Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3965

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
BK-18/00315 tot en met BK-18/00317 en BK-18/00321 tot en met BK-18/00323
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:16328, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn betrokken bij het beheer van, de handel in en de exploitatie van onroerende zaken. In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de onderwerpelijke aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld, welke vragen door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend worden beantwoord. Belanghebbende betwist tevens de belopen boeten. De Inspecteur stelt in hoger beroep dat de boeten door de Rechtbank ten onrechte zijn verminderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-09-2019
Viditax (FutD), 20-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/00315 tot en met BK-18/00317 en BK-18/00321 tot en met BK-18/00323

Uitspraak van 30 november 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende alsmede het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 december 20187, nummers SGR 15/9007, SGR 16/7717 en SGR 17/7719.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en beroep

1.1.

Belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor achtereenvolgens de jaren 2011, 2012 en 2013 naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 2.000.000, € 1.000.000 en € 1.000.000 en belastbare inkomens uit sparen en beleggen van € 400.000 per jaar, alsmede aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar bijdrage-inkomens van € 33.427, € 50.064 en € 50.853. Voor deze jaren zijn, telkens bij beschikking, vergrijpboeten opgelegd van € 1.148.997, € 629.089 en € 630.865. Tevens zijn, eveneens telkens bij beschikking, over deze jaren bedragen aan heffings/belastingrente in rekening gebracht voor de IB/PVV van € 132.932, € 57.282 en € 39.113 en voor de Zvw van € 218, € 227 en € 178.

1.2.

De aanslagen, de boetebeschikkingen en de gegeven beschikkingen inzake heffings/belastingrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Aan griffierechten is in totaal € 91 (€ 45 + € 46) geheven.

1.4.

De rechtbank verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de bij de aanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboeten gegrond, verklaart de beroepen voor het overige ongegrond, vermindert deze vergrijpboeten tot € 804.297, € 440.362 en € 441.605, vernietigt in zoverre de uitspraken op bezwaar, bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 247,50 en draagt de Inspecteur op belanghebbende het betaalde griffierecht van € 91 te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende alsmede de Inspecteur heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 124 geheven.

2.2.

Partijen hebben kunnen reageren op elkaars geschriften.

2.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2018 te Den Haag. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Belanghebbende heeft gereageerd op deze pleitnota.

2.4.

Ter zitting zijn eveneens behandeld de hoger beroepen van de echtgenoot van belanghebbende in de zaken met de nummers BK-18/00318 tot en met BK-18/00320 en de hoger beroepen van de Inspecteur in de zaken met de nummers BK-18/00324 tot en met BK-18/00326. Hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaken.

Vaststaande feiten

3.1.

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.2.

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn betrokken bij het beheer van, de handel in en de exploitatie van onroerende zaken. Op 10 januari 2012 zijn belanghebbende en haar echtgenoot aangehouden op verdenking van onder andere witwassen, valsheid in geschrifte, gebruik van valse geschriften en oplichting, tezamen en in vereniging met anderen. Die anderen zijn een of meer kinderen van belanghebbende en haar echtgenoot. Voorts zijn op 10 januari 2012 huiszoekingen gehouden in diverse panden. Hierbij is een grote hoeveelheid administratieve bescheiden in beslag genomen.

3.3.

Naar aanleiding van het politieonderzoek is het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en haar echtgenoot voor hun activiteiten gebruik hebben gemaakt van stromannen. Tijdens de huiszoekingen zijn 47 volmachten aangetroffen. Deze volmachten zijn onder andere gebruikt voor de aan- en verkoop van panden. Ook zijn diverse bankbescheiden aangetroffen die niet op naam staan van belanghebbende of haar familie, maar waaruit blijkt dat belanghebbende en/of haar familieleden gemachtigd zijn. Voorts zijn diverse koopovereenkomsten aangetroffen alsmede huurovereenkomsten op naam van derden, sleutels met bijbehorende adreslabels en kwitantieboekjes met betrekking tot ontvangen huren.

3.4.

Tot de gedingstukken behoort een memo van maart 2015 (memo), opgesteld door ambtenaren van de Belastingdienst. Dit memo is geschreven om de inkomenspositie van belanghebbende, haar echtgenoot en hun drie kinderen, in het memo aangeduid als [belanghebbende] c.s. in 2011 vast te stellen. Om de inkomenspositie te bepalen is gebruikgemaakt van onder meer de volgende bij de huiszoekingen aangetroffen bescheiden:

- kwitantieboekjes;

- huurovereenkomsten;

- koopovereenkomsten;

- uitgeschreven nota’s;

- sleutels met bijbehorende labels waarop adressen staan;

- brieven.

De gegevens uit de systemen van de Belastingdienst zijn gebruikt om de aangetroffen informatie aan te vullen.

3.5.

Aan de hand van voormelde stukken en informatie hebben controleurs van de Belastingdienst het inkomen en vermogen van belanghebbende c.s. voor het jaar 2011 als volgt berekend:

- Inkomsten uit verhuur € 496.416;

- Inkomsten uit verkoop € 27.000;

- Inkomsten uit bemiddeling (ver)koop € 63.263;

- Inkomsten uit bemiddeling (ver)huur € 149.974;

- Waarde liquide middelen en panden € 9.400.000.

3.6.

Bij vonnis van de Rechtbank van 12 juni 2015 is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden voor het medeplegen van gewoontewitwassen en de voortgezette handeling van gewoontewitwassen.

3. 7. De Inspecteur heeft met dagtekening 31 juli 2015 ambtshalve de aanslagen IB/PVV en Zvw 2011 opgelegd.

3.8.

Met dagtekening 5 november 2015 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw 2012 ambtshalve opgelegd.

3.9.

Met dagtekening 7 december 2015 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013 ambtshalve opgelegd.

Geschil in hoger beroep en standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de onderwerpelijke aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld, welke vragen door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend worden beantwoord. Belanghebbende betwist tevens de belopen boeten. De Inspecteur stelt in hoger beroep dat de boeten door de Rechtbank ten onrechte zijn verminderd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

4.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslagen en boeten.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze betreft de vermindering van de boeten.

Oordeel van de Rechtbank

5. De Rechtbank heeft overwogen

”Uitstelverzoeken

13. [ Belanghebbende] heeft als reden voor het verzoek om uitstel van de zitting van 27 oktober 2017 genoemd dat zij de reactie van [de Inspecteur] op haar stuk van 11 september 2017 niet tijdig heeft gekregen en het haar zo dus onmogelijk is gemaakt om hierop adequaat te reageren. De rechtbank stelt vast dat [de Inspecteur] zijn reactie op 16 oktober 2017 heeft ingediend, dus met inachtneming van de 10-dagen-termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in zoverre dus tijdig voor de zitting. De rechtbank heeft de echtgenoot op 26 oktober 2017 telefonisch bericht dat geen uitstel van de zitting wordt verleend, nu geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die tot uitstel van de zitting noopt. Dit is bij brief van 2 november 2017 bevestigd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit het registratiesysteem van de rechtbank is gebleken dat de reactie van [de Inspecteur] op 18 oktober 2017 naar het correspondentieadres van [belanghebbende] is doorgezonden, hetgeen eveneens bij separate brief van dezelfde datum aan [belanghebbende] is meegedeeld. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat deze stukken niet zijn ontvangen, nu overige stukken, waaronder de uitnodiging voor de zitting en afwijzingen van door [belanghebbende] gedane uitstelverzoeken, wel steeds tijdig op het correspondentieadres zijn bezorgd. Gelet hierop is niet aannemelijk dat [belanghebbende] redelijkerwijs niet in staat is geweest om tijdig kennis te nemen van de reactie van [de Inspecteur]. Daar komt bij dat op de zitting van 13 juni 2017 niet is afgesproken dat [belanghebbende] nog in de gelegenheid gesteld zou worden schriftelijk te reageren op de reactie van [de Inspecteur] en [belanghebbende] niet heeft aangegeven welke stukken zij nog zou willen inbrengen. De reactie van [de Inspecteur] is niet omvangrijk en ook overigens niet van dien aard is dat [belanghebbende] daarop niet ter zitting had kunnen reageren dan wel zonder nadere schriftelijke toelichting in haar procesbelangen zou zijn geschaad. Daar komt bij dat de door [de Inspecteur] hierbij overgelegde bijlagen grotendeels stukken zijn uit het strafdossier van [belanghebbende] dan wel haar echtgenoot en aldus bij [belanghebbende] bekend moeten zijn. Tijdens het telefoongesprek met de echtgenoot op 26 oktober 2017 is door de rechtbank bovendien meegedeeld dat bij de behandeling ter zitting alsnog aanleiding kan zijn het onderzoek ter zitting te schorsen. [Belanghebbende] was reeds lang op de hoogte van de nadere zittingsdatum, zodat zij, ook na terugtrekking van de gemachtigden, voldoende tijd heeft gehad om zich op de zitting voor te bereiden dan wel een andere gemachtigde in te schakelen. In de omstandigheid dat de echtgenoot thans in het buitenland woont, heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien voor het bieden van een nadere reactietermijn, nu [belanghebbende] zelf voor een ander correspondentieadres heeft gekozen. Gezien het voorgaande kan niet gezegd worden dat in [belanghebbende] haar procesbelangen is geschaad.

Op de zaken betrekking hebbende stukken

14. [ Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb heeft overgelegd en dat zij door de handelwijze van [de Inspecteur] in haar verdediging is geschaad. [Belanghebbende] heeft de rechtbank verzocht [de Inspecteur] op te dragen alle rapporten en onderliggende stukken in het kader van de onderzoeken “ [A] ”, “ [B] ”, “ [C] ” en “ [D] ” en de van de Belgische en Luxemburgse autoriteiten verkregen informatie, te overleggen. [De Inspecteur] heeft de onderhavige aanslagen onderbouwd met de verweerschriften, het memo, vier ordners met bijlagen, alsmede de bijlagen I tot en met XI en de bijlagen A tot en met BB. In de verweerschriften van [belanghebbende] wordt tevens verwezen naar de bijlagen bij de verweerschriften van de echtgenoot. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] alle aan de onderhavige aanslagen ten grondslag liggende stukken overgelegd. Ook is niet aannemelijk geworden dat [de Inspecteur] bij het vaststellen van de aanslagen gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs. Voor zover [belanghebbende] nog getuigenverklaringen uit het strafdossier mist, overweegt de rechtbank dat [de Inspecteur] die verklaringen kennelijk niet aan de aanslagen ten grondslag heeft gelegd. Daar komt bij dat niet alle stukken uit het strafdossier als op de zaken betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb behoeven te worden aangemerkt. Dat [belanghebbende] geen volledige inzage heeft gekregen in de onderzoeksresultaten van voornoemde onderzoeken, kan, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet leiden tot het oordeel dat [belanghebbende] met betrekking tot de onderhavige aanslagen in haar verdediging is geschaad. De rechtbank gaat voorbij aan de overigens door [belanghebbende] in dit verband opgeworpen vragen.

Getuigenaanbod

15. In haar reactie van 11 september 2017 heeft [belanghebbende] aangekondigd vijfentwintig getuigen te doen horen. [Belanghebbende] is echter niet ter zitting verschenen en heeft aldus geen gebruik gemaakt van het door haar gedane bewijsaanbod. Voor zover [belanghebbende] de rechtbank heeft verzocht de desbetreffende getuigen op te roepen, zijn, gezien de bewijslast die in dit geval op [belanghebbende] rust, alle in dit kader gedane verzoeken afgewezen. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de getuigen ter zitting op te roepen.

Hoorplicht

16. [ Belanghebbende] voert aan dat zij voor alle jaren ten onrechte niet in de bezwaarfase is gehoord en bepleit terugwijzing van haar zaken. [Belanghebbende] heeft in de bezwaarschriften echter niet verzocht om te worden gehoord. Na door [belanghebbende] in gebreke te zijn gesteld heeft [de Inspecteur] bij brief van 4 november 2015 [belanghebbende] weliswaar de mogelijkheid geboden om haar bezwaren met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2011 toe te lichten. Met het oog daarop heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] verzocht om telefonisch contact. [Belanghebbende] is daar niet op ingegaan. Onder deze omstandigheden kan het niet horen van [belanghebbende] [de Inspecteur] niet worden aangerekend. Bij brieven van 2 maart 2016 en 21 juni 2016 heeft [de Inspecteur] zijn voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de bezwaren met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2012 en 2013. Ook in die brieven stelt [de Inspecteur] [belanghebbende] in de gelegenheid mee te delen of zij gehoord wil worden. Gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] naar aanleiding van die brieven heeft verzocht om te worden gehoord. Onder verwijzing naar artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), is daarom van schending van de hoorplicht geen sprake.

Tijdigheid

17. De rechtbank stelt vast dat, rekening houdend met het aan [belanghebbende] verleende uitstel, de onderhavige aanslagen en de vergrijpboetes tijdig zijn vastgesteld.

Vereiste aangiften

18. [ De Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e van de Awr, met als gevolg dat de rechtbank de beroepen ongegrond dient te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast). Dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, dient [de Inspecteur] volgens regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.

19. [ De Inspecteur] heeft aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende] over de onderhavige jaren de vereiste aangiften IB/PVV niet heeft gedaan, ondanks dat zij hiertoe was uitgenodigd en hieromtrent een herinnering en een aanmaning heeft ontvangen. Dat de administratie van [belanghebbende] in het kader van het politieonderzoek in beslag was genomen, ontslaat [belanghebbende] niet van de verplichting tot het doen van aangifte na daartoe door [de Inspecteur] te zijn uitgenodigd. Daar komt bij dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2012 (bladzijde 302 van de gedingstukken) de administratie reeds op die dag aan de echtgenoot is teruggegeven. In de brief van de Officier van Justitie (OvJ) van 24 januari 2013 (bladzijde 316 van de gedingstukken) wordt nog eens bevestigd dat de politie geen administratie van [belanghebbende] dan wel de echtgenoot meer in bezit heeft. Stukken die zien op de jaren 2012 en 2013 zijn bovendien nooit in bezit geweest van justitie. [Belanghebbende] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de inbeslagname geen aangifte heeft kunnen doen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

20. Als gevolg van het niet doen van de vereiste aangifte, dient de bewijslast op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr omgekeerd en verzwaard te worden. Het ligt vervolgens op de weg van [belanghebbende] om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Met hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd en overgelegd heeft zij niet aan deze verzwaarde bewijslast voldaan. Hetgeen [belanghebbende] met betrekking tot de aanslagen voor de jaren 2004 tot en met 2010 heeft aangevoerd, valt buiten de omvang van dit geschil en daarom gaat de rechtbank daar aan voorbij. Dat de in de inkomsten betrokken onroerende zaken deel uitmaken van de onverdeelde boedel van de overleden ouders van de echtgenoot, heeft zij niet doen blijken. De stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) ervan is uitgegaan dat de echtgenoot niet van alle in de inkomsten betrokken onroerende zaken en bankrekeningen de economische eigenaar is, is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat de onderhavige aanslagen onjuist zijn. Te meer omdat de echtgenoot in zijn reactie van

11 september 2017 te kennen geeft dat hij in het kader van de overdracht aan de Staat der Nederlanden van de op naam van [E] , [F] en [G] staande onroerende zaken, heeft aangevoerd mede economisch eigenaar te zijn van die onroerende zaken. [Belanghebbende] heeft dan ook niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Redelijke schatting

21. Op [de Inspecteur] rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om aannemelijk te maken dat de aanslagen berusten op een redelijke schatting.

Dat [belanghebbende] en haar echtgenoot transacties hebben verricht, zoals aan- en verkoop, alsmede verhuur van en bemiddeling in onroerend goed, blijkt uit de bij de huiszoekingen in beslag genomen bescheiden, waaronder de aan [belanghebbende] en haar echtgenoot verleende volmachten, de aangetroffen huurovereenkomsten, koopovereenkomsten, kwitantieboekjes en uitgeschreven nota’s. Voorts staat vast dat uit die activiteiten inkomsten voortvloeien.

Het is aan [belanghebbende], die stelt dat zij geen economische activiteiten heeft verricht en geen inkomsten heeft genoten, om deze stelling met bewijs te onderbouwen. Nu [belanghebbende] - in het licht van wat [de Inspecteur] heeft aangevoerd en ingebracht en ondanks de inhoud van de dossiers waaruit haar betrokkenheid blijkt - heeft nagelaten ook maar een begin van inzicht te verschaffen in de aard en omvang van haar betrokkenheid bij de handel in en de exploitatie van de onroerende zaken en de daaruit voortvloeiende inkomsten, heeft [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige inkomsten en vermogensbestanddelen als zodanig terecht aan [belanghebbende] en haar echtgenoot toegerekend.

2011

22. In het memo is het inkomen uit werk en woning van [de echtgenoot] c.s. voor het jaar 2011 berekend op minimaal € 736.653 en het inkomen uit sparen en beleggen is berekend op minimaal € 376.000. Bij het berekenen van het minimum inkomen en vermogen zijn de in 4 vermelde bescheiden en de omstandigheid dat de OvJ in het kader van het politieonderzoek voor in totaal € 9,4 miljoen aan liquide middelen en onroerende zaken in het jaar 2012 in beslag heeft genomen, als uitgangspunt genomen. De uitgangspunten waarop deze berekening is gebaseerd, acht de rechtbank redelijk. Bij het vaststellen van de aanslag is [de Inspecteur] echter uitgegaan van een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.000.000 en een geschat belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 400.000, omdat het aannemelijk is dat, gelet op de inhoud en hoeveelheid van de bij de huiszoekingen in beslag genomen bescheiden, er méér inkomen en vermogen moet zijn. Volgens [de Inspecteur] zal het totale (inkomen uit) vermogen van [belanghebbende] en haar echtgenoot ruim € 30 miljoen bedragen en is een behaald rendement van 10% niet onredelijk, zodat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

23. De rechtbank acht aannemelijk dat het totale (inkomen uit) vermogen van [belanghebbende] en haar echtgenoot ruim € 30 miljoen zal zijn geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking zowel de uit het dossier naar voren komende onderzoeksresultaten, als hetgeen [de Inspecteur] in het memo en het verweerschrift heeft aangevoerd, alsook het onherroepelijk zijn komen vast te staan van de over de jaren 2008 tot en met 2010 opgelegde aanslagen, alsmede hetgeen in 21 en hetgeen in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van

9 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4369 is overwogen.

24. De aanslag is naar het oordeel van de rechtbank eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De rechtbank acht het daarbij redelijk dat [de Inspecteur] de correctie inkomen uit werk en woning de facto zowel bij [belanghebbende] als bij haar echtgenoot voor het geheel in aanmerking heeft genomen, nu [belanghebbende] noch haar echtgenoot enig inzicht heeft verschaft in de omvang of verdeling van de genoten inkomsten, terwijl aannemelijk is geworden dat zij beiden in verregaande mate bij het beheer van, de handel in en de exploitatie van onroerende zaken betrokken zijn geweest. Ook acht de rechtbank het redelijk dat [de Inspecteur] is uitgegaan van een gezamenlijk vermogen van [belanghebbende] en haar echtgenoot van € 20 miljoen, zodat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen – gegeven de toerekening van dat inkomen aan haar echtgenoot met de helft – niet te hoog is vastgesteld.

25. Met hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd is zij er niet in geslaagd de redelijkheid van de schatting aan te tasten. Dat een aantal onroerende zaken langdurig leeg hebben gestaan en dat ter zake van die onroerende zaken geen inkomsten uit verhuur zijn ontvangen, is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door, [de Inspecteur] niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de kale huur van 19 onroerende zaken gemiddeld € 600 per maand bedroeg. Dat met betrekking tot de inkomsten uit verkoop rekening gehouden dient te worden met de door [belanghebbende] gemaakte kosten en dat de inkomsten uit bemiddeling hooguit € 20.000 bedroegen, is niet met bewijsstukken onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat rekening gehouden dient te worden met te verrekenen verliezen.

2012 en 2013

26. [ De Inspecteur] heeft voor deze jaren dezelfde uitgangspunten als voor het jaar 2011 gehanteerd. De uitgangspunten waarop deze berekeningen zijn gebaseerd acht de rechtbank ook hier redelijk. Nu met betrekking tot deze aanslagen dezelfde feiten aan de orde zijn - zij het dat [de Inspecteur] bij het vaststellen van deze aanslagen in verband met de detentie van haar echtgenoot in deze jaren is uitgegaan van een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.000.000 - en de rechtbank geen reden ziet om af te wijken van het oordeel over het jaar 2011, geldt hetgeen voor 2011 is overwogen ook voor de onderhavige aanslagen. [De Inspecteur] is dus ook voor deze jaren van een redelijke schatting uitgegaan.

27. Ook met hetgeen [belanghebbende] met betrekking tot deze aanslagen heeft aangevoerd is zij er niet in geslaagd de redelijkheid van de schattingen aan te tasten. Dat de huuropbrengsten van de in beslag genomen onroerende zaken aan de Landelijke Beslag Autoriteit zijn afgedragen, is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [de Inspecteur], niet aannemelijk gemaakt. [De Inspecteur] heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat hij ambtshalve navraag heeft gedaan bij het OM en dat gebleken is dat in de periode van 2012 tot en met 2016 95% van de huuropbrengsten niet zijn afgedragen aan het OM en dat het OM ook niet actief daarop aan het invorderen is. Dat [belanghebbende] in de onderhavige jaren mogelijk geen onroerend goed transacties heeft verricht en geen inkomsten uit bemiddeling heeft ontvangen, doet niet af aan de redelijkheid van de schatting. Evenmin is door [belanghebbende] aannemelijk gemaakt dat rekening gehouden dient te worden met te verrekenen verliezen.

Conclusie

28. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aanslagen IB/PVV 2011, IB/PVV 2012 en IB/PVV 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

De beroepen daartegen zullen in zoverre ongegrond worden verklaard.

Aanslagen Zvw 2011, Zvw 2012 en Zvw 2013

29. Tegen deze aanslagen heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu de aanslagen IB/PVV voor alle jaren in stand blijven, wijzigt het bijdrage-inkomen voor de aanslagen Zvw niet. De beroepen met betrekking tot deze aanslagen, zullen daarom eveneens ongegrond worden verklaard.

Heffings- en belastingrente

30. Tegen de inzake de onderhavige aanslagen gegeven beschikkingen heffings- onderscheidenlijk belastingrente heeft [belanghebbende] ook geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de rente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel. De beroepen, voor zover gericht tegen die beschikkingen, zijn dan ook ongegrond.

De vergrijpboetes

31. Nu uit de dossiers blijkt dat [belanghebbende] voor alle jaren vooraf in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze te geven tegen het opleggen van de vergrijpboetes, gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen [belanghebbende] in dit verband heeft aangevoerd.

32. Inzake de aanslagen IB/PVV 2011, IB/PVV 2012 en IB/PVV 2013 heeft [de Inspecteur] aan [belanghebbende] vergrijpboetes van 100% van de geheven belasting opgelegd, omdat het volgens hem aan opzet van [belanghebbende] te wijten is dat zij voor de onderhavige jaren geen aangifte heeft gedaan. De bewijslast dat hiervan sprake is, rust op [de Inspecteur]. De rechtbank acht [de Inspecteur], met hetgeen hij heeft aangevoerd, in die bewijslast geslaagd. De vergrijpboetes zijn dan ook als zodanig terecht opgelegd. Gelet op de boeteopleggingen in de voorafgaande jaren is voorts sprake van recidive als bedoeld in paragraaf 8, vierde lid, van het besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

2011

33. In de omstandigheid dat de aanslag met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast is opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om het door [de Inspecteur] gehanteerde boetepercentage te matigen met 25%.

34. De rechtbank ziet voorts aanleiding om de vergrijpboete verder te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijn is aangevangen met de aankondiging van de boete op 23 juli 2015, zodat op het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, 2 jaar en (afgerond) 5 maanden zijn verstreken. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 5 maanden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank zal de vergrijpboete daarom verder matigen met 5%.

35. Gelet op hetgeen onder 33 en 34 is overwogen dient de vergrijpboete verminderd te worden tot 70% van de geheven belasting. De vergrijpboete bedraagt dan (afgerond)

€ 804.297. Het beroep zal, voor zover gericht tegen de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboete 2011, gegrond worden verklaard.

2012

36. De rechtbank matigt de vergrijpboete met 25%, gelet op het onder 33 gegeven oordeel.

37. De rechtbank ziet ook hier aanleiding om de vergrijpboete verder te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijn is aangevangen met de aankondiging van de boete op 26 oktober 2015, zodat op het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, 2 jaar en (afgerond) 2 maanden zijn verstreken. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 2 maanden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank zal de vergrijpboete daarom verder matigen met 5%.

38. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de boete nog verder te matigen in verband met het feit dat de echtgenoot in het jaar 2012 in detentie heeft gezeten.

39. Gelet op het hetgeen onder 36 en 37 is overwogen dient de vergrijpboete verminderd te worden tot 70% van de geheven belasting. De vergrijpboete bedraagt dan (afgerond) € 440.362. Het beroep zal, voor zover gericht tegen de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboete 2012, gegrond worden verklaard.

2013

40. Gelet op het onder 33 gegeven oordeel, matigt de rechtbank de vergrijpboete met 25%.

41. Ook met betrekking tot deze boete ziet de rechtbank aanleiding om de boete verder te matigen met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijn is hier ook aangevangen op 26 oktober 2015, zodat verder volstaan wordt met verwijzing naar hetgeen in 37 is overwogen.

42. Gelet op het hetgeen onder 40 en 41 is overwogen dient de vergrijpboete verminderd te worden tot 70% van de geheven belasting. De vergrijpboete bedraagt dan (afgerond) € 441.605. Het beroep zal, voor zover gericht tegen de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboete 2013, gegrond worden verklaard.

2011, 2012 en 2013

43. De aldus gematigde boetes acht de rechtbank passend en geboden.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

44. [ Belanghebbende] stelt voorts nog dat [de Inspecteur] met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2011 in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu bij het opleggen van die aanslag de zienswijze van [belanghebbende] van 30 juli 2015 niet is meegenomen in de beoordeling. Nu de zienswijze van [belanghebbende] in de bezwaarfase is meegenomen in de herbeoordeling en [belanghebbende] daar haar gronden tegen de aanslag naar voren heeft kunnen brengen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat [de Inspecteur] heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Slotsom

45. Gelet op hetgeen de rechtbank in 33 tot en met 42 heeft overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

46. De rechtbank ziet aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Zij stelt de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens samenhang met de zaken van haar echtgenoot vast op € 247,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting van 13 juni 2017 met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1, hetgeen neerkomt op € 495 gedeeld door 2).”

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Met betrekking tot het hoger beroep van belanghebbende in alle zaken, dat wil zeggen inzake de aanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013 alsmede de voor die jaren vastgestelde aanslagen Zvw, is zonder onderbouwing enkel naar voren gebracht dat ”de aanslagen te hoog zijn opgesteld”.

6.2.

Dienaangaande overweegt het Hof dat de Rechtbank in alle zaken op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat het Hof noopt tot een andere beslissing. Dit betekent dat de uitspraak van de Rechtbank in zoverre wordt bevestigd.

6.3.

Voorts is door belanghebbende aangevoerd dat haar hoger beroep eveneens is gericht ”tegen de vergrijpboetes bij de aanslagen”.

6.4.1.

De Inspecteur heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat geen plaats is de terecht opgelegde boeten te verminderen in verband met het feit dat de aanslagen zijn opgelegd met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.4.2.

Dat standpunt is juist. Voor de door de Rechtbank toegepaste vermindering in verband met de omstandigheid dat de aanslagen IB/PVV zijn opgelegd met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, is geen aanleiding, mede gelet op HR 17 februari 2012, nrs. 11/02251 en 11/02252. De door de Rechtbank toegepaste vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn acht het Hof evenmin op zijn plaats, nu het Hof met de Inspecteur van oordeel is dat, zo al sprake is van overschrijding, deze geheel te wijten is aan het processuele gedrag van belanghebbende.

6.5.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart de beroepen tegen de uitspraken van de Inspecteur ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, P.J.J. Vonk en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 30 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.