Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:391

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
22-003669-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Urineren in politiecel. Onbruikbaar maken als bedoeld in art. 350 Sr. Uit ECLI:NL:HR:2017:26 volgt dat een politiecel op de vloer waarvan is geürineerd vanaf dat moment totdat er is schoongemaakt niet kan worden gebruikt voor het doel waarvoor deze is bestemd en dat daarmee sprake is van onbruikbaarheid als bedoeld in art. 350 Sr. In die opvatting is de onbruikbaarheid van de cel een gegeven en doet daaraan niet af dat de verdachte vervolgens in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemend dwangmiddel nog enige tijd na constatering van de onbruikbaarheid in de cel heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002669-17

Parketnummer: 09-063635-17

Datum uitspraak: 13 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1977 te [geboorteplaats] (Marokko),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 225,-, met aftrek van voorarrest, subsidiair 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 april 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een ophoudcel van politiebureau Segbroek, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de politie/politiebureau Segbroek heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door opzettelijk in die ophoudcel te urineren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 225,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, met aftrek van € 25,- voor de tijd die door de verdachte in verzekering is doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 april 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een ophoudcel van politiebureau Segbroek, datie geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de politie/politiebureau Segbroek, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door opzettelijk in die ophoudcel te urineren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte primair bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is van (tijdelijk) ‘onbruikbaar maken’ van de ophoudcel. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte uit zijn ophoudcel is gehaald en - nadat was geconstateerd dat er in de ophoudcel was geürineerd - daarin weer is teruggeplaatst zonder dat de ophoudcel tussentijds is schoongemaakt, zodat deze cel kennelijk niet als onbruikbaar werd beschouwd. Bovendien wordt een politiecel na gebruik altijd schoongemaakt voordat een ander in de cel wordt geplaatst, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof wordt het primaire standpunt door de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt overweegt het hof als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van ‘onbruikbaar maken’ in de zin van art. 350, eerste lid, Sr sprake is als een voorwerp in een toestand wordt gebracht waardoor het voorwerp niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd. Daaraan behoeft niet af te doen dat de onbruikbaarmaking van beperkte duur is en herstel in het gebruik zonder noemenswaardige kosten of inspanning mogelijk is (vgl. HR 19 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2883, NJ 1998/857).

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:26) is het hof van oordeel dat het subsidaire standpunt van de raadsman, inhoudende dat in casu geen sprake is van (tijdelijk) onbruikbaar maken in de zin van artikel 350 Sr, niet kan worden aanvaard. Immers volgt uit voormeld arrest van de Hoge Raad dat het oordeel dat een politiecel op de vloer waarvan is geürineerd vanaf dat moment totdat er is schoongemaakt niet kan worden gebruikt en dat daarmee sprake is van onbruikbaarheid als bedoeld in artikel 350 Sr. niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In die opvatting is de onbruikbaarheid van de cel een gegeven en doet daaraan niet af dat de verdachte vervolgens in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemend dwangmiddel nog enige tijd na constatering van de onbruikbaarheid in de cel heeft doorgebracht.

Daarmee wordt het subsidiaire standpunt van de raadsman, dat het hof niet noopt tot beantwoording van vragen rond de wijze van tenuitvoerlegging van het vrijheidsbenemend dwangmiddel, verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een ophoudkamer van politiebureau Segbroek door in die ophoudkamer te urineren.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete, met aftrek van voorarrest volgens de in het dictum te vermelden maatstaf een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 50,00 (vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 februari 2018.