Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3939

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
000428-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer is van oordeel dat de stelling van de verzoekers dat mr. Heutink de zaak schriftelijk in plaats van ter zitting (in raadkamer) af zou willen doen, berust op een misvatting en derhalve onjuist is. Het hof wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 000428-18
Rolnummer hoofdzaak : K17/230261

Datum beslissing : 4 april 2018

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de beklagzaak van :

[verzoeker 1] en [verzoekster 2],

wonende op het adres [adres],

hierna te noemen: de verzoekers.

Het geding

1. In de (eerste) beklagzaak ex artikel 13 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), inhoudende een door de verzoekers ingediend beklag tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissement Amsterdam om geen verzoekschrift ex artikel 510 Sv in te dienen tegen [a], [b] en [c] en een onbekend gebleven griffier bij de rechtbank Amsterdam, onder klachtnummer 16/0681, heeft op 10 februari 2017 bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een zitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. G. Mintjes, met als griffier mr. F.A.A.M. van der Veen, zitting had.

2. Naar aanleiding van het proces-verbaal dat van deze zitting van 10 februari 2017 is opgemaakt, hebben de verzoekers op 22 mei 2017 aangifte gedaan tegen mrs. Mintjes en Van der Veen wegens het plegen van valsheid in geschrifte. Nadat de officier van justitie, mr. J.R. Klunder, kenbaar heeft gemaakt dat er naar zijn oordeel geen aanwijzing is van een redelijk vermoeden van een gepleegd strafbaar feit, hebben de verzoekers op 16 juni 2017 wederom een klaagschrift ex artikel 13 Sv ingediend.

3. In deze (tweede) beklagzaak ex artikel 13 Sv heeft (onder andere) op 10 januari 2018 onder zaaknummer K17/230261 bij het Gerechtshof te Amsterdam een zitting van de raadkamer plaatsgevonden, alwaar mr. M.J.G.B. Heutink (hierna: mr. Heutink) als raadsheer-commissaris zitting had.

4. Bij brief van 13 februari 2018 hebben de verzoekers een schriftelijk verzoek tot wraking gedaan van mr. Heutink.

5. Bij beslissing van 19 maart 2018 heeft de wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ de wrakingszaak op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke Organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit gerechtshof.

6. Mr. Heutink heeft in een schriftelijke reactie d.d. 3 april 2018 medegedeeld niet in de wraking te berusten.

7. De verzoekers hebben bij faxbericht van 3 april 2018 verzocht om aanhouding van de behandeling van de wrakingszaak, op de grond dat de verzoekers de beslissing willen afwachten op de door hen op 30 maart 2018 bij het Gerechtshof Amsterdam ingediende klacht tegen de raadsheren en de griffier van de wrakingskamer die op 19 maart 2018 de beslissing tot verwijzing van de wrakingszaak naar het Gerechtshof te Den Haag hebben genomen, en op de grond dat de raadsheren van de behandelende wrakingskamer bij het Gerechtshof Den Haag zich voorafgaand aan de wrakingszitting zouden kunnen voorstellen. De wrakingskamer heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, zoals hierna zal worden toegelicht.

8. De wrakingskamer heeft de verzoeken op 4 april 2018 ter zitting behandeld, waar de advocaat-generaal mr. D. Jeras het standpunt van het openbaar ministerie uiteen heeft gezet. De verzoekers zelf zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen. Evenmin is mr. Heutink ter zitting verschenen.

Beoordeling van het aanhoudingsverzoek

9. De wrakingskamer is van oordeel dat de redenen die de verzoekers ten grondslag hebben gelegd aan het aanhoudingsverzoek, zoals nader onder punt 7 omschreven, geen aanleiding geven om het verzoek te honoreren, aangezien een beslissing op voormelde klacht los staat van de afwegingen die de wrakingskamer in het wrakingsverzoek, gericht tegen mr. Heutink, moet maken. Het aanhoudingsverzoek zal daarom – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – worden afgewezen.

Het wrakingsverzoek

10. De verzoekers hebben het wrakingsverzoek gegrond op de stelling dat zij het vertrouwen in mr. Heutink hebben verloren vanwege de opeenstapeling van handelingen, welke handelingen als volgt kunnen worden samengevat:

- de verzoekers hebben een brief d.d. 4 december 2017 van het Gerechtshof te Amsterdam ontvangen waar, anders dan aangegeven, geen verslag van de advocaat-generaal e.a. was bijgesloten;

- tijdens de inzage in het dossier door de verzoekers bleek het betreffende verslag niet in het dossier te zitten;

- de verzoekers hebben het betreffende verslag vóór de zitting van 10 januari 2018 niet ontvangen; er bleek een zitting te hebben plaatsgevonden, terwijl mr. Heutink had aangegeven dat de zitting niet zou doorgaan; klagers hebben toch een proces-verbaal van deze zitting gekregen;

- op 15 januari 20118 is de verzoekers verzocht om verhinderdata op te geven, terwijl het verslag nog niet naar de verzoekers was verzonden;

- mr. Heutink wil de procedure nu schriftelijk in plaats van ter zitting afdoen.

Op basis van het voorgaande is volgens de verzoekers geen sprake meer van het vertrouwen dat mr. Heutink tot een onpartijdig en onafhankelijke beslissing zou komen.

11. Mr. Heutink heeft bij schriftelijke reactie d.d. 3 april 2018 laten weten dat zij niet in de wraking berust. Zij heeft voorts aangegeven – kort en zakelijk weergegeven – dat de veronderstelling dat na het toesturen van het verslag en ambtsbericht geen behandeling ter zitting (in raadkamer) meer zou volgen onjuist is en dat de geboden mogelijkheid schriftelijk te reageren los staat van een inhoudelijke behandeling in raadkamer. In (eerdere) brieven van de administratie stond ten onrechte vermeld dat het verslag en ambtsbericht zijn bijgevoegd. Van vooringenomenheid is geen sprake.

12. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te

worden afgewezen, nu - kort gezegd – geen sprake is van vooringenomenheid dan wel van een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

13. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden

vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die

een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de

verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker

dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

14. Ten aanzien van de door de verzoekers genoemde stelling dat mr. Heutink de procedure schriftelijk in plaats van ter zitting zou willen afdoen stelt de wrakingskamer op grond van het proces-verbaal raadkamerbehandeling d.d. 10 januari 2018 vast dat de raadsheer-commissaris mr. Heutink op die zitting heeft medegedeeld: “ (…) dat de behandeling van de zaak geen doorgang vindt, aangezien het verslag nog niet binnen is. Dit verslag zal na ontvangst direct aan klagers worden toegestuurd, waarop zij desgewenst binnen twee weken schriftelijk kunnen reageren. Tevens zal dan opnieuw een datum voor de behandeling van het klaagschrift worden vastgesteld. Klagers verklaren zich bereid schriftelijk aan het hof hun verhinderdata voor de komende twee maanden door te geven.”

15. Gelet op het voorgaande en de schriftelijke reactie van mr. Heutink, zoals weergegeven onder punt 11, is de wrakingskamer van oordeel dat de stelling van de verzoekers dat mr. Heutink de zaak schriftelijk in plaats van ter zitting (in raadkamer) af zou willen doen, berust op een misvatting en derhalve onjuist is.

16. Evenmin blijkt uit de overige door de verzoekers aangevoerde omstandigheden, die voornamelijk zien op administratieve tekortkomingen die mr. Heutink niet kunnen worden aangerekend, dat sprake is van enige aanwijzing dat mr. Heutink jegens de verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoekers dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

16. Gelet op het bovenstaande dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hierna

weergegeven.

Beslissing

Het hof:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoekers, de genoemde raadsheer en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is op 4 april 2018 gegeven door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville,

W.M.G. Visser en E.C. van Veen, in aanwezigheid van de griffier mr. J. van der Vegte.