Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:4027

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
BK-18/00491
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:2241, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep betreft het geschil, naar belanghebbendes gemachtigde in diens pleitnota met zoveel woorden heeft aangegeven, "net als in vele andere gelijktijdig te behandelen zaken, de schending van de hoorplicht en de vergoeding van rente wegens het niet tijdig voldoen van de contractuele verplichting tot vergoeding van de immateriële schade ex. artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/1217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00491

Uitspraak van 12 oktober 2018

in het geding tussen:

Autobedrijf [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 februari 2018, SGR 17/3922.

Overwegingen

1. Belanghebbende is voor een personenauto, een Citroën C6, een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 990 opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag vernietigd en belanghebbende is € 246 aan proceskosten in bezwaar toegekend.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 333 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen vergoeding van immateriële schade van € 1.500, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 334 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 501 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 28 september 2018. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de elf hoger beroepen met de BK-nummers 18/00482 t/m 18/00487, 18/00499 en 18/00515 t/m 18/00518 behandeld. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt ook voor de andere hoger beroepen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is of [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden, of [belanghebbende] recht heeft op een vergoeding van immateriële schade en of [belanghebbende] recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. (…)

(…)

Beoordeling van het geschil

Vooraf

8. Het belang bij deze procedure voor [belanghebbende] is gelegen in de omstandigheid dat [de Inspecteur] - en in afwijking van het in het verweerschrift gestelde - niet geheel aan de bezwaren van [belanghebbende] is tegemoetgekomen. [De Inspecteur] immers heeft een forfaitaire vergoeding voor de bezwaarfase toegekend, daar waar [belanghebbende] om toekenning van een integrale vergoeding had gevraagd.

Schending hoorplicht

9. Uit het vorenstaande onder 8 vloeit dan voort dat [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden. Op grond van artikel 7:2 van de Awb dient [de Inspecteur] [belanghebbende] namelijk in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Weliswaar is in artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaald dat [belanghebbende] alleen op haar verzoek wordt gehoord, maar op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiën (laatstelijk gewijzigd op 9 mei 2017, nr. 2017-1209, Stcrt. 2017, 28270) ligt het initiatief tot horen in afwijking van artikel 25 van de Awr bij [de Inspecteur]. Aangezien [de Inspecteur] [belanghebbende] niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord is de hoorplicht geschonden. Anders dan [de Inspecteur] betoogt is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:3, onderdeel e, van de Awb waarbij van horen zou kunnen worden afgezien. [De Inspecteur] is - zoals onder 8 reeds is geconstateerd - immers niet geheel aan de bezwaren van [belanghebbende] tegemoetgekomen.

10. Aan de schending van de hoorplicht kan in het onderhavige geval echter worden voorbijgegaan gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. De belastingplichtige is door de gang van zaken namelijk niet benadeeld. Er bestaat over de feiten en de waardering daarvan (in het bijzonder al dan niet integrale proceskostenvergoeding) immers geen verschil van mening tussen [belanghebbende] en [de Inspecteur] en als dan - zoals hier aan de orde - het gebrek is hersteld doordat [belanghebbende] haar bezwaren in beroep voldoende schriftelijk en mondeling heeft kunnen uiteenzetten, kan aan de schending van de hoorplicht worden voorbijgegaan en volgt om die reden ook geen terugwijzing (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495 en HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1243).

Kostenvergoeding in bezwaar

11. (…) Dat tussen partijen geregeld een verschil van mening bestaat over de toepassing en reikwijdte van onder meer artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de uitleg van arresten van het Hof van Justitie dan wel de Hoge Raad maakt nog niet dat [de Inspecteur] in dat kader volstrekt onhoudbare standpunten inneemt en zelfs standpunten tegen beter weten in inneemt. Dat de Hoge Raad er feitelijk ook al niet veel van begrijpt, zoals [belanghebbende] betoogt, maakt een en ander ook niet anders. Dat een arrest van het Hof van Justitie of de Hoge Raad uiteindelijk aanleiding kan zijn de naheffingsaanslag in bezwaar te vernietigen is niet een omstandigheid als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 [ECLI:NL:HR:2007:BA2802]. Voor toekenning van een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.

(…)

Immateriële schadevergoeding

(…)

15. (…) Derhalve is in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van afgerond 1½ jaar.

16. De overschrijding dient geheel te worden toegerekend aan [de Inspecteur] nu de rechtbank zelf binnen de haar toekomende tijd uitspraak heeft gedaan (het beroep van [belanghebbende] is ontvangen op 8 juni 2017).

17. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding daarom toe tot een bedrag van € 1.500 (3 x € 500).

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten gelet op hetgeen is overwogen onder 9 en 10. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op - in beginsel - € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit ziet de rechtbank gelet op hetgeen daaromtrent is overwogen onder 11 geen aanleiding. De rechtbank zal de proceskostenvergoeding op grond van artikel 3 Bpb verdelen over de drie zaken (SGR 17/3922 [BK-18/00491], SGR 17/3924 [BK-18/00515] en SGR 17/3926 [BK-18/00517]) die betrekking hebben op naheffingsaanslagen, die (nagenoeg) gelijktijdig ter zitting zijn behandeld en waarvoor de werkzaamheden voor de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn, waarbij geldt dat de wegingsfactor wegens samenhang 1 bedraagt (minder dan 4 zaken). Voor elk van de zaken bedraagt de vergoeding dan € 334.

20. Ook dient gelet op wat is overwogen onder 9 en 10 het griffierecht aan [belanghebbende] te worden vergoed. De rechtbank verwerpt daarbij het verzoek van [belanghebbende] dat zij recht heeft op vergoeding van rente over het griffierecht. (…) (vgl. HR 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049).

(…)"

6. In hoger beroep betreft het geschil, naar belanghebbendes gemachtigde in diens pleitnota met zoveel woorden heeft aangegeven, "net als in vele andere gelijktijdig te behandelen zaken, de schending van de hoorplicht en de vergoeding van rente wegens het niet tijdig voldoen van de contractuele verplichting tot vergoeding van de immateriële schade ex. artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie."

7. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle onderdelen van het geschil - mogelijk met uitzondering van het oordeel dat de hoorplicht is geschonden - op goede gronden juist geoordeeld. Belanghebbende heeft niets aangevoerd dat rechtvaardigt anders te oordelen. Het Hof heeft in aanmerking genomen: 1. dat de Rechtbank - wanneer wordt meegegaan in het oordeel dat de hoorplicht is geschonden c.q. de noodzaak bestaat tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende - naar behoren gemotiveerd, als zodanig door belanghebbende niet bestreden, voorbij is gegaan aan de gestelde schending en dus terecht geen reden heeft gezien de zaak naar de Inspecteur terug te wijzen en 2. dat belanghebbende met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade niet op meer rente recht heeft dan de wettelijke rente. Hoewel de Inspecteur ter zitting onweersproken heeft verklaard dat die rente, voor zover al sprake is van niet-tijdige betaling van de vergoeding, is of wordt betaald en belanghebbende op dat moment geen werkbare duidelijkheid heeft verschaft over wat zij (nog) met betrekking tot de rente wil, acht het Hof het ter correcte uitvoering van de beslissing van de Rechtbank gepast aan die beslissing toe te voegen dat de Inspecteur de wettelijke rente moet vergoeden over de vastgestelde immateriële schadevergoeding van € 1.500 vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening van die vergoeding.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet, ook in de vaststelling dat de Inspecteur de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade moet vergoeden, geen reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten en hem te gelasten het griffierecht in hoger beroep te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, met dien verstande dat de Inspecteur de wettelijke rente moet vergoeden over € 1.500 aan vergoeding van immateriële schade vanaf de dag dat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking aan partijen van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening van die vergoeding.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 12 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.