Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:396

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
BK-17/00765
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:11422, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur terecht niet bij voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek van 25 augustus 2016 heeft beslist. Daarnaast is in geschil of de Inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/513
V-N 2018/26.1.2
Viditax (FutD), 07-03-2018
FutD 2018-0675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00765

Uitspraak van 20 februari 2018

in het geding tussen:

de erven [X] , te [Z] , belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 18 augustus 2017, nummer SGR 17/263, betreffende het niet-tijdig beslissen op een verzoek van belanghebbenden, alsmede betreffende het verzoek om toekenning van een dwangsom.

Verzoek en geding in eerste aanleg

1.1.

Bij brief van 25 augustus 2016 hebben belanghebbenden verzocht om een teruggave van ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1.2.

Bij brief, ontvangen door de Inspecteur op 22 december 2016, hebben belanghebbenden de Inspecteur in gebreke gesteld.

1.3.

Bij brief van 7 januari 2017 hebben belanghebbenden beroep ingesteld bij de Rechtbank.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 januari 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Mevrouw [X] (erflaatster) is op [in] 2014 overleden.

3.2.

Na het overlijden heeft [Y] Levensverzekeringen NV ( [Y] ) nog tot eind 2015 maandelijks lijfrente-uitkeringen aan erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden.

3.3.

Op 28 december 2015 heeft [Y] aan belanghebbenden, zijnde de vijf erven van erflaatster, medegedeeld dat zij mogelijk een bedrag aan [Y] moesten terugbetalen. Bij brief van 16 februari 2016 heeft [Y] aan belanghebbenden medegedeeld dat een bedrag van € 35.434,62 terugbetaald diende te worden.

3.4.

Op 17 juni 2016 is voornoemd bedrag aan [Y] terugbetaald.

3.5.

Bij brief van 25 augustus 2016 heeft een van de erven, tevens aangewezen als executeur-testamentair (hierna: de executeur), de Inspecteur verzocht de door [Y] op de uitbetaalde uitkeringen ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet terug te storten op een bankrekening ten name van de erven. De executeur heeft de Inspecteur verzocht zijn beslissing op het verzoek neer te leggen in een voor bezwaar vatbare beschikking.

3.6.

Bij brief, ontvangen door de Inspecteur op 22 december 2016 heeft de executeur het verzoek herhaald, waarbij hij de Inspecteur in gebreke heeft gesteld.

3.7.

Bij brief van 7 januari 2017 heeft de executeur beroep bij de Rechtbank ingesteld vanwege de weigering van de Inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af te geven.

3.8.

Bij brief van 12 januari 2017 heeft de Inspecteur het verzoek om teruggave van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet afgewezen. Hij heeft in de brief aan de executeur geschreven:

“In dit verzoek wordt verzocht de teveel ingehouden loonheffing en premie ziektekostenverzekeringswet (Zvw) over de periode […] juni 2014 t/m […] december 2015 terug te storten op de rekening van de erven [van erflaatster].

Uit de door u bijgevoegde correspondentie blijkt dat de verzekeraar, in casu [Y] , nog na het overlijden [van erflaatster] op [in] 2014, lijfrente-uitkeringen heeft overgemaakt t.n.v. [erflaatster]. Deze bedragen zijn door de verzekeraar uitbetaald op de bankrekening van [erflaatster] resp. op de bankrekening van de erven [van erflaatster].

Het gaat om de uitkeringen welke zijn uitbetaald over de maanden juni 2014 t/m december 2015.

In totaal gaat het volgens de correspondentie van [Y] om een bedrag van bruto € 35.434,62.

Ik kan aan het verzoek niet tegemoet komen, er is hier geen sprake van teveel ingehouden loonheffing en premie Zvw.

Er is immers sprake van terecht belaste uitkeringen (de erfgenamen zijn immers door het overlijden van [erflaatster] de gerechtigden) en er is dus terecht loonheffing en Zvw ingehouden.

Het is fiscaal niet mogelijk om de (volgens u teveel) ingehouden loonheffing terug te vragen.

De vijf (5) erfgenamen van [erflaatster] zijn volgens de verklaring van erfrecht: (…).

Voor deze vijf (5) erfgenamen bestaat wel de mogelijkheid om in het jaar van terugbetalen (uit de bijgevoegde stukken blijkt er op 17 juni 2016 daadwerkelijk een bedrag van € 35.435 afgerond, door de erven aan [Y] is terugbetaald), dat een ieder van de vijf (5) erven een vijfde deel (1/5) van het aan [Y] terugbetaalde bedrag van € 35.435 , te weten € 7.087 (afgerond) in zijn of haar aangifte IB/PV 2016 als negatief loon in mindering kan en mag brengen.”

3.9.

Bij separate brief van dezelfde datum heeft de Inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:

“(…)

11. Ingevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.

12. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld indien het betreft een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 van de Awr voorgeschreven verrekening, of een voor bezwaar vatbare beschikking.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Awr wordt de voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Het fiscale procesrecht kent dus een zogenoemd gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

13. Vast staat dat [belanghebbenden] geen bezwaar hebben aangetekend tegen de inhouding door [Y] van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op de uitkeringen. Het verzoek dient dan ook te worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve teruggaaf van ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De rechtbank overweegt dat uit de Wet op de loonbelasting 1964 noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat op een dergelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking dient te worden beslist. Tegen de beslissing op het verzoek staat, gelet op het gesloten stelsel van rechtsbescherming, dan ook geen bezwaar en beroep open.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard en wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden niet toegekomen.

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht niet bij voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek van 25 augustus 2016 heeft beslist. Daarnaast is in geschil of de Inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom terecht heeft afgewezen.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbenden concluderen, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep en vaststelling van een door de Inspecteur verbeurde dwangsom.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De brief van 25 augustus 2016 kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de inhoudingen van loonbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De brief voldoet immers aan de eisen die in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan een bezwaarschrift worden gesteld. Het bezwaarschrift is echter ruim na afloop van de voor ieder tijdvak geldende bezwaartermijn ingediend. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de executeur in verzuim is geweest, zijn gesteld noch gebleken. Derhalve is het in de brief van 25 augustus 2016 gemaakte bezwaar, en het daarmee samenhangende verzoek om een dwangsom, niet-ontvankelijk. De Inspecteur heeft in zijn beslissing van 12 januari 2017 verzuimd het bezwaarschift en het verzoek om een dwangsom niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien de Rechtbank in haar uitspraak hieraan ten onrechte is voorbijgegaan, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en op het bezwaarschift en het verzoek om een dwangsom alsnog beslissen wat de Inspecteur had behoren te beslissen.

7.2.1.

Een bezwaarschrift dat wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk is, wordt naar vast beleid van de Belastingdienst in behandeling genomen als een verzoek tot het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting (§ 23, lid 7 aanhef en onderdeel c van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht). De Inspecteur heeft beslist dat, gelet op vorenvermelde inhoud van de brief van 12 januari 2017, het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt.

7.2.2.

Omdat een beslissing op een verzoek tot het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting niet bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt gegeven en evenmin behoort tot een van de andere in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) genoemde categorieën van ingevolge de belastingwet genomen besluiten of daarmee gelijkgestelde handelingen, staat daartegen ingevolge het zo-even genoemde artikel geen beroep bij de bestuursrechter open en kan daartegen, gelet op artikel 7:1, aanhef, van de Awb, evenmin bezwaar worden gemaakt.

7.2.3.

Aangenomen moet worden dat in dat geval evenmin beroep bij de belastingrechter openstaat tegen een met het nemen van dat besluit samenhangende beschikking inzake een dwangsom. Of het besluit op een verzoek om ambtshalve teruggave een beschikking op aanvraag is als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Awb, is in dit verband niet van belang (vgl. HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42).

7.2.4.

Voor zover het beroep van belanghebbenden is gericht tegen de ambtshalve genomen beslissing van de Inspecteur heeft de Rechtbank, gelet op het in 7.2.2 en 7.2.3 overwogene, het beroep van belanghebbenden terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Slotsom

7.3.

Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht met toepassing van het Besluit proceskosten bestuurrecht. Nu de executeur één van de erfgenamen en daarmee zelf één van de vijf belanghebbenden is, komt één vijfde deel van de op de voet van het BPB berekende kosten van door een derde verleende rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking. Het Hof stelt de aan de (vier) erfgenamen, niet zijnde de executeur, toe te kennen vergoeding van kosten van rechtsbijstand op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.603,20 (€ 2.004 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 501 x 1 (gewicht van de zaak)) x 4/5). Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten hebben gemaakt.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbenden het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de inhoudingen van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de beslissing op het verzoek om toekenning van een dwangsom en de beslissing op het verzoek om ambtshalve teruggave van ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de inhoudingen van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het verzoek tot toekenning van een dwangsom niet-ontvankelijk;

- verklaart het verzoek om ambtshalve teruggave van ingehouden loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.603,20, en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 20 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. Van Leijenhorst.

aangetekend aan partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.