Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3967

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
BK-18/00015
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, de hoogte van de aan [belanghebbende] in rekening gebrachte heffingsrente en of terecht een verzuimboete aan [belanghebbende] is opgelegd. Vaststaat dat [belanghebbende], ook na daartoe te zijn aangemaand, geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft ingediend. Aldus heeft [belanghebbende] niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Aangezien [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat het beroep van [belanghebbende] ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. [Belanghebbende] dient daarom overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-09-2019
Viditax (FutD), 20-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00015

Uitspraak van 30 november 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 november 2017, SGR 16/6919.

Overwegingen

1. Bij brief met dagtekening 29 februari 2012 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 (IB/PVV 2011). Met dagtekening 6 juni 2012 en 29 juni 2012 zijn hem herinneringen tot het doen van deze aangifte gestuurd en met dagtekening 1 augustus 2012 is een aanmaning verzonden. Belanghebbende heeft geen aangifte ingediend.

2. Met dagtekening 10 december 2014 is belanghebbende ambtshalve een aanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.660 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.496. Een bedrag van € 471 aan heffingsrente is hem bij beschikking in rekening gebracht. Hem is een verzuimboete opgelegd van € 984 wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte.

3. Bij brief van 9 januari 2015, door de Inspecteur ontvangen op 19 januari 2015, heeft belanghebbende tegen de aanslag, de beschikking heffingsrente en de verzuimboete bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij de uitspraak van de Inspecteur van 27 juli 2016 ongegrond verklaard is.

4. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, de hoogte van de aan [belanghebbende] in rekening gebrachte heffingsrente en of terecht een verzuimboete aan [belanghebbende] is opgelegd.

5. Vaststaat dat [belanghebbende], ook na daartoe te zijn aangemaand, geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft ingediend. Aldus heeft [belanghebbende] niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Aangezien [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat het beroep van [belanghebbende] ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. [Belanghebbende] dient daarom overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin met de door hem overgelegde stukken en hetgeen hij heeft aangevoerd, niet geslaagd. Hoewel blijkens het door [belanghebbende] overgelegde bevel tot inbeslagneming de panden [A] te [Z] , [B] te [Z] en [C] te [Z] door de Officier van Justitie worden toegerekend aan [Y] , ziet de rechtbank toch aanleiding om deze panden bij [belanghebbende] in aanmerking te nemen. [Belanghebbende] is immers juridisch eigenaar van deze panden en, gelet op het feit dat [belanghebbende] en - naar [de Inspecteur] ter zitting heeft toegelicht - ook [Y] geen openheid van zaken geven met betrekking tot de eigendom van de panden, gaat de rechtbank er (vooralsnog) vanuit dat [belanghebbende] ook economisch eigenaar is van de panden. Vgl. HR 13 juli 2012, nr. 11/01171, ECLI:NL:HR:2012:BX0891.

6. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat [de Inspecteur] gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van [belanghebbende]. [De Inspecteur] heeft de looninkomsten en de banksaldi gebaseerd op renseignementen van derden en hij is voor de waarde van de panden die behoren tot vermogen in box 3 uitgegaan van de voor die panden vastgestelde woz-waarden. De rechtbank acht dit alleszins redelijk. Daarnaast heeft [de Inspecteur] een bedrag van € 100.000 aan overige bezittingen in box 3 in aanmerking genomen. Nu [de Inspecteur] ter zitting desgevraagd geen onderbouwing heeft kunnen geven voor dit bedrag, is de rechtbank van oordeel dat de aanslag in zoverre niet berust op een redelijke schatting. De rechtbank zal het box 3 vermogen daarom met € 100.000 verminderen.

7. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Awr, in samenhang met paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, kan aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, een verzuimboete worden opgelegd. Dat is slechts anders bij afwezigheid van alle schuld (avas).

8. De rechtbank heeft vastgesteld dat [belanghebbende] geen aangifte heeft gedaan. Voorts is niet gesteld of gebleken dat sprake is van avas. De verzuimboete is daarom terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

9. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd die de rechtbank aanleiding geven om de verzuimboete te matigen. De rechtbank acht een verzuimboete van € 984 in dit geval passend en geboden, aangezien [belanghebbende] al sinds 2003 verzuimt om aangifte te doen.

10. Nu de aanslag wordt verminderd, dient de heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven om de heffingsrente verder te verminderen zijn niet gesteld of gebleken. [De Inspecteur] heeft de in rekening gebrachte heffingsrente berekend met inachtneming van artikel 30f van de Awr. En ook overigens is niet gebleken dat [de Inspecteur] met het opleggen van de beschikking heffingsrente in strijd zou hebben gehandeld met het toepasselijke recht.

11. Gelet op wat hiervoor onder 6 en 10 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gesteld of gebleken.”

5. De Rechtbank heeft beslist:

”verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.660 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.496 en draagt [de Inspecteur] op de heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen

handhaaft de verzuimboete;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 46 aan [belanghebbende] te vergoeden”.

6. In hoger beroep is het geschil niet anders dan voor de Rechtbank.

7. Belanghebbende is net als bij de Rechtbank ter zitting niet verschenen. De uitnodiging voor de mondelinge behandeling van 9 november 2018 heeft, mede gelet op zijn bij faxbericht van 5 november 2018 gedaan verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling, belanghebbende bereikt. Een op de zittingsdag gedaan tweede uitstelverzoek is ter kennisneming van de zetel gekomen nadat de zitting had plaatsgevonden. In de uitstelverzoeken zijn geen redenen genoemd die het verzochte uitstel rechtvaardigen.

8. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Rechtbank met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden een juiste beslissing genomen. Belanghebbende heeft niets aangevoerd dat rechtvaardigt op enig punt anders te oordelen. Een onderbouwing ontbreekt van zijn stelling ”dat de hoogte van het inkomen voor het jaar 2011 onjuist is berekend waardoor de aanslagen te hoog zijn vastgesteld”.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door J.T. Sanders, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 30 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.