Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3943

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.180.287/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Beëindiging verzekering door tussentijdse opzegging. Proportionaliteitstoets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.180.287/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/485214/ HA ZA 15-355

Arrest van 20 februari 2018

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: NN,

advocaat: mr. C.E. Crol te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 3 november 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 30 september 2015.

Bij tussenarrest van 1 december 2015 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden op 3 februari 2016. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven gericht tegen het bestreden vonnis, onder overlegging van één productie.

Bij memorie van antwoord met één productie heeft Nationale Nederlanden de grieven van [appellant] bestreden.

Vervolgens hebben partijen hun zaak op 8 januari 2018 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities.

Ten slotte is arrest bepaald. Het hof doet recht op de met het oog op de pleidooien overgelegde kopiestukken.

De beoordeling van het geschil

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.16 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Deze feiten zullen hierna onder 1.1 tot en met 1.14 worden samengevat en waar nodig worden aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan.

1.1.

[appellant] heeft bij NN een woonhuisverzekering en inboedelverzekering

afgesloten (hierna: de verzekeringsovereenkomsten) voor de hem in eigendom toebehorende

woning aan [adres] (hierna: de woning).

1.2.

Op de onder 1.1. genoemde verzekeringen zijn de polisvoorwaarden Perfect-Extra woonhuisverzekering, Polismantel E.W.2 (hierna: de polisvoorwaarden woonhuis) en de polisvoorwaarden PP 0000-01 ZekerheidsPakket Particulieren (hierna: de polisvoorwaarden ZPP) van toepassing.

1.3.

In de polisvoorwaarden woonhuis is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘(…)

Artikel 10 Verplichtingen van verzekerde

Verzekerde is op straffe van verlies van zijn rechten uit de polis verplicht:

(…)

b. de maatschappij zo spoedig mogelijk alle van belang zijnde gegevens en bescheiden te verstrekken;

(…)

e. de aanwijzingen van de maatschappij op te volgen;

f. zijn volle medewerking aan de schaderegeling te geven en zich te onthouden van alles wat de belangen van de maatschappij zou kunnen schaden.

(…)

Artikel 15 Uitkering

De maatschappij heeft het recht na vaststelling van de schade naar herbouwwaarde eerst een uitkering te doen van 50% van de naar herbouwwaarde berekende schadevergoeding (…), de uitkering van het eventuele restant zal plaatsvinden nadat herstel of herbouw is voltooid, met dien verstande dat de totale schade-uitkering niet meer zal bedragen dan de daarvoor werkelijk bestede kosten.

(…)

Artikel 16 Betaling

a. De verschuldigde schadevergoeding zal worden voldaan binnen vier weken na ontvangst door de maatschappij van alle noodzakelijk gegevens.

De maatschappij is niet eerder dan na verloop van genoemde termijn tot nakoming van haar verplichting tot betaling van de schadevergoeding gehouden.

(…)

Artikel 29 Einde van de verzekering

De verzekering eindigt:

(…)

e. zodra verzekerde met betrekking tot de melding en/of behandeling van een schade opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken geeft of een onware opgave doet en de maatschappij op grond hiervan de verzekering opzegt.

(…)’

1.4.

Voor zover hier van belang is in de polisvoorwaarden ZPP het volgende opgenomen:

‘Deze polisvoorwaarden gelden voor alle verzekeringen die in het ZekerheidsPakket Particulieren zijn opgenomen en vormen één geheel met de polisvoorwaarden van die verzekeringen.

Bij verschil tussen de polisvoorwaarden per verzekering en deze polisvoorwaarden gelden de polisvoorwaarden per verzekering.

(…)

Artikel 8.4 Ontbinding

Een in de ZPP opgenomen verzekering eindigt door een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring die is gebaseerd op een tekortkoming in het nakomen van verplichtingen die uit die verzekering voortvloeien. Dit geldt alleen indien de tekortkoming het ontbinden van die verzekeringsovereenkomst rechtvaardigt.

Als gerechtvaardigde gronden voor ontbinding door verzekeraar worden in elk geval de hierna genoemde omstandigheden beschouwd.

a. Opzet tot misleiding van verzekeraar door of namens verzekeringnemer of verzekerde.

(…)

d. Weigering door verzekeringnemer om in redelijkheid zorg te dragen voor en/of bij te dragen aan het nemen van door verzekeraar aangegeven maatregelen als genoemd in Hoofdstuk wijziging van het risico onder ‘Risicobeperking’ van de polisvoorwaarden per verzekering.’

1.5.

Zowel omstreeks 15 september 2013 als op 13 oktober 2013 is er na hevige regenval waterschade ontstaan in het souterrain van de woning. [appellant] heeft van beide schades melding gemaakt bij NN. Bij de melding van de als eerste ontstane schade (hierna ook: de eerste schade) heeft [appellant] een herstelofferte van Loodgietersbedrijf [naam] & Co (hierna: [naam]) te Rotterdam gevoegd van € 845 exclusief BTW (zijnde € 909,95 inclusief BTW). Na de melding van de als tweede ontstane schade (hierna ook: de tweede schade) heeft NN het souterrain leeg laten pompen en een aannemer ingeschakeld die de tweede schade heeft hersteld.

1.6.

Bij brief van 8 november 2013 heeft NN met betrekking tot de eerste schade aan [appellant], samengevat, medegedeeld dat zij 50% van de begrote schade en derhalve € 454,98 vergoedt – hetgeen zij vervolgens ook heeft gedaan – en de claim verder zal behandelen na ontvangst van de definitieve nota.

1.7.

Op 17 november 2013 heeft [appellant] een e-mailbericht aan NN verzonden waarin hij verzoekt om het restantbedrag aan hem over te maken. In dat e-mailbericht is een schermafbeelding opgenomen van een verzendopdracht in een internetbankieromgeving van een bedrag van € 845 van zijn rekening naar een bankrekening ten name van [naam] met als uitvoeringsopdracht ‘direct’. Deze betaling heeft vervolgens niet plaatsgevonden. [appellant] had op dit moment nog geen opdracht gegeven aan [naam] om de herstelwerkzaamheden te verrichten en hij is ook nadien daartoe niet overgegaan.

1.8.

Bij brief van 17 januari 2014 heeft NN, onder verwijzing naar de schadebegroting van € 845, de betaalde vergoeding van € 454,98 en het e-mailbericht van [appellant] van 17 november 2013, aan [appellant] meegedeeld dat zij graag een kopie van de definitieve herstelnota van [naam] en een kopie van het originele bankafschrift ontvangt en dat zij na ontvangst daarvan de schade verder in behandeling zal nemen. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

“Op 17 november 2013 ontvingen wij van u per mailbericht het verzoek om aanvullend het restant van de herstelkosten te vergoeden. Als bewijs van betaling voegt u bij het mailbericht een bankafschrift waarin staat omschreven dat door u aan [naam] en CO een bedrag van

€ 845,00 is betaald.”

1.9.

[appellant] heeft niet op deze brief gereageerd. Bij brief van 12 februari 2014 heeft

NN haar verzoek herhaald. Daarbij is in die brief onder meer het volgende vermeld:

“Volledigheidshalve wijzen wij u op artikel 10 van de EW2 polisvoorwaarden waarin is bepaald dat een verzekerde op straffe van verlies van zijn rechten uit de polis onder andere verplicht is:

- de maatschappij zo spoedig mogelijk alle van belang zijnde gegevens en bescheiden te

verstrekken,

- de aanwijzingen van de maatschappij stipt op te volgen,

- zijn volle medewerking aan de schaderegeling te geven en zich onthouden van alles wat de

belangen van de maatschappij zou kunnen schaden.”

1.10.

Onder verwijzing naar voormelde brief van 17 januari 2014 heeft [appellant] in een e‑mailbericht van 16 februari 2014 aan NN laten weten dat hij geen gehoor kan geven aan het verzoek, waarbij hij ter motivering verwijst naar zijn problematische privéomstandigheden op dat moment. De moeder van [appellant] heeft NN bij brief van 22 maart 2014 nogmaals gewezen op de privéomstandigheden van [appellant].

1.11.

Op 26 maart 2014 heeft de heer [X] van NN [appellant] gebeld en hem enkele vragen gesteld over het herstel van de eerste schade en de betaling van de nota. [appellant] heeft tijdens dit telefoongesprek onder meer aangegeven dat de eerste schade nog niet was hersteld en dat hij de factuur van [naam] niet heeft betaald.

1.12.

Bij brief van 10 april 2014 heeft NN aan [appellant] medegedeeld dat is gebleken dat er ten aanzien van de eerste schade geen herstelwerkzaamheden door [naam] hebben plaatsgevonden en dat door [appellant] ook geen betaling aan dat bedrijf is gedaan. NN concludeert dat [appellant] met het e‑mailen van het overboekingsbewijs de indruk heeft willen geven dat hij een bedrag van € 845 aan [naam] had overgemaakt in verband met verrichte herstelwerkzaamheden en daarmee bewust onjuiste informatie heeft verstrekt om het restantbedrag te ontvangen. NN deelt, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen in de polisvoorwaarden, mee dat zij hieraan de volgende gevolgen verbindt: (i) er zal geen aanvullende schadevergoeding worden verleend, (ii) terugvordering van het reeds uitgekeerde bedrag, (iii) de eenzijdige beëindiging van de verzekeringsovereenkomsten, (iv) de vermelding van de gegevens van [appellant] in de gebeurtenissenadministratie en in het incidentenregister van NN en (v) vermelding van de gegevens van [appellant] in het Extern Verwijzingsregister alsmede (vi) het informeren van het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: het CBV) van het Verbond van Verzekeraars van de registratie in het incidentenregister.

1.13.

De verzekeringsovereenkomsten zijn door NN (tussentijds) beëindigd per 11 april 2014.

1.14.

NN heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het door haar gehouden incidentenregister te handelen met inachtneming van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (versie 3 maart 2011, hierna: het Protocol).

3. [appellant] vordert in deze procedure de veroordeling van NN, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. om de beëindiging per 11 april 2014 van de verzekeringsovereenkomsten ongedaan te maken en de verzekeringspolissen van [appellant] aldus te herstellen binnen tien dagen na de datum van betekening van dit vonnis, één en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor elke dag of gedeelte van een dag dat NN nalatig is aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000, althans dat het de rechtbank behage die voorzieningen te treffen die zij in goede justitie geraden acht;

  2. om de registratie van [appellant] in de gebeurtenissenadministratie en het incidentenregister van NN te beëindigen en de gegevens van [appellant] hieruit te verwijderen per de datum van betekening van de uitspraak, één en ander op straffe van een dwangsom als onder a. vermeld;

  3. om de registratie van [appellant] in het Extern Verwijzingsregister te laten beëindigen en de gegevens van [appellant] hieruit te laten verwijderen per de datum van betekening van dit vonnis, één en ander op straffe van een dwangsom als onder a. vermeld;

  4. om de registratie van [appellant] bij CBV te laten beëindigen en de gegevens van [appellant] te laten verwijderen per de datum van betekening van dit vonnis, één en ander op straffe van een dwangsom als onder a. vermeld;

  5. in de proceskosten.

4. Aan zijn vorderingen heeft [appellant], kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft aan NN geen onjuiste informatie verstrekt en heeft NN zeker niet opzettelijk misleid. [appellant] heeft in het e-mail bericht van 17 november 2013 geen onjuiste informatie gegeven. Hij heeft slechts verzocht om betaling van het restantbedrag en een betaalopdracht in de e-mail gekopieerd. NN heeft dit blijkbaar verkeerd geïnterpreteerd. Daarbij komt dat de beslissing van NN de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan; [appellant] is als gevolg van de verrichte registraties onverzekerbaar geworden. Ook hebben deze registraties ernstige gevolgen voor het verkrijgen van een financiering bij banken en andere financiële instellingen. De registratie bij het CBV beperkt [appellant] bovendien in zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

5. NN heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant].

6. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Hiertegen richten zich de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.

7. De centrale kwestie die partijen (ook) in hoger beroep verdeeld houdt, is of [appellant] bij de afhandeling van de waterschade onjuiste informatie aan NN heeft verstrekt met de opzet om NN te misleiden en, zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn.

8. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat vast is komen staan dat [appellant] NN opzettelijk heeft misleid in voornoemde zin. Het hof maakt het desbetreffende oordeel, als vervat in rov. 4.3 tot en met 4.7 van het eindvonnis, tot het zijne en voegt hier het navolgende aan toe.

9. In zijn email bericht van 17 november 2013 heeft [appellant] verzocht om betaling van het restantbedrag en daarin heeft hij een printscreen van een betaalopdracht gekopieerd. Dit betalingsverzoek en de genoemde printscreen wekken onmiskenbaar de indruk dat [appellant] de werkzaamheden van [naam] betaald had. De printscreen duidt immers op overmaking van een bedrag van € 845, hetgeen overeen komt met de hoogte van de offerte van [naam] (exclusief BTW). Naar als onbetwist vast staat, was van betaling feitelijk geen sprake, waren de werkzaamheden nog niet verricht en was er zelfs nog geen opdracht aan [naam] verleend. Dit samenstel van feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat [appellant] NN op het verkeerde been heeft willen zetten ten aanzien van zijn recht op uitkering van het restantbedrag. [appellant] vraagt in de bedoelde e-mail met zoveel woorden om betaling daarvan (“zou het restantbedrag ook betaald kunnen worden? alvast bedankt.”), terwijl hij op dat moment zelfs nog geen opdracht aan [naam] had verstrekt. Anders dan [appellant] kennelijk meent, is voor opzet tot misleiding niet vereist dat NN daadwerkelijk was misleid of dat de kans daarop groot was. Het uitgangspunt dat NN alleen overgaat tot betaling van de andere helft van de schade indien de definitieve nota wordt overgelegd, is dan ook niet van belang.

10. Het hof acht de uitleg van [appellant] dat hij het restantbedrag alvast aan [naam] had willen voorschieten om de reparatie van de lekkage te bespoedigen niet aannemelijk, nu niet valt in te zien waarom hij dan - in geval van spoed - niet al mondeling of schriftelijk opdracht aan [naam] zou hebben gegeven om tot reparatie over te gaan (op basis van de beschikbare offerte) en daartoe een datum met [naam] zou hebben afgesproken. Daar komt nog bij dat [appellant] ook na de bedoelde email aan NN geen opdracht aan [naam] heeft gegeven om de reparatiewerkzaamheden (met spoed) te verrichten. Verder staat als onweersproken vast dat [appellant] op 17 november 2013 de brief van NN van 8 november 2013 ontvangen had, waarin hem was verzocht om een definitieve herstelnota, alvorens het restantbedrag zou worden uitbetaald. Het hof acht niet aannemelijk dat [appellant] de inhoud of betekenis van deze brief niet meer goed voor ogen zou hebben gehad, nu deze korte brief ten tijde van het betalingsverzoek nog van recente datum was en in niet mis te verstane bewoordingen is opgesteld. Bovendien valt niet in te zien waarom [appellant], als hij louter een (tweede) vooruitbetaling van NN wilde om het herstel van de lekkage te versnellen, hij dat dan niet als zodanig aan NN had kunnen vragen, in plaats van het voor te doen alsof hij [naam] al volledig betaald had. Dat [appellant] destijds in moeilijke (familie)omstandigheden verkeerde doet aan al het voorgaande niet af.

11. [appellant] stelt nog dat hij op 2 december 2013 een brief aan NN heeft verzonden (waarvan hij een kopie heeft overgelegd), met de mededeling dat vanwege administratieve problemen enkele betalingen niet goed zijn gegaan. NN betwist echter dat zij deze brief ontvangen heeft. De bewijslast daarvan rust op [appellant] en [appellant] heeft ter zake geen (gespecificeerd) bewijsaanbod heeft gedaan dat voldoet aan de hieraan in hoger beroep te stellen eisen. Deze brief zal daarom verder niet bij de beoordeling worden betrokken.

12. Nu het hof met de rechtbank van oordeel is dat [appellant] het bewuste betalingsverzoek aan NN heeft gedaan met de opzet NN te misleiden, is de vraag aan de orde welke gevolgen dit moet hebben. Vast staat dat NN de registratie van [appellant] in het externe verwijzingsregister van CIS inmiddels heeft laten verwijderen na een hernieuwde proportionaliteitstoets, zodat dit onderdeel van de vordering van [appellant] (die hij in hoger beroep als zodanig niet heeft gewijzigd) geen bespreking meer behoeft. Daarnaast heeft NN bij de bespreking van de zaak ten pleidooie, toegezegd dat zij ook de registratie van [appellant] bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminalteit (CBV) zal laten verwijderen. Het hof gaat ervan uit dat NN dit binnen bekwame tijd zal doen, zodat [appellant] (ook) geen belang meer heeft bij bespreking van dit onderdeel van het gevorderde. Ten aanzien van de registratie van [appellant] in de gebeurtenissenregistratie en het incidentenregister van NN geldt dat de hiervoor bedoelde opzettelijke misleiding naar het oordeel van het hof voldoende grond oplevert voor deze registraties en [appellant] overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarom dit (uitgaande van opzettelijke misleiding) anders zou zijn.

13. Aldus resteert de vraag of de onderhavige opzettelijke misleiding de beëindiging van de tussen partijen bestaande verzekeringsovereenkomsten rechtvaardigt. Te dien aanzien overweegt het hof als volgt.

14. Anders dan NN mogelijk meent (conclusie van antwoord onder 4.1. en 4.18), geldt voor het nemen van de verstrekkende maatregel van beëindiging van de onderhavige verzekeringsovereenkomsten (ook) een proportionaliteitstoets. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 7:940 lid 3 BW (laatste volzin), dat ingevolge art. 7:943 lid 2 BW van dwingend recht is. De verzekeraar kan volgens bedoelde bepaling slechts tussentijds opzeggen op de in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd. De verzekeraar zal in dit verband zorgvuldig moeten overwegen of de omstandigheden voldoende ernstig zijn om opzegging te rechtvaardigen en moeten nagaan of in redelijkheid geen minder ingrijpende maatregel kan worden gevonden die evenzeer recht doet aan de belangen van beide partijen. Het hof is van oordeel dat de verstrekkende maatregel van beëindiging van de beide verzekeringsovereenkomsten, bezien in het licht van alle relevante feiten en omstandigheden, niet evenredig is aan de zwaarte van de onderhavige gebeurtenis, dat wil zeggen de opzettelijke misleiding door [appellant]. Daartoe is het volgende redengevend.

15. Het gaat hier om een eenmalig incident. [appellant] is, naar als onweersproken vast staat, circa 20 jaar bij NN verzekerd geweest zonder dat gesteld of gebleken is dat zich eerder een incident heeft voorgedaan. Verder staat vast dat [appellant], nadat NN hem om nadere uitleg had gevraagd over de gang van zaken rond de reparatie van de waterschade, niet gepersisteerd heeft in de misleiding, maar heeft medegedeeld dat [naam] nog niet betaald was en dat aan [naam] (nog) geen opdracht was verstrekt. Daarnaast betreft het hier een daadwerkelijke (water)schade in een woning, waarvan de omvang bovendien niet in geschil is en waarbij [appellant] als particuliere verzekerde (consument) in beginsel recht had op betaling van het bewuste (restant)bedrag, zij het pas na indiening van de definitieve nota van [naam]. Verder is van belang dat hier geen sprake is geweest van vervalsing of manipulatie van stukken of andere gegevensdragers, maar van het opwekken van de schijn van betaling door indiening van een op zichzelf niet vervalste printscreen van een betalingsopdracht (die echter niet is uitgevoerd). Bovendien gaat het bij deze verkeerde voorstelling van zaken om een vrij laag bedrag (het restantbedrag van de offerte van [naam], dat wil zeggen de helft van € 845 exclusief BTW). Tot slot is van belang dat NN niet heeft bestreden, dat [appellant] bij het afsluiten van nieuwe verzekeringen zal moeten vermelden dat hem verzekeringen zijn opgezegd om de door NN gehanteerde redenen, hetgeen in de praktijk er toe leidt dat [appellant] slechts tegen een hoge premie bij een gespecialiseerde verzekeraar dekking kan verkrijgen. Het grote belang van [appellant] bij de voortzetting van de verzekeringen is daarmee gegeven.

16. In het licht van dit alles, heeft NN naar het oordeel van het hof niet genoegzaam toegelicht waarom zij direct is overgegaan tot de zwaarste maatregel (beëindiging van de beide verzekeringsovereenkomsten), en waarom het nemen van een minder zware maatregel, zoals een schriftelijke waarschuwing en/of een verhoogd eigen risico (eventueel in combinatie met registratie van [appellant] in een of meer registers als voormeld) niet toereikend was, althans niet van NN kon worden gevergd. De enkele (algemene) stelling dat NN er op moet kunnen vertrouwen dat de verzekerde haar juiste en zo volledig mogelijke informatie verstrekt en dat NN hoofdzakelijk afhankelijk is van haar verzekerden voor wat betreft het verstrekken van gegevens, volstaat hiertoe niet.

17. Ter comparitie in eerste aanleg heeft Nationale Nederlanden nog aangevoerd dat het niet meewerken aan een spoedige afhandeling van de schade ook als ontbindingsgrond voor de verzekering geldt, dit ingevolge artikel 8.4 onder d van de polisvoorwaarden (de polisvoorwaarden ZPP, hof). Nu Nationale Nederlanden het niet tijdig meewerken aan een spoedige afhandeling van de schade niet (mede) aan haar besluit tot beëindiging ten grondslag heeft gelegd (het hof verwijst naar de brief van Nationale Nederlanden van 10 april 2014), is dit argument echter tardief. Overigens leest het hof een dergelijke verplichting niet in de bedoelde polisvoorwaarde en acht het hof deze beëindigingsgrond hoe dan ook onvoldoende gezien de problematische privéomstandigheden waarin [appellant] destijds verkeerde, welke (niet dan wel onvoldoende betwist; vergelijk onderdeel 4.10 conclusie van antwoord) van dien aard waren dat zij een spoedige afhandeling van de schade in de weg hebben gestaan.

18. De bewijsaanbiedingen over en weer dienen als te vaag (nu zij onvoldoende duidelijk zijn betrokken op toereikend geconcretiseerde stellingen) dan wel niet ter zake dienende (nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven) te worden gepasseerd.

19. Het hof komt tot de slotsom dat NN ten onrechte is overgegaan tot beëindiging van de beide verzekeringsovereenkomsten en dat de vordering van [appellant] tot het ongedaan maken van die beëindiging toewijsbaar is (overigens is ten pleidooie gebleken dat [appellant] tot nu toe geen nieuwe verzekeringen heeft afgesloten).

20. Met vernietiging van het bestreden vonnis, zal de vordering tot het ongedaan maken van de beëindiging van de verzekeringsovereenkomsten en tot het (ongewijzigd) herstellen van de verzekeringspolissen alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat de daarbij gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum gebonden, als na te melden.

21. Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof in deze zaak aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren, als hierna vermeld.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 september 2015, en opnieuw recht doende:

- veroordeelt NN om de beëindiging per 11 april 2014 van de onderhavige verzekeringsovereenkomsten ongedaan te maken en de verzekeringspolissen van [appellant] aldus te herstellen binnen 10 dagen na de datum van betekening van dit arrest, één en ander op straffe van een dwangsom van € 100 voor elke dag of gedeelte van een dag dat NN nalatig is aan de veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000;

- verstaat dat NN de melding bij het CBV binnen bekwame tijd ongedaan zal maken;

- compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, D.A. Schreuder en M.Tj. Bouwes, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.