Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3785

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
22-002643-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens schuldheling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002643-17

Parketnummers: 10-201924-15 09-162293-13 (TUL)

Datum uitspraak: 10 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2016 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie) op [geboortejaar] 1984,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts is de proeftijd verlengd van de bij vonnis van 12 november 2013 in de zaak met parketnummer 09-162293-13 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met een (1) jaar.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 5 juli 2016 is het hoger beroep namens de verdachte uitsluitend beperkt tot het bewezenverklaarde en de in eerste aanleg gewezen (tussen)beslissingen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

2:
hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te Rotterdam, althans in Nederland, twee kentekenplaten (met het kenteken [kentekennr.], behorende bij een audi Q7) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenplaten wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Verweer bewijsuitsluiting

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bewijs van de in de kofferbak van de auto aangetroffen goederen dient te worden uitgesloten, omdat het aan de doorzoeking ten grondslag liggende bevel niet rechtmatig is.

Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Het in het aanwijzingsbesluit van de burgemeester omschreven gebied omvat grote delen van Charlois.

Daarmee is niet voldaan aan het wettelijke vereiste van beperking in grootte. Verder is de aanwijzing van het gebied als veiligheidsrisicogebied keer op keer verlengd. Er is dus geen beperking in duur. Ook is onduidelijk op grond waarvan het bevel dringend noodzakelijk is.

Uit niets blijkt dat in het aangewezen veiligheidsrisicogebied aan de Wet wapens en munitie gerelateerde misdaad disproportioneel meer aanwezig is dan in een derde deel van de wijken van Rotterdam. Volgens de redenering van de burgemeester is er voldoende aanleiding om een derde deel van de Rotterdamse wijken als veiligheidsrisicogebied aan te wijzen. Uit de cijfers bij het aanwijzingsbesluit blijkt dat er zes wapens per maand in beslag zijn genomen, waarvan het merendeel uit steek- of slagwapens bestond. De vraag is of die wapens niet ook op een andere manier van straat zouden gaan en of dit inderdaad wapengeweld heeft teruggebracht. De stelling van de burgemeester dat er een driehoeksoverleg heeft plaatsgevonden, wordt niet nader onderbouwd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de gemeente geboden motivering sterk onvoldoende is en niet voldoet aan het criterium zoals door de Hoge Raad geformuleerd in de uitspraak van 20 februari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ2475, onder 4.3.4).

De bescherming van burgers tegen de overheid om zonder de noodzakelijke vermoedens of bevelen over te gaan tot aanhouding en doorzoeking is in ernstige mate geschonden. De verdachte gaf zelf geen aanleiding tot een vermoeden van deelname aan strafbare feiten.

Daarbij is op zijn recht op privéleven een ernstige inbreuk gemaakt.

Aan de officier van justitie is verzocht om aan te geven hoe vaak een bevel tot preventief fouilleren wordt gegeven. Ook dit bevel moet beperkt zijn in duur en geïndividualiseerd. Dat blijkt niet. Men geeft geen openheid van zaken en ook dat raakt aan de rechtmatigheid.

Ook de door de verdachte afgelegde verklaringen dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Als de politie de auto van de verdachte niet had doorzocht, waren deze

verklaringen nooit afgelegd. Daarmee zijn de verklaringen een direct gevolg van het onrechtmatig staande houden en het doorzoeken van de auto.

Standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het verweer

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het verweer verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin wordt overwogen dat de rechter zich bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend moet opstellen en slechts zal kunnen toetsen of het besluit in strijd is met de wettelijke voorschriften, of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde noodzakelijk was en of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Het aanwijzingsbesluit van 30 juni 2015 is volgens de advocaat-generaal niet strijdig met wettelijke voorschriften. Blijkens het besluit heeft de brief van de politiechef van 23 juni 2015 als basis voor het besluit gediend. In deze brief wordt de voortdurend zorgelijke veiligheidssituatie in het gebied uitvoerig en gemotiveerd omschreven. Uit de motivering van het aanwijzingsbesluit blijkt dat de burgemeester de belangen van openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en van strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid heeft afgewogen tegen het individuele belang van de burgers. Het besluit van de burgemeester verwijst bovendien naar het driehoeksoverleg. De (verlengde) aanwijzing is door de burgemeester nadrukkelijk begrensd in tijd en wel tot een periode van zes maanden. Dit is proportioneel gelet op de omvang en de zwaarte van de veiligheidsproblematiek in het bewuste gebied, hetgeen maatregelen in de wijk Charlois vereiste. De advocaat-generaal heeft in dat kader factoren genoemd, die wijzen op veiligheidsrisico’s en die ertoe geleid hebben dat het betreffende gebied voor een bepaalde tijd als veiligheidsrisicogebied is aangewezen.

Ten aanzien van de noodzaak stelt de advocaat-generaal dat de basis daarvoor gelegen is in het veiligheidsrisico in het betreffende gebied gedurende een bepaalde periode, dat door de burgemeester is vastgesteld in het besluit en niet in een specifiek incident.

Het bevel is derhalve rechtmatig gegeven.

Beoordeling van het verweer.

Op grond van vaste rechtspraak (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2475) geldt dat de rechtmatigheid van het bevel van de officier van justitie op grond van de artikelen 50, 51 en 52 van de WWM mede afhangt van de rechtmatigheid van het door de burgemeester gegeven besluit tot aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied (het aanwijzingsbesluit). In die uitspraak heeft de Hoge Raad tevens het kader geschetst waarbinnen de rechter het aanwijzingsbesluit van de burgemeester dient te toetsen.

Hieruit volgt dat de burgemeester bij het nemen van een aanwijzingsbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan hem om, na overleg met de officier van justitie in het zogenaamde driehoeksoverleg, te beoordelen of verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied rechtvaardigt, en om daarbij alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen, waaronder enerzijds het belang van handhaving van de openbare orde en anderzijds het recht van een ieder op eerbiediging van zijn privéleven. De duur van de aanwijzing dient niet langer, en de omvang van het gebied niet groter te zijn dan noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. De door de burgemeester gemaakte keuzen dienen deugdelijk te zijn gemotiveerd en proportioneel te zijn met de dreigende schending van het privéleven van een ieder in het aangewezen gebied.

De rechter zal zich bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend moeten opstellen en zal slechts kunnen toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde noodzakelijk was, en of de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen komen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het aanwijzingsbesluit van de burgemeester van 30 juni 2015 deze – terughoudende - toets kan doorstaan en motiveert dit als volgt.

Blijkens de aanhef in het besluit heeft, alvorens tot besluitvorming is overgegaan, overleg plaatsgevonden in de driehoek met de hoofdofficier van justitie en de politiechef van de Eenheid Rotterdam. Door de verdediging zijn geen argumenten naar voren gebracht die zouden doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen de burgemeester heeft gesteld.

De burgemeester heeft zich bij het nemen van het besluit gebaseerd op het aan het besluit gehechte verzoek van de politiechef van de Eenheid Rotterdam van 23 juni 2015 tot aanwijzing van het veiligheidsrisicogebied Charlois in district Rotterdam Zuid voor een periode van zes maanden. In dit verzoek is uitgebreid beschreven wat de situatie is geweest in de periode van 22 december 2014 tot 22 juni 2015, in welke periode het gebied reeds als

veiligheidsrisicogebied was aangewezen. Ter illustratie van de geweldsproblematiek in het betreffende gebied zijn een aantal ernstige geweldsincidenten vermeld die zich in de periode december 2014 - juni 2015 hebben voorgedaan in Charlois. Door de politie wordt het van groot belang geacht om het in het district Charlois reeds geruime tijd ingezette offensief tegen (vuur)wapenbezit en de aanpak van straatroven en overvallen, van welk offensief het instrument preventief fouilleren onderdeel uitmaakt, consequent voort te zetten. Tevens is overwogen dat de afgelopen jaren een onverminderd positieve grondhouding bij het publiek bestaat ten aanzien van de preventieve fouilleeracties. Over het algemeen zijn burgers content met het optreden van de politie, waarbij ingezet wordt op mondelinge uitleg over doel en werkwijze van de acties, folders zijn uitgereikt en bij behoefte contact met de wijkagent wordt geboden.

Op basis van dit gemotiveerde verzoek heeft de burgemeester overwogen dat de belangen van openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en van strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid in het onderhavige geval zwaarder wegen dan het individuele belang van de burger in de zin van bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het hof is van oordeel, gegeven de motivering die aan het besluit ten grondslag heeft gelegen, een en ander zoals hiervoor is overwogen, dat de burgemeester het gebied zoals dat in het aanwijzingsbesluit is gedefinieerd in redelijkheid (wederom) heeft kunnen aanwijzen als veiligheidsrisicogebied voor de duur van zes maanden. Dat dit gebied groter is dan de verdachte zou wensen en ook het leefgebied van de verdachte omvat, kan daaraan niet afdoen.

Dat, zoals door de verdediging is gesteld, andere gebieden in de regio Rotterdam net zo onveilig zouden zijn terwijl die gebieden niet zijn aangewezen als veiligheidsrisicogebied, maakt dit niet anders. De vraag of en zo ja, voor welke gebieden een aanwijzingsbesluit wordt genomen, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester.

Nu het hof van oordeel is dat het aanwijzingsbesluit rechtmatig is, en dit aanwijzingsbesluit ziet op de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 was de officier van justitie in beginsel bevoegd om in die periode een bevel op grond van de artikelen 50, 51 en

52 van de Wet wapens en munitie (WWM) af te geven.

De vraag is dan nog of het op 26 augustus 2015 gegeven bevel tot preventief fouilleren ingaande op dinsdag 6 oktober 2015 om 14.00 uur en eindigend op woensdag 7 oktober 2015 om 02.00 uur, zowel wat de wijze van tot stand komen als wat zijn inhoud betreft, in overeenstemming is met de van belang zijnde wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep erop gewezen dat Charlois is aangewezen als veiligheidsrisicogebied en dat er op 6 oktober 2015 vanaf 14.00 uur een bevel van de officier van justitie is gegeven, maar dat er geen sprake is van een continuïteit aan een serie van bevelen van de officier van justitie.

Art. 52, derde lid, WWM luidt:

"In gebieden die overeenkomstig artikel 151b, eerste lid, van de Gemeentewet door de burgemeester als veiligheidsrisicogebied zijn aangewezen kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht."

Het bevel van de officier van justitie van 26 augustus 2015 houdt onder meer het volgende in:

“Gelet op, het besluit van de burgemeester van Rotterdam d.d. 30 juni 2015, waarbij, op grond van het bepaalde in artikel 2.76 Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam, het hieronder omschreven gebied in Charlois is aangewezen als veiligheidsrisicogebied, voor de periode: 01 juli 2015 tot 01 januari 2016

Overwegende dat uit voornoemd rapport is gebleken van een groot aantal (vuur)wapengerelateerde incidenten in genoemd gebied;

Overwegende voorts:

dat het bedreigende karakter van de aanwezigheid van (vuur)wapens in genoemd gebied leidt tot een ernstige inbreuk op de rechtsorde, althans dat ernstige vrees bestaat dat de openbare orde door de aanwezigheid van (vuur)wapens wordt verstoord;

dat, voor het onverwijlde tegengaan van illegaal (vuur)wapenbezit en -handel, het opsporen van (vuur)wapens, het opsporen van vuurwapencriminaliteit en ander (vuur)wapengeweld, alsmede het voorkomen van ernstige verstoring van de openbare orde, preventief optreden dringend noodzakelijk is;

dat voor genoemd gebied een strafvorderlijk belang bestaat om voor de duur van maximaal twaalf (12) uren tot opsporing en vervolging van illegaal (vuur)wapenbezit en/of illegaal (vuur)wapengebruik over te gaan.”

Het hof beantwoordt ook die vraag bevestigend.

Het hof is van oordeel dat de officier van justitie met zijn besluit van 26 augustus 2015 binnen de hem wettelijk toegekende bevoegdheden en gestelde grenzen is gebleven, nu het bevel de feiten en omstandigheden bevat, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.

Hieruit volgt dat zowel het aanwijzingsbesluit van de burgemeester als het bevel ex artikelen 50, 51 en 52 van de WWM van de officier van justitie rechtmatig zijn genomen.

Het verweer dat bewijsuitsluiting zou moeten volgen, wordt verworpen.

Verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft verzocht, voor zover het hof van oordeel is dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, A. Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam, en de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam als getuigen te horen, zoals in zijn pleitnotities vermeld.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen van de getuigen, aangezien zij de noodzaak daartoe niet aanwezig acht.

Beoordeling van het getuigenverzoek

Het hof is van oordeel dat bij de beoordeling van het getuigenverzoek het noodzaakcriterium van toepassing is (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.66).

De raadsman heeft bij appelschriftuur reeds het verzoek gedaan deze getuigen te horen. Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2017 beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de verzoeken vervolgens afgewezen, omdat uit de motivering van het verzoek niet te halen valt welke nadere informatie in redelijkheid nodig zou zijn bij de door het hof te beantwoorden vragen uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof stelt vast dat de raadsman bij pleidooi dit verzoek voorwaardelijk herhaald heeft en daarbij aan dit verzoek geen nadere onderbouwing ten grondslag heeft gelegd.

Het hof overweegt, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het hiervoor door het hof overwogene, ten aanzien van de verzoeken om de burgemeester en de officier van justitie als getuigen te horen, dat uit de motivering en de onderbouwing van de verzoeken en het hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, niet te halen valt welke nadere informatie noodzakelijk zou zijn bij de door het hof te beantwoorden vragen uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is derhalve van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken. De verzoeken worden daarom afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op of omstreeks 7 oktober 2015 te Rotterdam, althans in Nederland, twee kentekenplaten (met het kenteken [kentekennr.], behorende bij een Audi Q7) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenplaten wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, vóór 2014, onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de stukken van het geding eerst op 19 juni 2017 bij het hof zijn binnengekomen, terwijl namens de verdachte op 5 juli 2016 hoger beroep is ingesteld. De termijn van inzending van de stukken in hoger beroep is derhalve met ruim drie maanden overschreden. Het hof stelt tevens vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM, nu de verdachte op 5 juli 2016 hoger beroep heeft ingesteld en het arrest eerst heden 10 september 2018 is gewezen, waardoor de redelijke termijn van de berechting van de onderhavige zaak in hoger beroep met 2 maanden is overschreden. Het hof is van oordeel dat nu een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, met deze vaststelling kan worden volstaan.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 november 2013 onder parketnummer 09-162293-13 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de proeftijd met een jaar, dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Tevens is gebleken dat de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf inmiddels is verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er geen gronden aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 7 oktober 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 november 2013, parketnummer 09-162293-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. C.H.M. Royakkers en mr. J. Leliveld, in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 september 2018.

Mr. J. Leliveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.