Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3950

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
BK-18/00362
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:326, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:513
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verzorgde de opvang van de kinderen van zijn dochter. Voor zijn werkzaamheden ontving belanghebbende een vergoeding bestaande uit (een deel van) de door de dochter ontvangen kinderopvangtoeslag. De dochter van belanghebbende heeft in 2014 een bedrag van € 25.209 aan kinderopvangtoeslag terugbetaald aan de Belastingdienst welk bedrag zij voorafgaand aan de terugbetaling heeft ontvangen van belanghebbende. Belanghebbende heeft een deel van voormeld bedrag als negatieve inkomsten opgenomen in zijn aangifte IB/PVV 2014. Naar het oordeel van het Hof kan het door belanghebbende aan zijn dochter betaalde bedrag niet in aanmerking worden genomen als negatieve inkomsten. Belanghebbende heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de betaling in causaal verband staat tot de door hem verrichte werkzaamheden. Het Hof acht aannemelijk dat de betaling voortvloeit uit de familiale verhouding tussen belanghebbende en zijn dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/1957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00362

Uitspraak van 7 november 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2018, nummer SGR 17/2928, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.830. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 560 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 september 2018. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is in 2003 begonnen met de opvang van de kinderen van zijn dochter.

3.2.

Belanghebbende heeft zijn dochter benaderd en gemeld dat zij kinderopvangtoeslag kon aanvragen. Belanghebbende heeft voorts het initiatief genomen om samen met zijn dochter een afspraak te maken bij het gastouderbureau [D] (het Gastouderbureau). Vervolgens zijn op 1 februari 2009 twee overeenkomsten gesloten:

1. een overeenkomst voor kinderopvang tussen Vraagouder, zijnde de dochter van belanghebbende, en het Gastouderbureau; en

2. een overeenkomst voor kinderopvang tussen Vraagouder en Gastouder, zijnde belanghebbende.

3.3.

Belanghebbende heeft de van het Gastouderbureau voor het gastouderschap ontvangen bedragen steeds als resultaat uit overige werkzaamheden in zijn aangiften IB/PVV opgenomen.

3.4.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 23 juli 2014, nr. 201308852/1/A2, geoordeeld dat de dochter geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 en dat de Belastingdienst/Toeslagen deze aanspraak derhalve terecht op nihil heeft gesteld.

3.5.

De dochter heeft daarop in 2014 een bedrag van € 25.209 aan de Belastingdienst/Toeslagen terugbetaald.

3.6.

Het bedrag van € 25.209 heeft de dochter voorafgaande aan de terugbetaling van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende heeft een deel van voormeld bedrag (€ 20.894) in de aangifte IB/PVV 2014 opgenomen als negatieve inkomsten.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen.

"(…)

Geschil
6. In geschil is het antwoord op de vraag of het bedrag van € 25.209 dat [belanghebbende] aan zijn dochter heeft betaald aftrekbaar is als negatieve inkomsten op het resultaat uit overige werkzaamheden. [Belanghebbende] beantwoordt deze vraag bevestigend en [de Inspecteur] ontkennend.

Beoordeling van het geschil

7. Vast staat - en tussen partijen is zulks ook niet in geschil - dat de inkomsten die [belanghebbende] heeft genoten in verband met de werkzaamheden die hij in het kader van de kinderopvang heeft verricht in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en daarom terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in de belastingheffing zijn betrokken.

8. De vraag die dan moet worden beantwoord is of het aan de dochter terugbetaalde bedrag ten nauwste verband houdt met de werkzaamheden om als negatieve inkomsten in aanmerking te kunnen worden genomen. Volgens [belanghebbende] is aan dat causale verband voldaan aangezien hij de verplichting had het bedrag aan zijn dochter terug te betalen. Zijn betoog komt er op neer dat de dochter vanaf 2009 best wilde meewerken aan het aanvragen van kinderopvangtoeslag en via het gastouderbureau (gedeeltelijke) doorbetaling daarvan aan [belanghebbende] om daarmee inkomen te verwerven, maar dat de dochter zich van aanvang aan op het standpunt heeft gesteld dat [belanghebbende] het bedrag zou moeten terugbetalen indien de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag om welke reden dan ook zou terugvorderen.

9. Allereerst merkt de rechtbank op dat pas in beroep ter zitting door [belanghebbende] bij monde van de gemachtigde het standpunt wordt ingenomen dat sprake is van een sinds 2009 bestaande afspraak tussen hem en zijn dochter zoals opgenomen onder 8. In de brief van [belanghebbende] van 18 september 2016 aan de Belastingdienst is van een terugbetalingsverplichting echter nog geen sprake. Immers in die brief betoogt [belanghebbende] omstandig dat de Hoge Raad (Rb.: bedoeld zal zijn de ‘Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’) hem had ‘geadviseerd’ dat hij het bedrag aan zijn dochter moest terugbetalen en hij het bedrag waarover belasting was betaald dan in zijn aangifte kon terugvorderen. Dit omdat de Belastingdienst daar dan geen recht meer op had. Aangezien [belanghebbende] het bedrag rechtstreeks van het gastouderbureau had ontvangen moest hij het bedrag daarom terugbetalen aan de dochter om zo het bedrag te kunnen aflossen en het in zijn aangifte in aanmerking te kunnen nemen. Wat daarvan verder ook zij, enige sinds 2009 bestaande afspraak over een terugbetalingsverplichting van [belanghebbende] jegens zijn dochter is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat dan ook - bij gebreke van enig schriftelijk nader bewijs van zijn stelling - voorbij aan hetgeen de dochter daarover ter zitting heeft verklaard en hetgeen [belanghebbende] daarover nog zou kunnen verklaren. Nu een verplichting tot terugbetaling ontbreekt is er ook geen aanleiding negatieve inkomsten in aanmerking te nemen en dient ervan te worden uitgegaan dat de terugbetaling voortvloeit uit de familiaire verhouding tussen betrokkenen.

10. Dat laatste maakt dat ook indien wel aannemelijk zou zijn gemaakt dat sprake is van een op [belanghebbende] rustende terugbetalingsverplichting, het voor negatieve inkomsten noodzakelijke verband tussen de werkzaamheden en de terugbetalingsverplichting ontbreekt. Nog daargelaten dat [belanghebbende] het bedrag aan de dochter en niet aan het gastouderbureau heeft betaald, hetgeen gelet op artikel 16 van de overeenkomst tussen de dochter en het gastouderbureau niet voor de hand ligt, stelt de rechtbank vast dat [belanghebbende] daadwerkelijk werkzaamheden in het economisch verkeer heeft verricht en daarvoor is betaald. Er is daarom feitelijk geen enkele aanleiding tot enige terugbetaling. De terugbetalingsverplichting vloeit veeleer voort uit de persoonlijke (familie)verhouding tussen [belanghebbende] en diens dochter en heeft dan niet zoveel van doen met de verrichte werkzaamheden. Het is aldus een besteding van het inkomen en geen negatieve inkomst.

11. Gelet op het vorenstaande kan van aftrek van € 25.209 op het inkomen van [belanghebbende] in 2014 geen sprake zijn.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.

In geschil is of het bedrag dat belanghebbende aan zijn dochter heeft betaald in aanmerking kan worden genomen als negatieve inkomsten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

5.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, kan het door belanghebbende aan de dochter betaalde bedrag in aanmerking worden genomen als negatieve inkomsten indien deze betaling in causaal verband staat met de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. Het is aan belanghebbende om feiten en/of omstandigheden te stellen en in geval van betwisting aannemelijk te maken die tot het oordeel leiden dat de betaling in causaal verband staat tot de verrichte werkzaamheden.

6.2.

In dit verband wijst belanghebbende (nogmaals) op een mondelinge overeenkomst met zijn dochter, inhoudende dat in het geval de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van zijn dochter terugvordert, hij dit bedrag aan zijn dochter zal betalen. De Inspecteur betwist dat een mondelinge overeenkomst bestaat tussen belanghebbende en zijn dochter.

6.3.

Wat er ook zij van het bestaan van een mondelinge overeenkomst tussen belanghebbende en zijn dochter, de Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende niet bereid zou zijn geweest om een dergelijke overeenkomst aan te gaan met een willekeurige derde. Daarvan uitgaande acht het Hof het aannemelijk dat de betaling voortvloeit uit de familiale verhouding tussen belanghebbende en zijn dochter. Het bedrag dat belanghebbende aan zijn dochter heeft betaald is derhalve niet aftrekbaar als negatieve inkomsten op het resultaat uit overige werkzaamheden.

Slotsom

6.4.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 7 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.