Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3784

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2018
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
22-000783-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar steeds verdergaande seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd bij een minderjarig meisje onder de 16 jaar dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De toenaderingen van verdachte begonnen toen aangeefster 11 jaar was. Daarnaast heeft de verdachte een ander meisje van destijds 18 jaar, dat in het kader van een stage bij ‘de [x]’ was terechtgekomen, meermalen aangerand.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000783-18

Parketnummer: 10-811226-16

Datum uitspraak: 22 juni 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1978,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tevens is de dadelijke uitvoerbaarheid gelast van de bijzondere voorwaarden. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als in het vonnis vermeld en is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 augustus 2014 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of te Nieuwe-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee en/of te Breda en/of Monster, gemeente Westland, althans (telkens) in Nederland,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- laten betasten en/of aftrekken van, zijn, verdachtes, penis;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 augustus 2014 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of te Nieuwe-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee en/of te Breda en/of Monster, gemeente Westland, althans (telkens) in Nederland,

met iemand die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt en/of met iemand die aan zijn zorg was toevertrouwd, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), ontucht heeft gepleegd, namelijk het

- betasten van de borsten en/of billen van die [slachtoffer] en/of

- tongzoenen van die [slachtoffer] en/of

- al dan niet over de kleding door die [slachtoffer] laten betasten van zijn, verdachtes, penis;

3:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 1 november 2009 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas, althans in Nederland,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het

- betasten van en/of knijpen in de borst(en) en/of

- zoenen op de mond en/of

- wrijven over en/of knijpen in het (boven)been en/of de billen en/of

- duwen/drukken van zijn geslachtsdeel tegen het achterwerk/de bil(len) van die [slachtoffer 2],

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) onverhoeds vastpakken en/of onverhoeds benaderen van die [slachtoffer 2].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis genomen beslissing aangaande de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het resterende deel van de vordering heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 augustus 2014 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of te Nieuwe-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee en/of te Breda en/of Monster, gemeente Westland, althans (telkens) in Nederland,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- laten betasten en/of aftrekken van, zijn, verdachtes, penis;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni september 2012 tot en met 31 augustus 2014 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas en/of te Nieuwe-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee en/of te Breda en/of Monster, gemeente Westland, althans (telkens) in Nederland,

met iemand die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt en/of met iemand die aan zijn zorg was toevertrouwd, te weten met [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2000), ontucht heeft gepleegd, namelijk het

- betasten van de borsten en/of billen van die [slachtoffer] en/of

- tongzoenen van die [slachtoffer] en/of

- al dan niet over de kleding door die [slachtoffer] laten betasten van zijn, verdachtes, penis;

3:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 1 november 2009 te Barendrecht en/of te 's-Gravendeel, gemeente Binnenmaas, althans in Nederland,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het

- betasten van en/of knijpen in de borst(en) en/of

- zoenen op de mond en/of

- wrijven over en/of knijpen in het (boven)been en/of de billen en/of

- duwen/drukken van zijn geslachtsdeel tegen het achterwerk/de bil(len) van die [slachtoffer 2],

het geweld en/of een andere welke feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) onverhoeds vastpakken en/of onverhoeds benaderen van die [slachtoffer 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen feit 1 en 2

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende consistent en dus onvoldoende betrouwbaar zijn om in beslissende mate te kunnen bijdragen aan een bewezenverklaring. Daarnaast kunnen de verklaringen van de getuigen geen steunbewijs opleveren; volgens de verdediging is in het bijzonder de getuige [getuige 1] onbetrouwbaar. Dit geldt ook voor de door de rechtbank, in een soort schakelbewijs-redenering, gebruikte getuigenverklaring van [getuige 2] en de verwijzing naar het tapgesprek met [getuige 3] deze kunnen volgens de verdediging niet voor het bewijs worden gebezigd. Subsidiair doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om [getuige 2] als getuige te horen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] op onderdelen (innerlijke) inconsistenties bevatten. Daarom heeft het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de verklaringen voor het bewijs de nodige behoedzaamheid betracht.

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 (weergegeven onder punt 4.1.2 op pagina 2 en 3 van het vonnis d.d. 15 februari 2018, met uitzondering van hetgeen de rechtbank overweegt over de verklaring van [getuige 2] op pagina 3 van het vonnis, te weten:

Daarnaast bevindt zich in het dossier een verklaring van de getuige [getuige 2]. Zij heeft verklaard dat ze vanaf haar 15e of 16e jaar een seksuele relatie had met de verdachte. [getuige 2] heeft verklaard dat ze verdachte hielp met de verzorging van de paarden en dat het contact tussen hen steeds intiemer werd. Het contact is begonnen met aanrakingen, en enkele maanden later vond er seks plaats dit gebeurde meermalen op verschillende plekken zoals op de zorgboerderij of bij de verdachte thuis.

En tevens met uitzondering van hetgeen de rechtbank overweegt over de tapgesprekken:

Tevens bevinden zich in het dossier tapgesprekken met seksueel getinte gesprekken berichten tussen de verdachte en de getuige [getuige 3]. Hoewel [getuige 3] ten tijde van de berichtwisseling meerderjarig was, was zij toendertijd wel een stagiaire op de zorgboerderij. Hieruit blijkt evenwel dat verdachtes eigen verklaring dat hij misschien alleen te amicaal is geweest richting aangeefster onjuist is, in die zin dat hieruit blijkt verdachte in staat is om naar jonge meisjes toe grensoverschrijdend seksueel gedrag te vertonen.

Deze overwegingen acht het hof niet redengevend voor de bewezenverklaring en deze worden mede daarom niet overgenomen uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank, die voor het overige als hier ingelast dienen te worden beschouwd.

Met betrekking tot de getuigen die belastend hebben verklaard, en die door de verdediging als onbetrouwbaar worden bestempeld, overweegt het hof dat deze verklaringen naar het oordeel van het hof wel voldoende betrouwbaar zijn. De verklaringen van aangeefster en de getuigen die voor het bewijs zijn gebruikt zijn ook naar het oordeel van het hof op kernpunten voldoende consistent en vinden telkens bovendien voldoende steun in één of meer andere bewijsmiddelen. Ook het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ten aanzien van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de getuigen geen aanleiding hun verklaringen voor zover die zijn gebezigd voor het bewijs daarvan uit te sluiten. Dat aangeefster eerder (tegen anderen) heeft ontkend dat ‘er iets was’ tussen haar en de verdachte acht het hof invoelbaar en die enkele stelling doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van haar voor het bewijs gebezigde verklaringen. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe:

De verklaring van aangeefster, inhoudende dat zij op enig moment, terwijl zij met de verdachte seksuele handelingen verrichtte, bijna is betrapt door haar vader vindt enige steun in de verklaring van haar vader. Deze heeft verklaard dat hij op een avond op zoek was gegaan naar zijn dochter omdat zij haar telefoon niet opnam. Hij is toen naar de [x] gereden, maar de stallen waren dicht. Daarna is hij naar het [y] gereden. De schuur stond daar open en het was donker in de schuur. Aangeefsters vader heeft in de schuur haar naam geroepen. Er reageerde aanvankelijk niemand. Even later zag aangeefsters vader hen (het hof begrijpt: aangeefster en de verdachte) diezelfde schuur uitkomen, waarop zijn dochter geschrokken reageerde wat hij daar kwam doen. Daar komt tot slot nog bij dat hetgeen aangeefster heeft verklaard ook steun vindt in de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat hij aangeefster weleens op haar billen heeft geslagen en dat hij haar een keer op de mond heeft gezoend.

Het voorwaardelijke verzoek om [getuige 2] als getuige te horen behoeft geen bespreking nu het hof haar verklaring niet tot het bewijs zal bezigen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar steeds verdergaande seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd bij een minderjarig meisje onder de 16 jaar dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De toenaderingen van verdachte begonnen toen aangeefster 11 jaar was. Verdachte was beheerder van de zorgboerderij ‘de [x]’ waar aangeefster haar eigen paard had gestald. Aangeefster hielp de verdachte met de dagelijkse bezigheden op de boerderij, waardoor ze elkaar bijna dagelijks zagen en de ontuchtige en andere seksuele handelingen veelvuldig hebben plaatsgevonden.

Daarnaast heeft de verdachte een ander meisje van destijds 18 jaar, dat in het kader van een stage bij ‘de [x]’ was terechtgekomen, meermalen aangerand door haar onverwachts op haar billen te slaan, haar borsten te betasten en haar op haar mond te zoenen.

Door zijn handelen heeft de verdachte gedurende langere tijd ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is volstrekt onbegrijpelijk en verwerpelijk dat de verdachte zich zo door zijn lustgevoelens heeft laten meeslepen ten koste van in ieder geval één kwetsbaar slachtoffer waarop hij fysiek en psychisch overwicht had vanwege zijn positie op de boerderij en zijn leeftijd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige daarvan nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden; dit blijkt ook uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaringen van de ouders van aangeefster [slachtoffer] en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2]. Uit de proceshouding van de verdachte maakt het hof voorts op dat hij niet wezenlijk verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn handelen. Het hof rekent de verdachte zijn gedragingen gelet op dat alles zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een - deels voorwaardelijke - gevangenisstraf. Daarbij heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk zijn. Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daarom zullen de op te leggen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De verdachte heeft zich immers gedurende langere periodes schuldig gemaakt aan ernstige zedendelicten jegens een meisje van ongeveer 12 jaar en een jonge vrouw. Uit het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof voorts af dat de verdachte zich ook jegens andere meisjes en/of jonge vrouwen grensoverschrijdend heeft gedragen. De kans op recidive wordt naar het oordeel van het hof nog vergroot door de houding van de verdachte, ook ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte lijkt verstoken te zijn van werkelijk inzicht in de ontoelaatbaarheid van zijn handelen, in die zin dat hij nog steeds niet goed begrijpt wat hij verkeerd heeft gedaan. Zijn opmerking ter zitting in hoger beroep “Het schijnt allemaal heel erg te zijn” is wat dat betreft tekenend. Daarnaast is hij, zoals volgt uit het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 17 oktober 2016, niet intrinsiek gemotiveerd om een behandeling te ondergaan. Gezien de houding van de verdachte en bovengenoemd recidivegevaar zal het hof een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, en met een langere proeftijd, in de hoop dat dit als stok achter de deur werkt voor de verdachte om zich te houden aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 20.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 10.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245, 246 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt voorts de navolgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  • -

    dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zedendelinquenten zal stellen bij het Dok en/of de Waag, of een soortgelijke forensische instelling, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met die instelling verantwoord vindt;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de gehele proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren [geboortejaar] 2000;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen (vrijwilligers)werk zal verrichten waarbij minderjarigen betrokken zijn, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 februari 2013.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. A.S.I. van Delden en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2018.

Mr. J.M. van de Poll is buiten staat dit arrest te ondertekenen.