aanpassing van de betalingsverplichting dient te leiden.

Enige relevante feiten en de kern van het geschil

3. Partijen zijn in 1978 na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Partijen waren getrouwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Uit artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen wel een periodiek verrekenbeding met elkaar zijn overeengekomen.

4. Partijen zijn in de visie van de man in 1986 feitelijk uit elkaar gegaan. In het dossier heeft het hof een conceptovereenkomst aangetroffen waarin partijen enkele zaken met elkaar zijn overeengekomen met betrekking tot het separaat leven.

5. Op 27 september 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 16 januari 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6. De kern van het geschil tussen partijen is, of de vrouw een beroep kan doen op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS).

7. De WVPS is in werking getreden op 1 mei 1995, dus voordat de echtscheiding van partijen een feit werd. In artikel 2 van de WVPS staat: ”In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.“

8. Op grond van artikel 1:115 BW moeten huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Wijziging van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk is alleen mogelijk bij notariële akte. De huwelijkse voorwaarden van partijen zijn niet tijdens het huwelijk gewijzigd. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat zij van mening is dat de regeling die partijen in 1986 met elkaar hebben getroffen niet aangemerkt kan worden als een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.

9. De man heeft bij het ABP pensioen opgebouwd. De man is in 2010 65 jaar geworden.

Vordering van de man in appel

10. Dat het het hof moge behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te vernietigen het vonnis waarvan beroep is ingesteld;

  • -

    te bepalen dat op grond van de rechtsverwerking de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot verevening van de pensioenrechten;

  • -

    subsidiair, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid als peildatum voor het al dan niet verevenen van de pensioenrechten de datum van 1 januari 1986 geldt;

  • -

    te bepalen dat vanwege het hanteren van de peildatum 1 januari 1986 het Boon/Van Loon arrest gelding heeft;

  • -

    meer subsidiair, voor zover als peildatum 16 januari 2000 zou gelden, te bepalen dat het bedrag dat de man uit hoofde van de pensioenverevening aan de vrouw verschuldigd is, gematigd dient te worden tot nihil betreffende het deel dat de man met terugwerkende kracht verschuldigd is;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

Grieven van de man

11. Gezien de onderlinge samenhang bespreekt het hof de grieven van de man gezamenlijk.

12. Het hof begrijpt uit de eerste grief van de man dat de kantonrechter niet had mogen terugkomen van de door de kantonrechter in zijn vonnis van 18 juli 2014 gegeven beslissing: “Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de peildatum voor de verevening te stellen op 16 januari 2000. In plaats daarvan is het redelijk de peildatum te stellen op 1 januari 1986, het moment waarop partijen feitelijk gescheiden zijn gaan leven, althans de financiële gevolgen van de scheiding hebben geregeld.”

13. Door de vrouw is verweer gevoerd. Zij verwijst onder meer naar een arrest van de Hoge Raad waarin is overwogen dat de rechter veel vrijheid heeft om terug te komen op een eerder gegeven eindbeslissing, indien hij ervan overtuigd is dat die eerder gegeven eindbeslissing ondeugdelijk zou zijn. Juist dat is in deze zaak gebeurd.

14. Het hof overweegt als volgt. Of de kantonrechter al dan niet kon terugkomen op een gegeven eindbeslissing is voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet relevant aangezien het geschil met betrekking tot de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op pensioenverevening in appel volledig voorligt.

15. In de grieven 2, 3 en 4 gaat de man nader in op de vraag of de vrouw al dan niet aanspraak kan maken op pensioenverevening. Door de man is onder meer aangevoerd:

  • -

    Ten tijde van het feitelijk uit elkaar van partijen, te weten 1985, had het Boon/Van Loon arrest van 27 november 1981 nog altijd gelding. Dit arrest bepaalde dat enkel sprake kon zijn van deling van de pensioenrechten indien sprake was van een gemeenschap van goederen. Partijen kende geen huwelijksgoederengemeenschap.

  • -

    Het klopt derhalve dat partijen hebben nagedacht over de pensioenrechten en dat heeft hen doen besluiten de geldende leer te volgen. De geldende leer was echter het niet verdelen van de pensioenrechten.

  • -

    Partijen konden immers bij het feitelijk uiteengaan en het regelen van de financiële scheiding niet weten dat er per 1995 een andersluidende wettelijke regeling zou zijn.

  • -

    De kantonrechter is niet ingegaan op de stelling van de man dat er sprake is van rechtsverwerking.

  • -

    Evenmin is de kantonrechter ingegaan op het beroep op matiging van de pensioenverevening door de man. Vanwege de benarde financiële positie van de man dient matiging aan de orde te zijn indien de man wordt veroordeeld tot verevening van het pensioen over de huwelijkse jaren tot en met 16 januari 2000.

16. Door de vrouw is verweer gevoerd. Door haar is onder meer aangevoerd:

  • -

    Er is bewust gekozen niets af te spreken over de pensioenverdeling. Partijen waren nog niet gescheiden en zij hebben dat aanvaard. In de huwelijkse voorwaarden is niets afgesproken over pensioenverdeling en dus moet de wettelijke regeling zoals die gold in het jaar 2000, worden toegepast.

  • -

    Naar het oordeel van de vrouw is er geen sprake van rechtsverwerking. De vrouw was lange tijd niet bekend met haar recht op de helft van het opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk.

  • -

    De eventuele schuldenlast van de man, die naar het oordeel van de vrouw overigens onvoldoende is onderbouwd, speelt ook geen rol bij pensioenverdeling.

17. Het hof overweegt als volgt. Uit de bestreden beschikking volgt dat de man eerst in 1999 de echtscheiding heeft gevorderd. De man werd toen bijgestaan door een advocaat. Er mag van worden uitgegaan dat de man in ieder geval in 1999 op de hoogte was van de WVPS dan wel daarvan op de hoogte had kunnen zijn aangezien deze wet per 1 mei 1995 in werking is getreden.

18. De wet is van toepassing indien de echtscheiding heeft plaatsgevonden na 1 mei 1995. Niet ter zake doet of de echtgenoten al dan niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Uit artikel 11 van de WVPS volgt dat verevening ook plaatsvindt indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt vóór de inwerkingtreding van de WVP algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden noch bij latere huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen met betrekking tot pensioen. De regeling die partijen met elkaar in 1986 zijn overeengekomen, houdt geen regeling – laat staan een uitdrukkelijke regeling (afstand van pensioenrechten) – in met betrekking tot pensioenrechten. Er wordt slechts een voornemen vermeld het pensioenrecht van de vrouw in de toekomst te regelen. Deze overeenkomst kan naar het oordeel van het hof niet aangemerkt worden als een overeenkomst met het oog op een echtscheiding als bedoeld in artikel 2 WVPS. Een redelijke uitleg van het geschrift brengt met zich mede dat de regeling betrekking heeft op een periode dat partijen aan het onderzoeken waren of zij al dan niet van echt wensten te scheiden. Op grond van artikel 2 van de WVPS heeft de vrouw recht op verevening van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten door de man.

19. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw zich beroept op de WVPS. Enkel het tijdsverloop is onvoldoende om een beroep op rechtsverwerking te rechtvaardigen; er dienen daarnaast ook nog bijkomende omstandigheden te zijn. De pensioenproblematiek is in 1986 wel een onderwerp geweest waarover partijen hebben gesproken, zij het dat partijen er toen niets over hebben geregeld. De man wist toen al dat de pensioenproblematiek een onderwerp van gesprek was. Een ouderdomspensioen dient in beginsel voor de verzorging van beide echtgenoten na het bereiken van de pensiongerechtigde leeftijd. De strekking van de wet is immers een redelijke verdeling te bewerkstelligen van de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. De man heeft niet met deugdelijke bescheiden onderbouwd dat hij als gevolg van het handelen van de vrouw in een financiële noodsituatie komt te verkeren. Voor de vrouw is de pensioenuitkering van belang om in haar dagelijkse zijn de pensioengelden die uit de verevening voortvloeien benodigd om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook zijn er geen gronden om de pensioenaanspraak van de vrouw te matigen.

20. De grieven van de man treffen derhalve geen doel.

Proceskosten

21. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 27 maart 2017 van de Rechtbank Rotterdam, sector kanton, tussen de partijen gewezen;

compenseert de proceskosten en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.