Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:4034

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.217.794/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IE Procesrecht, verzoek om hervatting procedure te weigeren dan wel procedure te schorsen afgewezen, inbreukvorderingen afgewezen onder toepassing van afstemmingsregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.794/02

Zaaknummer rechtbank : C/09/531270/ KG ZA 17-519

arrest van 11 september 2018

inzake

1 Biogen Inc.,

gevestigd te Cambridge (MA), Verenigde Staten van Amerika,

2. F. Hoffmann-La Roche AG,

gevestigd te Basel, Zwitserland,

appellanten,

hierna te noemen: Biogen,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

tegen

1 Celltrion Inc.,

gevestigd te Incheon, Zuid-Korea,

2. Mundipharma Pharmaceuticals B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

3. Celltrion Healthcare Hungary KFT,

gevestigd te Boedapest, Hongarije,

geïntimeerden,

hierna te noemen: Celltrion,

advocaat: mr. D.F. de Lange te Amsterdam.

1 Het geding

Voor de verloop van het geding tot en met 7 november 2017 wordt verwezen naar het op die datum tussen partijen gewezen tussenarrest (hierna: het tussenarrest). In het tussenarrest heeft het hof iedere beslissing in deze kort gedingprocedure aangehouden totdat in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (in eerste aanleg) met zaaknummer C/09/517753 vonnis zou zijn gewezen en voorts bepaald dat nadien iedere partij de zaak weer op de rol kan brengen voor voortprocederen.

Op 10 april heeft Celltrion de zaak op de rol gebracht. Daarna heeft Biogen op 24 april een akte houdende verzoek tot weigering hervatting althans schorsing van de procedure genomen. Vervolgens heeft Celltrion op de rol van 8 mei 2018 een akte uitlating gevolgen bodemvonnis genomen. Vervolgens hebben partijen onder overlegging van het procesdossier arrest gevraagd dat op heden is bepaald.

2 De feiten

Voor de feiten wordt verwezen naar hetgeen daarover in het tussenarrest is overwogen.

In aanvulling daarop geldt dat de rechtbank in voornoemde bodemprocedure op 21 februari 2018 vonnis (hierna: het bodemvonnis) heeft gewezen. De rechtbank heeft in het bodemvonnis onder meer op vordering van Celltrion het Nederlandse deel van EP 313 vernietigd.

3 Het geschil

3.1

In onderhavige procedure in kort geding vordert Biogen – na afwijzing door de voorzieningenrechter in eerste aanleg, alsnog – een aan Celltrion op te leggen inbreukverbod op de grond dat zij met de verhandeling van Truxima inbreuk maakte of dreigde te maken op het Nederlandse deel van EP 313, althans de conclusies 7 en 15 ervan, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Celltrion c.s. in de proceskosten volgens 1019h Rv.

3.2

In haar akte heeft Biogen primair verzocht om de hervatting van onderhavige procedure te weigeren en subsidiair om de onderhavige procedure te schorsen totdat in de door Biogen (inmiddels aanhangig gemaakte) procedure in hoger beroep van het bodemvonnis onherroepelijk is beslist.

3.3

Celltrion verzet zich tegen toewijzing van beide verzoeken van Biogen en concludeert dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd en dat Biogen moet worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

4.1

Het verzoek van Biogen om de hervatting van onderhavige procedure te weigeren is niet voor toewijzing vatbaar, reeds omdat in het tussenarrest is beslist dat iedere partij de zaak kan opbrengen nadat in de bodemprocedure vonnis zou zijn gewezen en Celltrion zulks op 10 april 2018 daadwerkelijk heeft gedaan, waarmee de hervatting van onderhavige procedure een feit is.

4.2

Het verzoek tot weigering van de hervatting en het subsidiaire verzoek van Biogen om gebruik te maken van de in artikel 83 lid 3 Rijksoctrooiwet gegeven discretionaire bevoegdheid tot schorsing van onderhavige procedure totdat er een in kracht van gewijsde gegane beslissing is over de geldigheid van het Nederlandse deel van EP 313, kunnen (ook) om de volgende redenen niet worden ingewilligd. De verzoeken verhouden zich niet met het (spoedeisend) karakter van een kort geding procedure. Daarenboven dient een – mogelijk zeer langdurige – aanhouding of schorsing van onderhavige procedure weliswaar de belangen van Biogen, maar – anders dan Biogen stelt – verzet het belang van Celltrion bij een oordeel reeds nu over de door haar gevorderde proceskostenveroordeling van Biogen, zich daartegen.

4.3

Dat Biogen, indien reeds thans uitspraak wordt gedaan, in de proceskosten wordt veroordeeld en zij die niet meer kan terugvorderen indien zij later in de bodemprocedure in hoger beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld, moge zo zijn. Dat risico is echter inherent aan het aanhangig maken van een kort procedure (en het instellen van hoger beroep van het vonnis in kort geding) hangende een bodemprocedure. Biogen kon en moest met dat risico rekening houden toen zij ervoor koos Celltrion in onderhavige kort gedingprocedure te betrekken.

4.4

Een in het vooruitzicht gesteld verzoek tot (informele) voeging van onderhavige procedure met de bodemprocedure maakt een en ander niet anders, nu toewijzing van een dergelijk verzoek, gelet op de aard en stand van beide procedures (uitgeprocedeerde kort gedingprocedure en net aanhangig gemaakte bodemprocedure), niet in de rede ligt.

4.5

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de procedure wordt voortgezet en het hof moet beslissing over de vorderingen van Biogen. Gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde ‘afstemmingsregel’ dient het hof zich daarbij te richten naar hetgeen in een tussen dezelfde partijen aanhangige bodemprocedure over dezelfde rechtsvraag is beslist. Dat betekent dat het hof thans dient uit te gaan van de ongeldigheid van EP 313.

4.6

Aangezien Biogen (alleen) EP 313 ten grondslag heeft gelegd aan haar verbodsvorderingen in onderhavige procedure en is uit te gaan van de ongeldigheid daarvan, dienen de vorderingen van Biogen te worden afgewezen, met veroordeling van Biogen als de in het ongelijk gestelde partij in de redelijke en evenredige proceskosten aan de zijde van Celltrion, volgens afspraak tussen partijen begroot op € 50.000,- welk bedrag het hof niet onredelijk of onevenredig voorkomt.

5 Beslissing

Het hof

- wijst de verzoeken van Biogen af;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Biogen in de kosten van de procedure aan de zijde van Celltrion, begroot op een bedrag van € 50.000,-;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Kalden, M.Y. Bonneur en P.H. Blok en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.