Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3794

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
22-000378-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan verkrachting van twee jonge vrouwen. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Tevens is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest en gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000378-17

Parketnummer: 10-651019-16

Datum uitspraak: 22 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,

thans gedetineerd in [rijksinrichting voor Jongens].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 24 augustus 2017, 14 december 2017 en 8 februari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel) opgelegd. Omtrent de vordering van de benadeelde partij is beslist als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 13 mei 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans éénmaal (telkens)

brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van zijn mededader in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer 1];

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- op slot draaien van de deur en/of

- ( daarbij) (dreigend) toevoegen aan die [slachtoffer 1] van de woorden: "Ik heb tijd voor je vrijgemaakt" en/of "Hou je mond" en/of "Anders ga je zonder tas en telefoon weg en met een blauw oog" en/of "We hebben geld, als je hier blijft dan geven we geld" en/of "Je moet met ons naar bed. Daarna doen we de deur open", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] en/of duwen tegen de schouder van die [slachtoffer 1] en/of

- uittrekken en/of naar beneden trekken van de broek en/of onderbroek, in elk geval een of meer kledingstukken van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken van het hoofd en/of duwen van het hoofd van die [slachtoffer 1] naar zijn, verdachtes, penis en/of

- tegenhouden van die [slachtoffer 1] en/of

- ( daardoor) een situatie creëren als gevolg waarvan die [slachtoffer 1] zich niet (langer) tegen (verdergaande) sexuele handelingen kon verzetten;

2.
hij op of omstreeks 22 januari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, althans éénmaal (telkens)

brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van zijn mededader in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2]; het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- op slot draaien van de deur en/of voor die [slachtoffer 2] gaan staan en/of

- ( daarbij) (dreigend) toevoegen aan die [slachtoffer 2] van de woorden: "Je weet niet wie ik ben. Iedereen kent mij. Je moet respect voor mij hebben. Ik heb in de gevangenis gezeten. Ik heb ergere dingen gedaan dan dit." en/of "Je gaat eerst wat doen voor je weg mag" en/of "Je gaat pijpen en seks hebben" en/of "Anders ben je hier morgenochtend nog en worden je ouders ongerust", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- duwen van die [slachtoffer 2] en/of

- uittrekken van het shirt en/of de bh van die [slachtoffer 2], in elk geval een of meer kledingstukken van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] woordelijk toevoegen dat zij haar broek uit moet trekken en/of

- ( daardoor) een situatie creëren als gevolg waarvan die [slachtoffer 2] zich niet (langer) tegen (verdergaande) sexuele handelingen kon verzetten;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 22 januari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortejaar] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans éénmaal (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van zijn mededader in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer 2].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 13 mei 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen, althans éénmaal (telkens)

brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van zijn mededader in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer 1];

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- op slot draaien van de deur en/of

- ( daarbij) (dreigend) toevoegen aan die [slachtoffer 1] van de woorden: "Ik heb tijd voor je vrijgemaakt" en/of "Hou je mond" en/of "Anders ga je zonder tas en telefoon weg en met een blauw oog" en/of "We hebben geld, als je hier blijft dan geven we geld" en/of "Je moet met ons naar bed. Daarna doen we de deur open", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] en/of duwen tegen de schouder van die [slachtoffer 1] en/of

- uittrekken en/of naar beneden trekken van de broek en/of onderbroek, in elk geval een of meer kledingstukken van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken van het hoofd en/of duwen van het hoofd van die [slachtoffer 1] naar zijn, verdachtes, penis en/of

- tegenhouden van die [slachtoffer 1] en/of

- ( daardoor) een situatie creëren als gevolg waarvan die [slachtoffer 1] zich niet (langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten;

2.
hij op of omstreeks 22 januari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, althans éénmaal (telkens)

brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of de penis van zijn mededader in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2];

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- op slot draaien van de deur en/of voor die [slachtoffer 2] gaan staan en/of

- ( daarbij) (dreigend) toevoegen aan die [slachtoffer 2] van de woorden: "Je weet niet wie ik ben. Iedereen kent mij. Je moet respect voor mij hebben. Ik heb in de gevangenis gezeten. Ik heb ergere dingen gedaan dan dit." en/of "Je gaat eerst wat doen voor je weg mag" en/of "Je gaat pijpen en seks hebben" en/of "Anders ben je hier morgenochtend nog en worden je ouders ongerust", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- duwen van die [slachtoffer 2] en/of

- uittrekken van het shirt en/of de bh van die [slachtoffer 2], in elk geval een of meer kledingstukken van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] woordelijk toevoegen dat zij haar broek uit moet trekken en/of

- ( daardoor) een situatie creëren als gevolg waarvan die [slachtoffer 2] zich niet (langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – primair betoogd dat de verdachte van de hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd - aangevoerd dat de seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden, dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en voorts dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van de aangeefsters dat de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde geweld.

Het hof overweegt als volgt.

De aangeefsters [slachtoffer 1][slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kennen elkaar niet en hebben afzonderlijk van elkaar uitgebreid en gedetailleerd verklaard over seksuele handelingen die onder dwang van dezelfde verdachten jegens hen hebben plaatsgevonden, op verschillende data in de eerste helft van het jaar 2016. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, acht het hof de door hen afgelegde verklaringen betrouwbaar. Naar het oordeel van het hof ondersteunen de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer voor wat betreft de aard van de seksuele handelingen die door de verdachte en de medeverdachte zijn gepleegd, alsmede voor wat betreft de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die handelingen hebben plaatsgevonden. Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat het in beide zaken ging om seks die plaatsvond tussen twee jongens en één meisje, terwijl het meisje de jongens niet of nauwelijks kende en van de aanwezigheid van een tweede jongen tevoren niet op de hoogte was. De seksuele handelingen hebben in beide gevallen in de woning van de (mede)verdachte plaatsgevonden, met de deur op slot, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte in beide zaken middels woorden en gedrag een soortgelijke bedreigende situatie hebben doen ontstaan.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat de deur niet op slot zat, maar met een haakje dichtzat en met slechts een vinger kon worden opengemaakt, overweegt het hof nog het volgende. Ook als van deze stelling van de verdediging wordt uitgegaan, is het hof van oordeel dat de voordeur zodanig was afgesloten dat de aangeefsters daardoor niet vrij naar buiten konden gaan zonder daar door verdachte of de medeverdachte van af te worden gehouden. Het hof wordt in dat oordeel gesterkt door de omstandigheid dat aangeefster [slachtoffer 1] is bedreigd met de woorden: "Je moet met ons naar bed. Daarna doen we de deur open" en met “doe maar gewoon want dan doen we de deur voor je open” en dat “ze moest stoppen met tegenstribbelen, anders zouden ze de deur niet openen”.

Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - is voldaan. Deze vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1216).

In dat verband acht het hof met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde tevens van belang dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem had verteld dat zij – kort gezegd – was gedwongen om seks te hebben met twee jongens. De getuige heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem heeft gebeld toen ze de deur (het hof begrijpt: van de woning van de verdachte) uitliep. [slachtoffer 1] was aan het huilen en rennen en vertelde dat ze was verkracht.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is van belang dat de getuige [getuige 2], de moeder van aangeefster [slachtoffer 2], heeft verklaard dat [slachtoffer 2] thuiskwam, op de bank is gaan zitten en gelijk begon te huilen. [slachtoffer 2] vertelde dat er iets ergs was gebeurd. [slachtoffer 2] was zichzelf niet. Ze was in een soort shock. Daarnaast heeft de getuige [getuige 3], een vriendin van aangeefster, verklaard dat [slachtoffer 2] haar belde toen ze de woning van de verdachte uit was en dat [slachtoffer 2] huilde toen ze vertelde wat er was gebeurd. [slachtoffer 2] was heel erg geshockeerd. De getuige merkte dat [slachtoffer 2] anders was dan normaal.

Naar het oordeel van het hof bieden voornoemde getuigenverklaringen in voldoende mate steun voor de respectievelijke verklaringen van de aangeefsters, nu de inhoud van deze bewijsmiddelen niet slechts te herleiden is tot de eigen verklaringen van de aangeefsters. Immers houden deze verklaringen daarnaast de door de getuigen waargenomen (hevige) emoties van de aangeefsters naar aanleiding van het tenlastegelegde in.

Het hof verwerpt het primaire verweer.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de verdediging overweegt het hof dat het bewezen verklaarde duwen van de aangeefsters en het uittrekken of trekken aan kledingstukken moet worden gekwalificeerd als ‘geweld’, zodat ook het subsidiaire verweer wordt verworpen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste

gelegde feiten heeft begaan, waarbij het hof ten slotte nog overweegt dat aan de overtuiging dat de seksuele handelingen niet in vrijwilligheid hebben plaatsgevonden meewerkt dat [slachtoffer 2] tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft beschreven hoe zij de seksuele handelingen heeft beleefd. Namelijk dat zij – kort gezegd – in een trance raakte en dat het lijkt alsof zij het gebeurde door de ogen van iemand anders heeft zien gebeuren. Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard dat aangeefster haar vertelde dat ze in trance raakte. Het hof acht een dergelijke beschrijving kenmerkend voor een traumatische gebeurtenis.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van verkrachting.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan verkrachting van twee jonge vrouwen. De verdachte en zijn medeverdachte hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verkrachtingen moeten voor de slachtoffers heel erg vernederend en traumatisch zijn geweest.

De verdachte heeft bijzonder ernstige strafbare feiten gepleegd. Hij heeft alleen oog gehad op het bevredigen van zijn eigen seksuele behoeften, ten koste van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Slachtoffers van verkrachting hebben vaak nog lange tijd last van wat hun is overkomen. Dit blijkt ook uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2].

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorende rapportages:

  • -

    Een briefrapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 augustus 2017, opgesteld door L. Pesulima, raadsonderzoeker.

  • -

    Een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 20 september 2016, opgesteld en ondertekend door drs. B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater en drs. K.H. Stolk, kinder- en jeugdpsychiater i.o.

  • -

    Een psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 16 september 2016, opgesteld en ondertekend door drs. H.E.W. Koornstra, psycholoog.

  • -

    Een Plan van Aanpak Jeugdreclassering van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond d.d. 30 september 2016, opgesteld door M.J.C. Groote, jeugdbeschermer.

Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 20 september 2016

Uit het in eerste aanleg uitgebrachte rapport Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia blijkt onder meer dat bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in die zin dat er sprake is van een gedragsstoornis, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en zwakbegaafdheid. Tevens is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken.

Deze ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ook ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten aanwezig. De deskundigen hebben zich onthouden van het geven van advies omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid, omdat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten ontkent en geen conclusie kan worden getrokken omtrent de doorwerking van de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de kans op recidive overwegen de deskundigen dat het klinisch oordeel met betrekking tot het risico op toekomstig gewelddadig gedrag hoog is. Met betrekking tot het risico op toekomstig seksueel agressief gedrag valt echter niet te zeggen dat dit risico op herhaling hoog is. Wel is aannemelijk dat, als de feiten bewezen worden geacht, de ernstige ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling op enigerlei wijze in verband staan met de ten laste gelegde gedragingen.

Geconcludeerd wordt dat een intensieve en langdurige behandeling binnen een voldoende beveiligde setting nodig is om de agressieregulatieproblematiek van de verdachte te kunnen behandelen. Het strafrechtelijke kader van een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel wordt hiertoe als enige mogelijkheid gezien.

Psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 16 september 2016

Uit het in eerste aanleg uitgebrachte rapport Psychologisch onderzoek Pro Justitia blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid met een zich ontwikkelende antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis bij een jongen die gezien zijn ontwikkelingsfase nog gediagnosticeerd wordt als met een gedragsstoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Indien de feiten worden bewezen, wordt geadviseerd om de verdachte ten aanzien van beide feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten (op een driepuntsschaal). Geadviseerd wordt om de verdachte in het kader van een PIJ-maatregel op te nemen in een gesloten behandelgroep alwaar hij op het juiste niveau ondersteuning kan krijgen in zijn verdere ontwikkeling richting zelfstandigheid en waar gewerkt kan worden aan het ontwikkelen van enig zicht op eigen gedag en het effect daarvan op anderen. De verdachte heeft behoefte aan structuur om veiligheid om zijn gedrag te kunnen reguleren; iets wat hem slechts binnen een (vooralsnog gesloten) opname geboden kan worden. Een minder vergaand ingrijpen wordt als niet-haalbaar ingeschat, omdat is gebleken dat de verdachte ondanks de maximale inzet van de jeugdbescherming tot sterk grensoverschrijdend en agressief gedrag is gekomen.

Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep aanvullend gerapporteerd door drs. B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater en drs. K.H. Stolk, kinder- en jeugdpsychiater i.o. en is door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, opnieuw onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte.

In deze meest recente rapportages komt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren:

Addendum bij Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 29 december 2017

In dit aanvullende rapport is vermeld dat de verdachte in grote lijnen eenzelfde beeld laat zien als tijdens de eerdere onderzoeken in 2016. Er is sprake van zwakbegaafdheid, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken en een stoornis in cannabisgebruik. De deskundigen vermelden dat tevens nog kan worden gedacht aan een stoornis binnen het autismespectrum. De observatie van verdachte ’s gedrag binnen de [rijksinrichting voor Jongens] en het aanvullende onderzoek hebben aanleiding gegeven tot deze aanvulling van de diagnostiek.

De deskundigen zien voorts geen reden om het eerdere advies tot oplegging van de PIJ-maatregel te herzien, nu de verdachte feitelijk heeft stilgestaan in zijn ontwikkeling gedurende zijn verblijf in [rijksinrichting voor Jongens] en eerdere langdurige ambulante en klinische behandelingen zonder succes zijn ondergaan.

Psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 21 december 2017

In dit rapport is onder meer vermeld dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, in de vorm van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’, met antisociale en narcistische trekken, en van zwakbegaafdheid. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis (diagnose is uitgesteld). Verder is er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een stoornis in het gebruik van cannabis, ernstig, in een gereguleerde omgeving. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft niets over de ten laste gelegde feiten willen zeggen. De deskundige stelt zich derhalve terughoudend op ten aanzien van de advisering omtrent de mate van toerekenbaarheid. De deskundige stelt dat in meer algemene zin wel kan worden opgemerkt dat er bij de verdachte sprake is van duidelijke problematiek, die hoe dan ook een doorwerking in zijn denken en handelen blijkt te hebben. Bij bewezen verklaring van de ten laste gelegde feiten wordt geadviseerd om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Tevens wordt geadviseerd om behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen in een gesloten behandelsetting. Eerdere ambulante en klinische hulpverlening heeft onvoldoende positief effect gehad op de verdachte.

Voorts overweegt de deskundige dat de verdachte al bijna anderhalf jaar in een PIJ-maatregel verblijft, waarin hij niet de kans heeft gegrepen om aan behandeling mee te werken. Een ‘minder’ kader dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel lijkt te kort te schieten om de nodige verandering bij de verdachte te bewerkstelligen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat oplegging van een PIJ-maatregel niet in het belang van de verdachte is. Derhalve heeft de raadsvrouw verzocht een PIJ-maatregel met voorwaarden op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen die in hoger beroep onderzoek hebben gedaan naar de persoon van de verdachte over. Het hof acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar bij het plegen van onderhavige feiten. Niet alleen in de rapportages die zijn uitgebracht bij het onderzoek in hoger beroep, maar ook in de eerder uitgebrachte rapporten, waaronder ook dat van de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, is tot vergelijkbare conclusies gekomen en houdt het advies in dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd.

Met inachtneming van de genoemde rapportages komt het hof tot het oordeel dat het opleggen van de PIJ-maatregel noodzakelijk is, gelet op de gebleken problematiek bij de verdachte en de gebleken noodzaak de verdachte in een residentieel kader te behandelen. Een mogelijkheid om de verdachte in een ambulant kader te behandelen is tijdens eerdere hulpverleningstrajecten niet of onvoldoende gebleken.

Aan de in artikel 77s, eerste lid, onder a, b en c, van het Wetboek van Strafrecht cumulatief gestelde voorwaarden is voldaan, aangezien de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het hof legt de PIJ-maatregel op ter zake van het bewezen verklaarde misdrijf, dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, terwijl bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, een en ander in verband met de mogelijkheid tot verlenging van de maatregel als nader beschreven in artikel 77t tweede en derde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Naast het opleggen van de PIJ-maatregel acht het hof het opleggen van jeugddetentie aangewezen.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof een jeugddetentie voor de duur van 7 maanden in combinatie met het opleggen van de PIJ-maatregel een passende en geboden reactie. Het hof verenigt zich aldus met de door de rechtbank opgelegde straf.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [slachtoffer 2] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.089,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, alsmede tot een bedrag van € 3,88 ter zake van gemaakte proceskosten.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.544,82, te weten ter vergoeding van materiële schade tot een bedrag van 44,82 en ter vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.500,00.

De advocaat-generaal heeft ook ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bevestiging van het vonnis gevraagd en aldus gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.544,82, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.544,82 (tweeduizend vijfhonderdvierenveertig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 44,82 (vierenveertig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 januari 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.544,82 (tweeduizend vijfhonderdvierenveertig euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 44,82 (vierenveertig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

22 januari 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,

mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. A.J.M. Kaptein, in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 februari 2018.