Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3953

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
22-002275-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als medeorganisator samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een partij cocaïne van 1243,5 kg in Nederland. Het betrof een partij cocaïne die vanuit de Dominicaanse Republiek werd verscheept naar de haven van Antwerpen. De Belgische autoriteiten hebben de cocaïne, die verborgen zat in een container onderschept en deze in beslag genomen. Daarnaast is de verdachte betrokken geweest bij het transport van die cocaïne vanuit Antwerpen naar Nederland.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002275-13

Parketnummer: 10-960033-12

Datum uitspraak: 7 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1964,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 december 2017 en 24 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 februari 2012 op de Westerschelde, althans binnen de territoriale wateren van Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2011 tot en met 10 februari 2012 te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een loods ([x] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en/of

- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest en voorts dat het hof bij eindarrest de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 februari 2012 op de Westerschelde, althans binnen de territoriale wateren van Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2011 tot en met 10 februari 2012 te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- een loods ([x] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en/of

- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering en bespreking van de verweren

Het hof kan zich grotendeels verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Het hof zal deze overwegingen dan ook voor het merendeel overnemen, maar ook aanvullen en waar nodig aanpassen.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven - dat er onvoldoende bewijs is om de ping-naam ‘[naam]’ aan de verdachte te koppelen.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1]] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn, nu zij beiden in hun verklaringen bij de raadsheer-commissaris zijn teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaringen bij de politie.

Feitelijke vaststellingen

Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 22 januari 2012 een container met als kenmerk [x] vanuit de haven Caucedo (Dominicaanse Republiek) met de MS Cap Patton werd verzonden naar de haven van Antwerpen met als consignee en te verwittigen partij: [y]. In deze container werden door de Belgische douaneautoriteiten op 6 februari 2012 27 tassen aangetroffen, inhoudende 1.100 pakken cocaïne met een totaal gewicht van 1.243,5 kg. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] vóór de inbeslagname door de Belgische autoriteiten op 6 februari 2012 betrokken waren bij de invoer van deze container. Daarnaast blijken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] betrokken – op 10 februari 2012 – bij het voorbereiden en bevorderen van het vervoer van de cocaïne vanuit de haven van Antwerpen naar Nederland.

De verdachte was al ruim vóór het moment dat de container op transport naar Antwerpen werd gesteld betrokken bij de invoer van de cocaïne op Nederlands grondgebied op 3 februari 2012, te weten de Westerschelde. Dit blijkt uit de verklaring van de mededader. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij al op tweede kerstdag 2011 door de verdachte werd benaderd met het verzoek behulpzaam te zijn bij het aanzoeken van een Nederlandse chauffeur om een busje te rijden. Dit verzoek zou de verdachte in de tweede week van januari 2012 hebben herhaald, daaraan toevoegend dat [medeverdachte 1] “verder geen vragen moest stellen”.

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder van verdachte’s betrokkenheid bij het voorbereiden en het bevorderen van het transport van de verdovende middelen vanuit Antwerpen naar Krimpen aan den IJssel en de overdracht aldaar aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 10 februari 2012. Dit blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot ontmoetingen met de verdachte op donderdag 9 februari en vrijdag 10 februari 2012, maar ook uit de getapte ping-berichten. Op 10 februari 2012 onderhoudt de mededader [medeverdachte 5] ping-contact met een gebruiker met de ping-naam ‘naam’. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze laatste gebruiker informeert naar en op de hoogte is van het vervoer van verdovende middelen van Antwerpen naar Nederland. Uit het telefoongesprek op 10 februari 2012 om 20.34 uur tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en het daarop volgende ping-bericht van [medeverdachte 5] om 20.37 uur aan ‘[naam]’ blijkt dat deze laatste door [medeverdachte 5] als volgt wordt geïnformeerd: “Onderweg nu”.

Ping-naam ‘[naam]’

Het hof stelt vast dat een BlackBerry met als ping-naam ‘[naam]’ en met Nederlandstalige berichten is aangetroffen in de auto waarin als inzittenden [persoon], mededader [medeverdachte 4] en de verdachte zijn aangetroffen. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat [persoon] de Nederlandse taal niet machtig is. Derhalve is het onwaarschijnlijk dat hij de eigenaar was van de BlackBerry. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat voornoemde BlackBerry toebehoorde aan [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] gebruikte tijdens de bewuste autorit de pingnaam “My wife” (bericht 20:40:19 uur). Het is niet aannemelijk dat hij tijdens deze rit in een aantal aaneengesloten pingcontacten ook gebruik heeft gemaakt van de pingnaam “[naam]”, dus van verschillende pingnamen.

Naar het oordeel van het hof kan het dus niet anders dan dat de derde inzittende, te weten de verdachte, op 10 december 2012 om 20:41:69 uur de gebruiker van de BlackBerry met de ping-naam ‘[naam]’ is geweest.

Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Het enkele feit dat iemand bij de raadsheer-commissaris een andere verklaring aflegt of een eerdere politieverklaring intrekt, maakt niet dat die eerdere verklaring om die reden onbetrouwbaar is. Er kunnen immers meerdere redenen zijn waarom iemand al dan niet gedeeltelijk op eerdere verklaringen terugkomt.

Het komt ook voor dat verklaringen worden aangepast als gevolg van beïnvloeding van anderen. Dit klemt nog meer nu het hof ambtshalve bekend is dat in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3], nadat hij is komen vastzitten, ernstige schriftelijke bedreigingen zijn geuit aan zijn adres. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben naar het oordeel van het hof geen duidelijke en overtuigende uitleg hebben gegeven waarom zij bij de politie een onjuiste verklaring zouden hebben afgelegd.

Tegen die achtergrond ziet het hof geen reden aan de juistheid van de verklaringen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de politie hebben afgelegd te twijfelen.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen of daarbij behulpzaam te zijn of daartoe gelegenheid of middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen en voorwerpen of vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als medeorganisator samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een partij cocaïne van 1243,5 kg in Nederland. Het betrof een partij cocaïne die vanuit de Dominicaanse Republiek werd verscheept naar de haven van Antwerpen. De Belgische autoriteiten hebben de cocaïne, die verborgen zat in een container onderschept en deze in beslag genomen. Daarnaast is de verdachte betrokken geweest bij het transport van die cocaïne vanuit Antwerpen naar Nederland.

Door aldus te handelen heeft de verdachte zich op het terrein begeven van de grootschalige handel in verdovende middelen. Het in georganiseerd verband smokkelen van een dergelijke hoeveelheid cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en dient krachtig bestreden te worden. Als deze partij niet zou zijn onderschept, zou deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Met de internationale handel in harddrugs wordt veel criminele winst behaald. De verdachte heeft klaarblijkelijk gehandeld uit geldelijk gewin en zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het op de markt brengen van cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten (randcriminaliteit).

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Hoewel de door de advocaat-generaal gevorderde straf, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, het hof niet ongepast voorkomt, acht het hof het gelet op het tijdsverloop niet opportuun een hogere straf op te leggen dan thans feitelijk uitgezeten. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu tussen het aanvangen van de termijn van de berechting in hoger beroep op 13 mei 2013 en het eindarrest op 7 februari 2018 4 jaar en ongeveer 9 maanden zijn verstreken. Dit maakt dat de redelijke termijn met 2 jaar en ongeveer 9 maanden is overschreden.

Gelet op het vorenstaande zal het hof deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest opleggen.

Gelet op het vorenstaande behoeft de vordering tot bevel gevangenneming geen bespreking.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 56 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2018.