Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3934

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
200.175.333/02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de plaatsingsopdracht had geïntimeerde redelijkerwijs moeten begrijpen dat dezelfde werkzaamheden vier achtereenvolgende keren zouden worden verricht en dat elke keer € 2.245,50 verschuldigd was. De vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.175.333/02

Zaaknummer rechtbank : 3448234 CV EXPL 14-8227

arrest van 24 april 2018

inzake

Triple P B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

appellante,

hierna te noemen: Triple P,

advocaat: mr. A.J.A. van Dijk te Almere,

tegen

[naam] , h.o.d.n. [het café] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: voorheen mr. M.J. Goedhart te Rotterdam, thans niet meer in rechte vertegenwoordigd.

Het geding

Bij exploot van 8 juli 2015 is Triple P in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 april 2015, door de rechtbank Rotterdam team kanton, locatie Dordrecht gewezen tussen partijen.

Het hof heeft bij tussenarrest van 20 oktober 2015 een comparitie van partijen gelast op 17 december 2015. Triple P heeft op 16 december 2015 om uitstel van de comparitie verzocht, welk uitstel door het hof is verleend. Vervolgens is een nieuwe datum voor een comparitie van partijen bepaald, te weten 25 februari 2016. Mr. M.J. Goedhart heeft zich daags voor de zitting onttrokken als advocaat van [geïntimeerde] . De comparitie van partijen heeft niet plaatsgevonden.

De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 8 maart 2016 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [geïntimeerde] . Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [geïntimeerde] , noch op 8 maart 2016, noch daarna.

Bij memorie van grieven van 4 juli 2017 heeft Triple P tegen het vonnis van de rechtbank een grief aangevoerd.

Vervolgens heeft Triple P op 17 oktober 2017 de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Door de rechtbank zijn geen feiten vastgesteld, zodat het hof dat alsnog zal doen.

2. Tussen partijen staat het volgende vast.

a. [geïntimeerde] heeft in 2011 een ‘plaatsingsopdracht’ aan Triple P verstrekt. Ter bevestiging van deze opdracht heeft Triple P [geïntimeerde] bij brief van 4 juli 2011 als volgt bericht:

‘Conform ons telefonisch onderhoud, treft u hierbij de besproken plaatsingsopdracht aan.

(…)

Product: [Project Z] !

(…)

Totaalprijs: € 2254,50 (excl. BTW)

Frequentie: 4 keer

(…)

Oplage: 1000 stuks per keer

(…) Wij verzoeken u dit formulier te controleren, en wanneer alles conform uw eisen en wensen is, verzoeken wij u deze ten bewijze van akkoord en dus van totstandkoming van een overeenkomst aan ons te retourneren. Let op, dit betreft een tweede opdracht bij Triple P. Bovengenoemde totaalprijs geldt volgens afspraak per keer. (…)

b. In 2011 heeft Triple P voor haar werkzaamheden een bedrag in rekening gebracht, dat [geïntimeerde] heeft betaald.

c. In 2012 heeft Triple P een factuur gestuurd. Deze is door [geïntimeerde] door middel van een betalingsregeling voldaan.

d. In 2013 heeft Triple P aan [geïntimeerde] wederom een factuur, gedateerd 2 september 2013, gestuurd. [geïntimeerde] heeft deze factuur niet voldaan.

3. In deze procedure vordert Triple P betaling van € 6.523,26 met de wettelijke rente over € 5.455,89 vanaf de dag van dagvaarding. Triple P legt aan haar vordering ten grondslag dat zij uit hoofde van de opdracht van 4 juli 2011 voor [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht, dat zij [geïntimeerde] hiervoor de factuur van 2 september 2013 van € 5.456,89 heeft gestuurd en dat [geïntimeerde] deze factuur onbetaald heeft gelaten. Zij heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt van € 647,79 en de tot de dag van dagvaarding vervallen wettelijke rente bedraagt € 419,58, aldus Triple P.

4. Bij vonnis van 23 april 2015 heeft de kantonrechter de vordering van Triple P als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

5. In hoger beroep heeft Triple P – onder overlegging van zes producties – aangevoerd dat de opdracht van [geïntimeerde] aan Triple P bestond uit het vervaardigen en verspreiden van een promotiekaart in A5-formaat met advertentie van [het café] , het café van [geïntimeerde] . Dit werd volgens Triple P gedaan onder de naam ‘ [Project Z] ’. Deze promotiekaart werd tezamen met een kunststof tafeldisplay en een met speeltjes gevulde cadeaudoos verspreid onder diverse kinderinstellingen, aldus Triple P. Zij heeft een foto van deze cadeaudoos overgelegd. Voorts heeft zij een tekstontwerp voor de advertentie, een afbeelding van het eindresultaat van de promotiekaart en een aantal verzendbescheiden overgelegd.

6. Uit de plaatsingsopdracht van 4 juli 2011 blijkt dat Triple P en [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat de prijs € 2.245,50 bedraagt, dat de frequentie vier keer is en dat de prijs volgens afspraak per keer geldt. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] hieruit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dezelfde werkzaamheden vier achtereenvolgende keren zouden worden verricht en dat elke keer € 2.245,50 verschuldigd was. Dat [geïntimeerde] de opdracht ook in die zin heeft begrepen, vindt steun in de omstandigheid dat hij, naar hij in eerste aanleg ter zitting heeft verklaard, de facturen uit 2011 en 2012 heeft voldaan. Volgens de omschrijving op de factuur van 2 september 2013 heeft deze betrekking op de derde en vierde uitvoering. Uit de door Triple P overgelegde verzendbewijzen (productie 6) blijkt dat in verschillende maanden in 2013 poststukken zijn verstuurd naar ziekenhuizen (afdeling kindergeneeskunde). Op deze verzendbewijzen staat – net zoals op de plaatsingsopdracht van 4 juli 2011 – ‘ [Project Z] ’ vermeld. Triple P heeft daarmee haar stelling dat zij uit hoofde van de opdracht van 4 juli 2011 in 2013 werkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft verricht, voldoende onderbouwd. Het voorgaande brengt mee dat de grief van Triple P, waarin zij opkomt tegen het oordeel dat haar vordering onvoldoende is onderbouwd, slaagt.

7. Vervolgens dient het hof de in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde, door de rechtbank verworpen verweren opnieuw te beoordelen. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de plaatsingsopdracht uit 2011 een eenmalige opdracht betrof, welk verweer de rechtbank heeft opgevat als een beroep op dwaling (artikel 6:228 BW). De rechtbank heeft dit verweer verworpen op de grond dat niet is gebleken dat Triple P een onjuiste mededeling heeft gedaan of haar informatieplicht heeft geschonden, nu uit de plaatsingsopdracht van 4 juli 2011 kan worden opgemaakt dat het geen eenmalige opdracht betrof. Het hof is evenwel, anders dan de rechtbank, van oordeel dat dit verweer oneigenlijke dwaling betreft: de verkeerde voorstelling van zaken heeft immers betrekking op de strekking van de afgelegde verklaring. Dit verweer is hiervoor onder 6 reeds besproken en verworpen. Zoals overwogen heeft [geïntimeerde] uit de plaatsingsopdracht redelijkerwijs moeten begrijpen dat dezelfde werkzaamheden vier achtereenvolgende keren zouden worden verricht en dat elke keer € 2.245,50 verschuldigd was.

8. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd. De gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar.

Triple P heeft haar stelling dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt niet (voldoende) onderbouwd, evenmin als het bedrag van de gestelde kosten. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

9. Het bovenstaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vordering wordt toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar. Naar Triple P stelt, bedraagt de wettelijke rente tot de dag der dagvaarding € 419,58. [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan Triple P te betalen een bedrag van in totaal € 5.875,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.455,89 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. Het hof ziet aanleiding de kosten van de eerste aanleg te compenseren. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van 23 april 2015, door de rechtbank Rotterdam team kanton, locatie Dordrecht tussen partijen gewezen;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan Triple P te betalen een bedrag van € 5.875,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.455,89 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Triple P tot op heden begroot op € 808,63 aan verschotten en € 632,-- aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, M. Flipse en M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. M. Flipse.