Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3789

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
22-005337-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een illegaal vuurwerk (een nitraat) door deze aan te steken en te gooien in een aula van een school, waarin meerdere personen aanwezig waren. Hierdoor heeft een meisje gehoorverlies opgelopen waar, zoals het er nu naar uitziet, geen uitzicht is op algeheel herstel. De verdachte heeft voorts daarna een medeleerling mishandeld, die hij al langer pestte en lastig viel, door hem een paar keer tot bloedens toe op zijn gezicht te slaan.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren, waarvan 70 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering en de verplichting tot het volgen van onderwijs. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005337-17

Parketnummers: 09-777069-17 en 09-797486-17

Datum uitspraak: 22 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortejaar] 2002,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 en
5 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering en de verplichting tot het volgen van onderwijs. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij als in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk in de aula van een school (te weten het [school]), een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, te rollen/gooien, waarbij dat vuurwerk te midden van die groep is geëxplodeerd, en daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk voor [benadeelde partij] en een of meer andere (aldaar aanwezige) personen en gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2 primair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij], in de aula van een school (te weten het [school]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en/of (vervolgens) dat vuurwerk te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school te rollen/gooien, al dan niet in de directe omgeving van die [benadeelde partij], waarbij dat vuurwerk te midden van die groep en/of in de directe omgeving van die [benadeelde partij], is geëxplodeerd;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten het [school]), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan die [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet opzettelijk zwaar en illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat), heeft/hebben aangestoken en (vervolgens) dat vuurwerk te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, heeft/hebben gerold/gegooid, waarbij die personen en/of die [benadeelde partij] zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevond(en), waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [benadeelde partij] is geëxplodeerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten het [school]), in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], in elk geval tegen een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld bestond uit het aansteken van illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat) en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, waaronder die [benadeelde partij], te rollen/gooien, waarbij die personen, waaronder die [benadeelde partij], zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevonden, waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [benadeelde partij] is geëxplodeerd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies voor voornoemde [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad en/of waarbij hij, verdachte, opzettelijk de vloer van de aula van voornoemde school heeft vernield;

2 meest subsidiair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten het [school]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft/hebben mishandeld door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat) aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen en/of die [benadeelde partij], te rollen/gooien, waarbij die personen en/of die [benadeelde partij] zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevond(en), waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [benadeelde partij] is geëxplodeerd, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5 primair:
hij op of omstreeks 31 oktober 2017 te Alpen aan den Rijn openlijk, te weten op/rondom de Wederikstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 2], door die [benadeelde partij 2] te slaan tegen het achterhoofd en/of meerdere malen, althans eenmaal tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te stompen/slaan;

5 subsidiair:
hij op of omstreeks 31 oktober 2017 te Alpen aan den Rijn [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 5 subsidiair zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering. Voorts heeft de advocaat-generaal ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd te beslissen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder
5 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk in de aula van een school (te weten het [school]), een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, te rollen/gooien, waarbij dat vuurwerk te midden van die groep is geëxplodeerd, en daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde partij] en een of meer andere (aldaar aanwezige) personen en gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2 primair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij], in de aula van een school (te weten het [school]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en/of (vervolgens) dat vuurwerk te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school te rollen/gooien, al dan niet in de directe omgeving van die [benadeelde partij], waarbij dat vuurwerk te midden van die groep en/of in de directe omgeving van die [benadeelde partij], is geëxplodeerd;

5 subsidiair:
hij op of omstreeks 31 oktober 2017 te Alpen aan den Rijn [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] meermaalsmalen, althans eenmaal tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair:

Medeplegen

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna medeverdachte) beide feiten heeft gepleegd. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd - volgt dat de medeverdachte op 9 december 2016 illegaal knalvuurwerk, waaronder nitraten, heeft meegenomen naar school. Al ruim voordat de feiten plaatsvonden, omstreeks 7.55 uur, hebben beide verdachten met elkaar gesproken over het afsteken van het vuurwerk in de aula. De verdachte heeft daarover verklaard dat de medeverdachte vertelde dat hij vuurwerk bij zich had en dat er ook onderling gesproken is over het daadwerkelijk afsteken van dit vuurwerk die dag op school. Blijkens de door de medeverdachte op 9 december 2016 afgelegde verklaringen heeft deze tegen de verdachte gezegd: “steek het af in de aula” en “als je ballen hebt, steek je het hier af”. In de aula heeft de medeverdachte vervolgens een nitraat én een aansteker aan de verdachte overhandigd. De verdachte heeft de nitraat vervolgens aangestoken en in de aula - zijnde een besloten ruimte, waarin zich meerdere personen bevonden - gegooid zonder te kijken in welke richting hij die gooide; door de ontploffing die daarop volgde heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen.

Naar het oordeel van het hof is sprake van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking bij dit feit dat er sprake is van medeplegen van het teweeg brengen van de ontploffing en het daardoor toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Beiden hebben met hun hiervoor uiteengezette handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan die feiten.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Opzet

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer - naar het hof begrijpt - opzettelijk (in voorwaardelijke zin) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Het hof verwerpt – overeenkomstig het oordeel van de rechtbank - het verweer.

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling dient (op z’n minst) te worden vastgesteld dat er door de handelingen van de verdachte een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel bij een ander en dat

de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – leidt het hof af dat de verdachte in de betreffende aula, een besloten ruimte, waarin zich op dat moment meerdere personen bevonden, een nitraat aangestoken en weggegooid zonder zich er rekenschap van te geven of er iemand stond in de buurt van waar de nitraat kon neerkomen.

Uit de in het dossier opgenomen deskundigenverklaring van het NFI (p. 72) blijkt dat als dergelijk knalvuurwerk tot ontploffing komt er kans op schade aan de ledematen ontstaat, alsook op oogletsel en gehoorschade. De ernst van de gevolgen is volgens dat rapport onder meer afhankelijk van de plaats van het lichaamscontact met het vuurwerk, de kracht van de lading en reflecties van het geluid.

Gelet op de plaats waar en wijze waarop de verdachte het vuurwerk heeft gegooid, bestond een aanzienlijke kans dat de nitraat tot ontploffing zou komen vlakbij of tegen iemands lichaam, waarbij het hof de kans op zwaar lichamelijk letsel, zoals in casu gehoorschade, bij één van de omstanders aanmerkelijk acht.


Voorts stelt het hof vast dat de verdachte wist dat het om een nitraat ging en dat dit illegaal vuurwerk is dat een hele harde knal geeft. De verdachte heeft immers zelf tegenover de politie verklaard dat hij van de medeverdachte had gehoord dat het een nitraat was en dat het heel hard knalt, hetgeen de medeverdachte bij de raadsheer-commissaris op 31 mei 2018 heeft bevestigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat deze de verdachte heeft verteld dat hij nitraten bij zich had. De verklaring van de verdachte dat hij dit pas na het incident heeft gehoord, acht het hof dan ook ongeloofwaardig, te meer – zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld - het onlogisch is dat de medeverdachte na de harde knal tegen hem gezegd zou hebben dat het hard knalt. Dit had hij immers toen al ondervonden.

Verder wist de verdachte dat het vuurwerk was dat niet uit de winkel afkomstig kon zijn; de feiten speelden zich immers af op 9 december 2016 en dus vóór de datum waarop vuurwerk mag worden verkocht .

Het hof gaat er voorts van uit dat ook een veertienjarige, zoals de verdachte ten tijde van het incident, bekend is met de omstandigheid dat de kans, dat het laten neerkomen van (illegaal) vuurwerk in de directe nabijheid van mensen leidt tot zwaar lichamelijk letsel, geenszins denkbeeldig is. Dit mede gelet op de jaarlijks terugkerende campagne van de overheid, onder meer in
TV-spotjes en kranten- en tijdschriftadvertenties, inhoudende een waarschuwing met die strekking en met de slogan “Je bent een rund als je met vuurwerk stunt”.

De verdachte heeft met deze wetenschap in die aula het nitraat aangestoken en weggegooid zonder te kijken in welke richting hij het nitraat gooide.

Hiermee heeft hij naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een van de aanwezigen in die aula op de koop toegenomen.

Zwaar lichamelijk letsel

Anders dan de raadsman en met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Blijkens het medisch advies van 13 november 2017 is sprake van een gehoorbeschadiging in de vorm van oorpijn en gehoorverlies. Vastgesteld is gehoorschade van enige wezenlijke omvang. Uit de recent ten behoeve van de terechtzitting in hoger beroep ingebrachte gegevens ter onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij leidt het hof af dat op 25 juli 2018, dus ruim anderhalf jaar na het incident in de aula, nog sprake is van gehoorverlies in het linkeroor, terwijl er geen uitzicht is op algeheel herstel.

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman van de verdachte heeft het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van de onder 5 subsidiair ten laste gelegde mishandeling, aangezien de verdachte handelde uit noodweer(exces). De raadsman heeft daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven - , dat de verdachte werd aangevallen door de aangever en dat de verdachte alleen heeft teruggeslagen, omdat dat geboden was, omdat er een groep jongeren om hen heen stond en hij dus niet weg kon.

Het hof verwerpt het verweer.

Op grond van de stukken in het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat het de verdachte was, die - nadat hij eerst achter aangever was aangelopen en de situatie zodoende heeft opgezocht -, als eerste heeft geslagen, waarna zich een groep om hem heen heeft gevormd.

Gelet hierop is er geen sprake van een wederrechtelijke aanval, waartegen de verdachte zich gerechtvaardigd mocht verdedigen. Nu er geen sprake is van een noodweersituatie komt de verdachte ook geen beroep toe op noodweer(exces).

Het verweer faalt derhalve.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde levert op:


de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en

medeplegen van zware mishandeling.

Het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Nu voorts ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een illegaal vuurwerk (een nitraat) door deze aan te steken en te gooien in een aula van een school, waarin meerdere personen aanwezig waren. Hierdoor heeft een meisje gehoorverlies opgelopen waar, zoals het er nu naar uitziet, geen uitzicht is op algeheel herstel.

Aldus heeft hij niet alleen gevaarzettend gehandeld, maar ook ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De namens het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaring en die van haar moeder geven goed de impact en ellende aan die het slachtoffer heeft moeten ondervinden en nog steeds ondervindt.

Algemene ervaringsregels leren bovendien dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden.

De verdachte heeft voorts daarna een medeleerling mishandeld, die hij al langer pestte en lastig viel, door hem een paar keer tot bloedens toe op zijn gezicht te slaan. Aldus heeft de verdachte ook dit slachtoffer pijn en letsel bezorgd.

Het hof rekent dit feit de verdachte zwaar aan nu hij vrij kort nadat hij op zijn nieuwe school was begonnen, zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, terwijl hij wist dat hij nog moest voorkomen bij de rechtbank voor het eerdere vuurwerkdelict.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 9 oktober 2018, 26 april 2017 en 23 november 2017 en van hetgeen door de ter terechtzitting verschenen zittingsvertegenwoordiger van de Raad naar voren is gebracht.

Naar voren is gekomen dat de verdachte na het vuurwerkdelict is geschorst van school en enige tijd onderwijs en begeleiding via de Onderwijs Opvang Voorziening (OOV) heeft gekregen. Sinds enige tijd zit hij op het [school]. De verdachte voert gesprekken met een hulpverlener van een Somalische stichting. Thuis wordt de verdachte omschreven als een goede jongen maar ook beïnvloedbaar omdat hij graag bij de grote jongens wil horen. Er is de afgelopen periode via de OOV en hulpverlener gepoogd om hem vaardigheden bij te brengen en weerbaar te maken maar dit lijkt nog niet goed te zijn geslaagd gezien het delict op zijn nieuwe school. Het in praktijk brengen van de geleerde vaardigheden lukt de verdachte kennelijk nog niet en hij zou baat kunnen hebben bij individuele coaching op maat, een neutraal persoon die met hem spreekt over zijn vriendenkeuze, gedrag op school, impulsiviteit en het maken van moeilijke keuzes. In verband met de consequenties van zijn daden adviseert de Raad een werkstraf. Daarnaast is toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering geïndiceerd, op te leggen via een (deels) voorwaardelijk strafdeel.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van hierna vermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.339,42.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 339,42, bestaande uit de posten:

  • -

    Begeleiding door moeder op zitting, opnemen vrije dag € 112,24;

  • -

    Niet vergoede medicatie; € 50,00;

  • -

    Kosten homeopathie € 85,00

  • -

    Reiskosten € 92,18;

en uit immateriële schade voor een bedrag groot
€ 6000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.227,18, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 227,18 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘Begeleiding door moeder op zitting, opnemen Vrije dag’ de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien deze kosten niet als rechtstreekse schade,

toegebracht door het bewezen verklaarde feit zijn aan te merken.

Het hof zal de verdachte – gelijk de rechtbank - wel veroordelen in deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal daarbij optellen de in hoger beroep in aanvulling op de vordering gevorderde proceskosten ad € 101,06 ter zake van de ‘Begeleiding door vader op zitting opnemen vrije dag’.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 213,29, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 4.227,18 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 710,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 610,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 610,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij naar redelijkheid en billijkheid aangetoond dat tot een bedrag van € 100,00 materiële schade (kleding en schoenen) is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € € 250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 44,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 350,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 55, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 5 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt
- of de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden
- of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen aldaar zal melden, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming West, gevestigd te 's-Gravenhage, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.227,18 (vierduizend tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) bestaande uit € 227,18 (tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 213,29 (tweehonderddertien euro en negenentwintig cent), waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.227,18 (vierduizend tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) bestaande uit € 227,18 (tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 december 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 44,00 (vierenveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 oktober 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,
mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en
mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier
mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2018.

mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.