Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3788

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
22-001696-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in de periode tussen 1 juni 2005 en 25 december 2005 aangeefster meermalen gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

Het gebeurde bovendien in een periode waarin aangeefster zeer kwetsbaar was, niet alleen gelet op haar leeftijd, ze bevond zich in de pubertijd, maar ook omdat zij net uit de crisisopvang kwam en tijdelijk niet bij haar ouders thuis kon wonen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht bij de Reclassering en een behandelverplichting bij Het Dok. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001696-17

Parketnummer: 10-712027-15

Datum uitspraak: 20 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortejaar] 1966,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2017 en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 mei 2005 te Spijkenisse, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 1989), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (meermalen) (telkens):

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich aftrekken in het bijzijn van die [slachtoffer];

2:
hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortejaar] 2005 tot en met 25 december 2005 te Spijkenisse, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het (meermalen) (telkens):

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich aftrekken in het bijzijn van die [slachtoffer],

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen) (telkens): (onverhoeds)

- terwijl die [slachtoffer] lag te slapen, de kamer van die [slachtoffer] binnen gaan en/of

- naast het bed, waarin die [slachtoffer] lag, gaan staan en/of

- ( vervolgens) over die [slachtoffer] heen buigen en/of

- zijn, verdachtes, hand onder de dekens brengen en/of

- die [slachtoffer] de woorden toevoegen: "Laat me even" en/of "Laat me even voelen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich aftrekken naast het bed waarin die [slachtoffer] lag en/of

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer].

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht bij de Reclassering en een behandelverplichting bij Het Dok. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van het in dat vonnis vermelde aantal dagen vervangende hechtenis behorende bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen met daaraan verbonden een vervangende hechtenis van 22 dagen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

Standpunten verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, deels overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat in het dossier onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van aangeefster. Het dossier biedt naast de aangifte enkel belastende verklaringen afkomstig uit dezelfde bron, namelijk aangeefster. De raadsman heeft in dit verband in het bijzonder gewezen op de verklaringen van [getuige 1] (de vader van aangeefster, hierna ook: [getuige 1]) en van [getuige 2] (de broer van de verdachte, hierna ook: [getuige 2]).

De raadsman heeft, samengevat, aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] onnavolgbaar, inconsequent en tegenstrijdig is en te herleiden is tot één bron, namelijk aangeefster. De verklaring van [getuige 1] is dan ook niet bruikbaar als steunbewijs. De verklaring van [getuige 2] is eveneens niet bruikbaar, nu uit het dossier blijkt dat [getuige 2] met aangeefster heeft gesproken en zij hem alles over het misbruik heeft verteld. Hier komt bij dat [getuige 2] een onbetrouwbare getuige is, nu hij mogelijk wraak zou willen nemen op de verdachte voor het vreemdgaan door de verdachte met zijn vriendin.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aangeefster en haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft op een aantal omstandigheden gewezen die in de visie van de verdediging de onbetrouwbaarheid van aangeefster aantonen.

Zo blijkt uit verschillende bronnen dat aangeefster al op jonge leeftijd lijdende was aan persoonlijkheids- problematiek en dat er rondom haar problemen waren in haar gezin, waardoor zij tijdelijk bij haar opa en oma (de ouders van de verdachte) woonde. De verklaringen van aangeefster zouden uit deze problematiek kunnen zijn voortgekomen.

Bovendien is door de raadsman gewezen op een mogelijk alternatief scenario. Aangeefster wilde graag aandacht van de verdachte en is boos geworden toen zij hoorde dat de verdachte achter andere meisjes aan zat. Aangeefster heeft daarom het verhaal over het misbruik verzonnen. Hier komt bij dat aangeefster niet alleen aangifte heeft gedaan tegen de verdachte, maar ook tegen haar neef [persoon], de zoon van de verdachte. Haar verklaring over hetgeen met [persoon] is voorgevallen roept in de visie van de verdediging twijfel op over de betrouwbaarheid van haar verklaring in de onderhavige zaak op het punt van uitgeoefende dwang en onvrijwilligheid.

Op grond van het voorgaande dient de verdachte te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman.

Beoordeling door het hof

De betrouwbaarheid van aangeefster

Het hof bespreekt allereerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

Het hof stelt voorop dat het in zaken als de onderhavige behoedzaamheid dient te worden betracht bij de beoordeling van de bewijskracht van de verklaringen van de aangeefster. Het hof zal dat in onderhavige zaak ook doen, mede gelet op de persoon van de aangeefster en de omstandigheid dat hetgeen waarover zij heeft verklaard zich meer dan 10 jaar daarvoor heeft afgespeeld.

Het hof acht, ook met inachtneming van deze behoedzaamheid, de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar en zal deze verklaringen bezigen voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde. Het hof overweegt hiertoe dat verklaringen van de aangeefster gedetailleerd en door de tijd heen consistent blijven. De aangeefster dikt de beschuldigingen in dat verband ook niet aan. Ze blijft bij haar verklaring over de locaties, de aard van de seksuele handelingen die de verdachte bij haar en bij zichzelf heeft verricht en de omstandigheden waaronder de feiten zich hebben plaatsgevonden. De seksuele handelingen die de verdachte bij de aangeefster heeft verricht volgens haar verklaringen, zijn bovendien minder vergaand dan wat door anderen daarover is verklaard. Aangeefster heeft zich daardoor kennelijk niet laten beïnvloeden.

Alternatieve scenario

De verdediging heeft gesteld dat sprake is van een alternatief scenario, nu de aangeefster zou hebben toegegeven dat zij alles had verzonnen tijdens een gesprek met haar ouders en de verdachte kort nadat de ouders van de aangeefster hadden gehoord van de aangeefster over hetgeen gebeurd zou zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts herhaald dat tijdens dit gesprek alles is uitgesproken.

Het hof is voorts van oordeel dat voor het alternatieve scenario zoals gesteld door de verdediging geen aanknopingspunt is te vinden in het dossier anders dan de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte. Het hof acht deze verklaring van de verdachte onaannemelijk en overweegt daartoe het volgende.

Uit geen enkele verklaring in het dossier kan worden afgeleid dat tijdens het bedoelde gesprek alles is uitgesproken en dat aangeefster heeft toegegeven dat zij het verhaal had verzonnen. Dit strookt bovendien niet met het feit dat de verdachte na het bedoelde gesprek door zijn moeder het huis uit is gezet en van zijn broer [getuige 1] (de vader van aangeefster) niet meer in de buurt van diens kinderen mocht komen. Het hof passeert deze verklaring van de verdachte dan ook.

Nu het hof uitgaat van de verklaringen van aangeefster en deze ook betrouwbaar acht, stelt het hof vast dat de handelingen tegen de wil van de aangeefster hebben plaatsgevonden. Wat zij heeft verklaard over vermeende strafbare feiten gepleegd door [persoon] doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die door aangeefster zijn afgelegd in de zaak van de verdachte.

Het bewijsminimum

De rechter kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend baseren op de verklaringen van één getuige, op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval.

Het hof stelt voorop dat de feiten waarover de getuigen hebben verklaard zich op het moment van verklaren meer dan 10 jaar geleden hadden afgespeeld. Gelet hierop is het van belang om de getuigenverklaringen met behoedzaamheid te bezien. Het hof is echter, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op voor de tenlastelegging relevante onderdelen kwalitatief en kwantitatief in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De vader van aangeefster, [getuige 1], heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Aan [getuige 1] werd gevraagd wat de verdachte aan hem had verteld. [getuige 1] heeft daarop het volgende verklaard: “Hij (het hof begrijpt: de verdachte) kwam en belde aan en heeft het verteld. Dat wat er gebeurd was, was het aftrekken bij haar, in haar kamer. Het was gebeurd onder invloed van drugs.”

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat de aangeefster hem over het misbruik door de verdachte had verteld. Maar hij verklaarde ook dat hij het meestal wel hoorde als de verdachte midden in de nacht naar haar kamer ging en probeerde daar binnen te komen. De moeder van [getuige 2] spaarde kleding om naar Chili te sturen en aangeefster zette die zakken met kleding voor de deur zodat er niemand binnen kon komen.

Dat [getuige 2] dit enkel zou verklaren om wraak te nemen op de verdachte, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof acht de verklaring van [getuige 2] op dit punt betrouwbaar, nu hij daarover uit eigen waarneming verklaart en dit overeenkomt met de verklaring van aangeefster.

Het hof concludeert dat, anders dan gesteld door de raadsman, voornoemde getuigenverklaringen niet slechts uit één bron, te weten aangeefster, afkomstig zijn maar dat er ook een getuige ([getuige 2]) is die uit eigen waarneming belastend verklaart en een andere getuige ([getuige 1]) die belastend verklaart over wat hij van de verdachte zelf over het seksueel misbruik heeft gehoord.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster.

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 25 december 2005 te Spijkenisse, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het (meermalen): (telkens):

- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of

- betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich aftrekken in het bijzijn van die [slachtoffer],

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen) (telkens):

(onverhoeds)

- terwijl die [slachtoffer] lag te slapen, de kamer van die [slachtoffer] binnen gaan en/of

- naast het bed, waarin die [slachtoffer] lag, gaan staan en/of

- (vervolgens) zich over die [slachtoffer] heen buigen en/of

- zijn, verdachtes, hand onder de dekens brengen en/of

- die [slachtoffer] de woorden toevoegen: "Laat me even" en/of "Laat me even voelen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- (vervolgens) betasten van en/of wrijven over de borsten en/of vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich aftrekken naast het bed waarin die [slachtoffer] lag en/of

- (tong)zoenen van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in de periode tussen 1 juni 2005 en 25 december 2005 aangeefster meermalen gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door, onder andere terwijl aangeefster in haar bed lag te slapen, de slaapkamer van aangeefster binnen te komen en haar te tongzoenen, haar borsten en vagina te betasten en/of zich in haar bijzijn af te trekken. Het misbruik heeft derhalve met name plaatsgevonden op een plek waar aangeefster zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen. Het gebeurde bovendien in een periode waarin aangeefster zeer kwetsbaar was, niet alleen gelet op haar leeftijd, ze bevond zich in de pubertijd, maar ook omdat zij net uit de crisisopvang kwam en tijdelijk niet bij haar ouders thuis kon wonen. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele

integriteit van aangeefster. Hij heeft zijn eigen lustgevoelens en behoeftebevrediging zwaarder laten wegen dan de persoonlijke belangen en het welzijn van aangeefster. Hij heeft hierdoor de normale seksuele ontwikkeling van aangeefster verstoord. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten vaak langdurige en ernstige psychische schade van deze gebeurtenissen ondervinden. Dat dit ook bij aangeefster zo is blijkt wel uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2018. Hieruit blijkt dat de verdachte in 1984 is veroordeeld voor een zedenmisdrijf. Echter, gelet op de tijd die inmiddels is verstreken zal het hof dit niet in strafverhogende zin meewegen.

Het hof houdt rekening met de straffen die plegen te worden opgelegd voor soortgelijke zedendelicten, waarbij geen sprake is van seksueel binnendringen van het lichaam. Het hof zal om die reden, anders dan de rechtbank, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een rapport opgemaakt door Reclassering Nederland, gedateerd 21 november 2016. Uit dit rapport blijkt dat de reclassering het recidiverisico niet kan inschatten, gelet op de ontkennende houding van de verdachte. De reclassering ziet wel aanwijzingen voor een verhoogd risico op recidive, maar deze kunnen niet concreet worden vastgesteld. In het geval van een veroordeling ziet de reclassering evenwel voldoende aanknopingspunten voor een ambulante behandeling voor zedendaders. Geadviseerd wordt dan ook om, in het geval van een veroordeling, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden een meldplicht en een verplichting een ambulante behandeling voor zedendaders te volgen bij de forensische polikliniek Het Dok, of een soortgelijke instelling. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger ook bereid verklaard tot het volgen van een dergelijke behandeling, mocht het tot een bewezenverklaring komen.

Het hof ziet in het bewezen verklaarde aanleiding om de reclassering in haar advies te volgen en zal ter voorkoming van recidive aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd opleggen.

Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van de feiten, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf van maximale duur op zijn plaats.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat na te noemen straffen passend en geboden zijn.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.209,69 (€ 1.200,00 aan immateriële schade en € 9,69 aan materiële schade, zijnde reiskosten).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 1.209,69.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade eveneens het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.209,69 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt en zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

- dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen van de forensische polikliniek Het Dok of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, om een behandeling voor zedendaders te volgen zolang de reclassering dit in overleg met de instelling/behandelaar noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.209,69 (duizend tweehonderdnegen euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 9,69 (negen euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.209,69 (duizend tweehonderdnegen euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 9,69 (negen euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 augustus 2016 en voor de immateriële schade op 25 december 2005.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia,

mr. M.C.R. Derkx en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2018.