Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:389

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
BK-17/00698
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:6356, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:883
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, aldus begrijpt het Hof, in geschil of de aanslag en de beschikking belastingrente terecht zijn opgelegd, hetgeen volgens belanghebbende niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/518
V-N 2018/20.1.3
Viditax (FutD), 07-03-2018
FutD 2018-0656
Viditax (FutD), 08-06-2018
NTFR 2018/1017
NLF 2018/0641 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00698

Uitspraak van 23 januari 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , Spanje, belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 7 juni 2017, nummer SGR 16/8955, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.937. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 759 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen voormelde aanslag en beschikking afgewezen.

1.3.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 december 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij woonde tot [… 1] 2012 in Nederland en heeft zich vervolgens metterwoon in Spanje gevestigd.

3.2.

Belanghebbende heeft op 16 juli 2013 aangifte IB/PVV 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.978 waarin begrepen een uitkering van € 29.820 op grond van de Ziektewet (ZW). In de aangifte heeft belanghebbende ten aanzien van het bedrag van € 30.978 verzocht dit niet in de heffing te betrekken ter voorkoming van dubbele belasting. Tevens heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van de PVV over de ZW-uitkering.

3.3.

Volgens de loonopgave van het UWV bedraagt de ZW-uitkering € 31.937. De Inspecteur heeft met dagtekening 26 november 2015 de aanslag IB/PVV vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen van € 31.937.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“8 Voor zover [belanghebbende] bedoelt te stellen dat het onderscheid tussen WIA en ZW onrechtmatig is, kan hem dit niet baten. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen schrijft voor dat de rechter volgens de wet recht moet spreken: de rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.

9. Aangezien [belanghebbende] zich slechts in algemene bewoordingen (kennelijk) tegen de aanslag keert, zal de rechtbank beoordelen of de ZW-uitkering terecht in de aanslag IB/PVV is betrokken. [Belanghebbende] woonde van [… 2] januari 2012 tot [… 2] maart 2012 in Nederland en daarna in Spanje. Op grond van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wet IB 2001 zijn belastingplichtig voor de inkomstenbelasting de natuurlijke personen die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlands belastingplichtigen). Op grond van artikel 2.5 kon [belanghebbende] kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht. Hij heeft hier in zijn aangifte niet voor gekozen.

10. Ingevolge artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 kan Nederland volgens nationaal recht de ZW-uitkering in de heffing betrekken. Voor belastingheffing in het onderhavige geval is vereist dat het heffingsrecht volgens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, van 20 september 1972 (het Verdrag) is toegewezen aan Nederland.

11. Het Verdrag kent geen sociaalzekerheidsartikel. Artikel 16, eerste lid, van het Verdrag wijst het heffingsrecht over lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen toe aan het land waar de dienstbetrekking wordt uitgeoefend. Het Verdrag bevat geen definitie van wat onder loon dient te worden verstaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 2 van het Verdrag dient alsdan te worden teruggegrepen op hetgeen de nationale wetgeving daaronder verstaat. Terzake bepaalt de Nederlandse wetgeving in artikel 3.81 Wet IB 2001, juncto artikel 10, eerste lid. Wet loonbelasting 1964, dat onder loon wordt verstaan al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de ZW-uitkering als loon verkregen ter zake van een dienstbetrekking. De ZW-uitkering hangt ten nauwste samen met de door [belanghebbende] in Nederland in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en is hem verleend in verband met het tijdelijk wegens ziekte niet kunnen verrichten van die arbeid. Het heffingsrecht over de ZW-uitkering komt, aangezien de uitzondering opgenomen in het tweede lid niet van toepassing is, ingevolge artikel 16 van het Verdrag aan Nederland toe.

12. Dit is in lijn met hetgeen is opgenomen in het besluit van 8 oktober 1996, nr. IFZ/906M, V-N 1996, blz. 4384:

"Ziektewetuitkeringen

Ziektewetuitkeringen volgen het verdragsregime van de inkomsten uit dienstbetrekking of dat van directeursbeloningen, omdat ze in de plaats treden van de beloning die door de werknemer of directeur zou zijn genoten. In dit verband zij verwezen naar de uitspraak van het Hof Amsterdam van 21 maart 1986, nr. 1781/84, opgenomen in het Vakstudie Nieuws van 14 februari 1987, punt 8. Kent het desbetreffende belastingverdrag een aparte verdragsbepaling voor sociale verzekeringsuitkeringen c.q. sociale zekerheidsuitkeringen, dan hangt het van de formulering van-die bepaling af of op ziektewetuitkeringen die bepaling van toepassing is of het dienstbetrekkingartikel of het directeurenartikel."

13. Artikel 11 van de Verordening 883/2004 bepaalt in welk land [belanghebbende] sociaal verzekerd is:

"1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

2. Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regel geldt niet voor uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of aan nabestaanden, prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten, of prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd."

14. Gelet op deze bepaling in samenhang met de Nederlandse sociale zekerheidsbepalingen heeft [de Inspecteur] terecht premie volksverzekeringen over de ZW-uitkering geheven.

15. Het beroep is mede gericht tegen de belastingrente. De bepalingen omtrent het in rekening brengen van belastingrente zijn opgenomen in artikel 30 fc en artikel 30 hb van de Algemene wet inzake rijksbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is de belastingrente op juiste wijze berekend en terecht in rekening gebracht.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd over de volgens [belanghebbende] trage en onduidelijke handelwijze van [de Inspecteur], kan niet tot een ander oordeel leiden.”

Geschil en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep is, aldus begrijpt het Hof, in geschil of de aanslag en de beschikking belastingrente terecht zijn opgelegd, hetgeen volgens belanghebbende niet het geval is.

5.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de ZW-uitkering terecht in de heffing van IB en PVV is betrokken en dat de belastingrente op een juist bedrag is berekend.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert, aldus begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de beschikking belastingrente.

6.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

7.1.

Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de zaak door de algemene bestuursrechter dient te worden behandeld en niet door de belastingrechter geldt het volgende. Indien beroep bij de belastingrechter openstaat, staat geen beroep bij de algemene bestuursrechter open (artikel 8.6 van de Algemene wet bestuursrecht, tekst 2012). Het geschil betreft in casu een aanslag IB/PVV en een beschikking belastingrente. Ter zake daarvan kan beroep bij de belastingrechter worden ingesteld (artikel 26, lid 1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen). Dit brengt mee dat de algemene bestuursrechter in dezen niet bevoegd is (vgl. HR 5 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6423, BNB 2010/167). Het beroep is derhalve terecht door de belastingrechter behandeld.

7.2.

Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat strikte toepassing van de regelgeving onredelijk of onbillijk is, overweegt het Hof dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet. De rechter mag ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen beoordelen. Belanghebbende heeft zijn stellingen ter zitting aldus toegelicht dat het gehele bestuurssysteem in Nederland faalt waardoor hem tal van zaken onmogelijk worden gemaakt. Belanghebbende noemt als één van de vele voorbeelden het opbouwen van de door hem gewenste relatie met zijn kind. Dienaangaande geldt dat het bestuurssysteem als zodanig niet door de belastingrechter kan worden getoetst. De belastingrechter kan in deze zaak, die een aanslag IB/PVV betreft, wél de rechtmatigheid van deze aanslag beoordelen.

7.3.

Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank “alleen maar is geset in de regels van belastingen”. De Rechtbank heeft, naar ’s Hofs oordeel terecht, overwogen dat belanghebbende zich slechts in algemene bewoordingen tegen de aanslag IB/PVV keert. Dit zo zijnde heeft de Rechtbank, naar ’s Hofs oordeel terecht gelet op het onder 7.2 overwogene inzake de taak van de belastingrechter, getoetst of de ZW-uitkering terecht in de aanslag IB/PVV is betrokken en of de beschikking belastingrente juist is vastgesteld. De Rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval is. In hoger beroep herhaalt belanghebbende grotendeels zijn in beroep aangevoerde - algemene - klachten.

7.4.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat de aanslag en beschikking terecht zijn opgelegd. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank ter zake tot de zijne en voegt daaraan toe dat het derde lid van artikel 11 van de Verordening 883/2004, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:

a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

(…)”

Het Hof leidt hieruit af dat de werkstaat Nederland bevoegd is tot heffing van premie volksverzekeringen over de ZW-uitkering. Al hetgeen belanghebbende overigens aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom

7.4.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8.2.

Evenmin is er aanleiding de Inspecteur te gelasten griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.