Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:440

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.190.690/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Onrechtmatige beslaglegging. Schade en causaal verband onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.190.690/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/482430/HA ZA 15-840

Arrest van 27 februari 2018

in de zaak van

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam,

tegen

[X B.V.] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 14 november 2017 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018 en daarvan is proces-verbaal gemaakt.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord genomen waarbij de grieven zijn bestreden.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 3 februari 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant] juridische werkzaamheden verricht.

1.2

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 2 mei 2007 gedagvaard en betaling van onbetaald gebleven declaraties gevorderd.

1.3

De rechtbank heeft de vordering bij verstekvonnis van 6 juni 2007 toegewezen tot een bedrag van € 8.178,09, vermeerderd met rente en kosten.

1.4

Op 20 oktober 2009 heeft [geïntimeerde] ter uitvoering van het verstekvonnis van 6 juni 2007 beslag laten leggen op de woning van [appellant] aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning).

1.5

In de periode 1 januari 2009 tot en met 11 april 2011 heeft [appellant] van de heer [naam 2] verschillende geldbedragen geleend voor in totaal een bedrag van € 250.000,-. Dit is vastgelegd in een geldleningsovereenkomst gedateerd 23 april 2011.

1.6

Bij akte van 23 maart 2010 is door [appellant] [de Stichting] opgericht.

1.7

Per brief van 16 februari 2011 heeft [Y] Netwerknotarissen aan [appellant] , voor zover van belang, het volgende bericht:

“Hierbij deel ik u mede dat ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. mij opdracht heeft gegeven om de openbare verkoop (executieveiling) in gang te zetten van het u in eigendom toebehorende bovengenoemde registergoed met toebehoren (hof: de woning).

De bank geeft de volgende reden voor de veiling:

Het niet nakomen van de betalingsverplichtingen.”

1.8

De woning is op 11 mei 2011 executoriaal verkocht voor een bedrag van € 279.000,-.

1.9

Op 31 oktober 2011 is beslag gelegd door [geïntimeerde] op het inkomen van [appellant] .

1.10

De restschuld aan de ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. is per 13 februari 2012 gespecificeerd op een bedrag van € 88.168,66 (hoofdsom en kosten).

1.11

Bij vonnis in verzet van 19 juni 2013 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 6 juni 2007 vernietigd en zich deels onbevoegd verklaard en de vordering voor het overige afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

2. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd:

  • -

    een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade door de onrechtmatige beslagleggingen;

  • -

    veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 350.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;

  • -

    veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 3.525,-;

  • -

    veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe is overwogen dat - kort samengevat - [appellant] de omvang van de schade onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft daarbij het antwoord op de vraag, of de executoriale verkoop van de woning het gevolg is van het door [geïntimeerde] gelegde beslag of het gevolg van achterstallige aflossingen op de hypotheekschuld door [appellant] , in het midden gelaten.

4. In hoger beroep vordert [appellant] het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

5. De eerste grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de vermogenspositie van [appellant] gelijk is gebleven en enkel zijn vermogensbestanddelen zijn veranderd zodat hij geen schade heeft geleden. In de toelichting stelt [appellant] dat de executoriale verkoop geen vrijwillige keuze is geweest en dat een feit van algemene bekendheid is dat bij executoriale verkoop de uiteindelijke verkoopwaarde lager uitvalt dan de verkoopwaarde bij een vrijwillige verkoop. Indien [appellant] de woning op een (het hof begrijpt:) zelf gekozen moment had kunnen verkopen, had hij deze voor een hogere waarde dan de hypotheekschuld kunnen gaan verkopen en zelfs winst kunnen maken “van bijvoorbeeld € 50.000,-“. Hij vordert echter vergoeding van schade bestaande uit de restschuld na de executoriale verkoop van de woning, welke schade hij stelt op € 100.000,-.

6. De grief kan niet slagen nu de omvang van de schade door [geïntimeerde] wordt betwist en de stellingen van [appellant] vaag en niet eenduidig zijn en bovendien ook in hoger beroep op geen enkele wijze zijn onderbouwd. Hij vordert het verschil tussen de hoogte van de hypotheekschuld en de opbrengst van de executoriale verkoop. De hoogte van de hypotheekschuld is echter niet maatgevend voor de waarde van een woning c.q. de opbrengst bij vrijwillige, onderhandse verkoop die in de stellingen van [appellant] in de hypothetische situatie, te vergelijken met de feitelijke situatie, uitgangspunt zou moeten zijn. Het had dan ook op de weg van [appellant] gelegen om bijvoorbeeld een rapport van een taxateur in het geding te brengen waaruit zou volgen dat (en hoeveel) de woning meer waard was dan de opbrengst van de executoriale verkoop. Bij deze stand van zaken komt het hof aan bewijslevering niet toe zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd.

7. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [appellant] nog aangevoerd dat de bank niet wilde verkopen omdat het pand ‘onder water’ stond maar dat de bank toch tot executoriale verkoop is over gegaan omdat zij bang was voor een schadeclaim van [geïntimeerde] . Ook indien veronderstellenderwijs van de juistheid van die stelling wordt uitgegaan, kan dit [appellant] niet baten. Ook in dat geval zal immers de omvang van de schade moeten worden onderbouwd. Uit de omstandigheid dat het pand reeds ‘onder water’ stond volgt in elk geval dat de schade niet zonder meer gelijk kan worden gesteld aan de restschuld. Ook bij een niet gedwongen verkoop was [appellant] dan immers met een restschuld blijven zitten. De tweede grief faalt daarmee ook.

8. De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de tweede schadepost (ad € 250.000,-) onvoldoende zou zijn onderbouwd. In de toelichting heeft [appellant] gesteld dat hij net een zorgbedrijf had gestart en personeel had geworven. Door de beslagleggingen heeft de financier, de heer [naam 2] , zich teruggetrokken. Daarnaast is [appellant] door de verkoop van zijn woning ook zijn bedrijfsruimte verloren. De schade ten gevolge van het opdoeken van het bedrijf is begroot op 250.000,-. Dit bedrag betreft de financiering die [appellant] nodig heeft gehad voor het opzetten van de onderneming. Er was geen manier om het bedrijf elders voort te zetten omdat het volledige geleende bedrag terug betaald moest worden.

9. De grief faalt. Ook op dit punt heeft [appellant] , tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , geen enkele onderbouwing gegeven van deze schadepost. [appellant] heeft geen (met stukken onderbouwd) inzicht gegeven in de besteding van deze gelden. Bovendien is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien waarom de onderneming niet vanuit een andere locatie kon worden voortgezet. De stelling dat daarvoor geen financiële middelen (meer) waren, is door [appellant] niet onderbouwd. Daarbij komt dat [geïntimeerde] er terecht op heeft gewezen dat de geldleningsovereenkomst is opgemaakt kort voordat de woning zou worden geveild. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het terugtrekken van de geldverstrekker in verband staat met de beslagleggingen door [geïntimeerde] . Het bewijsaanbod van [appellant] zal als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

10. De vierde grief is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen en heeft derhalve geen zelfstandige betekenis.

11. Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2016;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 5.213 aan verschotten en € 6.526 aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, E.J. van Sandick en J. Smeets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.