Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:4032

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2018
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
BK-18/00545
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:2718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 9 februari 2017 heeft belanghebbende een personenauto met een Nederlandse kenteken op haar naam gesteld. De Nederlandse registratie van de auto is op 10 februari 2017 beëindigd. Op 13 februari 2017 is de auto in Duitsland ingeschreven met een regulier kenteken. Op 14 februari 2017 heeft A B.V., een aan belanghebbende gelieerde vennootschap, de auto verkocht aan een in Albanië woonachtig persoon, die de auto vervolgens rechtstreeks vanuit Nederland heeft overgebracht naar Albanië.

Belanghebbende heeft geen recht op teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Uit de tekst en kennelijke bedoeling van de in geding zijnde bepaling is af te leiden dat voor de toepassing van de teruggaafregeling in elk geval is vereist dat de auto in het kader van de registratie "in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte" wordt vervoerd naar die staat. Omdat hier, naar tussen partijen vaststaat, niet aan die eis is voldaan, mist de faciliteit toepassing.

Het tegen de uitspraak van het Hof ingestelde beroep in cassatie is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-08-2020
FutD 2020-2464
DouaneUpdate 2020-0359 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/2814
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00545

Uitspraak van 5 oktober 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 maart 2018, nr. SGR 17/6380.

Overwegingen

1.1.

Op 9 februari 2017 heeft belanghebbende een personenauto met het Nederlandse kenteken [XX-XX-XX] op haar naam gesteld. De Nederlandse registratie van de auto is op 10 februari 2017 beëindigd. Op 13 februari 2017 is de auto in Duitsland ingeschreven met het reguliere kenteken [XX XXXXX] . Op 14 februari 2017 heeft [A] B.V., een aan belanghebbende gelieerde vennootschap, de auto verkocht aan een in Albanië woonachtig persoon, die de auto vervolgens rechtstreeks vanuit Nederland heeft overgebracht naar Albanië.

1.2.

Belanghebbende heeft de Inspecteur op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 verzocht voor het buiten Nederland brengen van de auto een teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 2.563 te verlenen. Het teruggaafverzoek is op 24 februari 2017 bij de Inspecteur binnengekomen. Bij beschikking heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 333 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, overwegende: "(…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] echter toch terecht geen teruggaaf BPM aan [belanghebbende] verleend. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, in samenhang bezien met de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, gaat er immers vanuit dat het voertuig (ook) feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het kentekenbewijs wordt afgegeven. Nu vaststaat dat het voertuig niet naar een dergelijk land, maar rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië, is geëxporteerd, heeft [belanghebbende] niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM en aldus geen recht op teruggaaf van BPM. (…)"

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 21 september 2018. Partijen zijn verschenen.

1.6.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op de door haar verzochte teruggaaf.

1.7.

De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof met juistheid beslist dat belanghebbende geen recht op teruggaaf van belasting heeft. Uit de tekst en kennelijke bedoeling van de in geding zijnde bepaling is af te leiden dat voor de toepassing van de teruggaafregeling in elk geval is vereist dat de auto in het kader van de registratie "in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte" wordt vervoerd naar die staat. Omdat hier, naar tussen partijen vaststaat, niet aan die eis is voldaan, mist de faciliteit toepassing.

1.8.

Het hoger beroep is ongegrond.

1.9.

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 5 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.