Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3774

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.120.835/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling verdeling gemeenschappelijk stuk grond in Suriname. Toedeling onverdeeld aandeel van de vrouw aan de man. Voor bepaling waarde benoemde deskundige trekt zich na het uitbrengen van het rapport terug. Nieuw deskundigen onderzoek is niet van de grond gekomen. Hof bepaalt zelf de waarde aan de hand van het eerste en enige wel uitgebrachte rapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.120.835/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 417949/HA ZA 12-525

arrest van 18 december 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante, tevens incidenteel verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. drs. J. de Visser te Den Haag, thans mr. I. Oolgaard te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T. van den Bout te Den Haag.

Het verloop van het geding

1. Het hof heeft in de onderhavige zaak op respectievelijk 23 december 2014 (op 3 februari 2015 hersteld bij herstelarrest), 26 januari 2016 en 14 februari 2017 tussenarresten gewezen. Voorts heeft op 2 maart 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

2. Voor een goed begrip van de zaak zal het hof hieronder het verloop daarvan kort schetsen.

Recapitulatie

3. Partijen zijn gehuwd geweest in de wettelijke gemeenschap van goederen. Het huwelijk en de huwelijksgemeenschap van partijen zijn [in] 1986 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het nog onverdeelde gedeelte van de ontbonden huwelijksgemeenschap, te weten het een/zesde aandeel van de man in de nog onverdeelde eigendom van drie percelen land, gelegen in het district Commewijne op de uitmetingskaart van de landmeter [volgt naam] op 23 april 1957 aangeduide met de letters ABCD, bekend als [volgen gegegevens] te Suriname, dient nog tussen partijen te worden verdeeld. Partijen zijn het erover eens dat de (mede-) eigendom van de percelen land aan de man moet worden toegedeeld en dat aan de vrouw een bedrag wegens onderbedeling toekomt.

4. In het bestreden vonnis van 10 oktober 2012 van de rechtbank Den Haag heeft de rechtbank het onverdeelde gedeelte aan de man toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw een bedrag van € 700, - te betalen. De vrouw is veroordeeld om binnen tien dagen na de ontvangst van dit bedrag medewerking te verlenen aan de scheiding en deling van het gezamenlijk eigendom van de percelen en de levering van het aandeel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000, - per dag met een maximum van € 20.000, -. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

5. Partijen verschillen in appel van mening over de vraag voor welke waarde het tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende aandeel in de percelen in Suriname in de verdeling moet worden betrokken en welk bedrag de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te betalen. Zij zijn het evenmin eens over de peildatum voor de waardebepaling van het aandeel van de man. De vrouw is van mening dat als hoofdregel dient te gelden de waarde ten tijde van de verdeling. De man stelt zich op het standpunt dat van deze hoofdregel moet worden afgeweken op grond van de redelijkheid en billijkheid en dat moet worden uitgegaan van de waarde van het aandeel op de datum waarop hij zijn aandeel in de vooromschreven percelen aan zijn broer, [volgt naam] , zou hebben verkocht in 1993. Dit aangezien de man niet heeft kunnen meeprofiteren van een eventuele waardestijging nadien.

6. In rechtsoverweging 13 van zijn tussenarrest van 23 december 2014, hersteld bij herstelarrest van 3 februari 2015, heeft het hof reeds geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de man zijn aandeel in het onverdeelde eigendom van de in het geding zijnde percelen heeft vervreemd en hij niet langer mede-eigenaar is. Het hof gaat er daarom vanuit dat dit aandeel in de mede-eigendom nog steeds behoort tot de op dat onderdeel onverdeelde huwelijksgemeenschap.

7. In rechtsoverweging 14 is overwogen dat de man voor het overige niets heeft aangevoerd op grond waarvan er omwille van eisen van redelijkheid en billijkheid zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel voor de waarderingspeildatum, zodat het aandeel van de vrouw aan de man zal worden toegedeeld tegen de waarde die het heeft op het tijdstip van waardering daarvan, te bepalen door een door het hof te benoemen deskundige.

8. In voormeld tussenarrest heeft het hof voorts overwogen dat niet is komen vast te staan dat de man het gemeenschapsgoed opzettelijk voor de vrouw heeft verzwegen.

9. In het dictum van het tussenarrest is iedere verder beslissing aangehouden

10. Bij zijn daarop volgende tussenarrest van 26 januari 2016 heeft het hof overwogen dat, voor zover de vrouw haar vordering heeft gewijzigd in die zin dat zij thans toedeling wenst van het aandeel van de man in de nog onverdeelde eigendom van de percelen in Suriname, deze vordering zal worden afgewezen. Voorts is een deskundigenonderzoek bepaald als in het dictum vermeld, uit te voeren door de heer [Deskundige een] te Suriname. Hierbij diende de deskundige onder meer de waarde in het economisch verkeer per datum van taxatie van het onroerend goed te bepalen, rekening houdend met het mogelijk daarop rustende levenslange zakelijk recht van vruchtgebruik dat bij akte van 31 augustus 1964 is toegekend aan de inmiddels overleden vader van de man en de moeder van de man. Ook diende de waarde van de percelen te worden vastgesteld indien geen zakelijk recht van vruchtgebruik op die percelen zou rusten. Daarnaast is in het dictum iedere verdere beslissing aangehouden.

11. Bij het opvolgende tussenarrest van 14 februari 2017 van het hof is een comparitie van partijen gelast aangezien - kort gezegd - de benoemde deskundige het hof bij faxbericht van 29 december 2016 had meegedeeld zich per die datum terug te trekken in de onderhavige zaak. De deskundige had wel een rapport bij het hof ingediend, maar weigerde ondanks de voorafgaande herhaalde verzoeken van het hof daartoe, daarin de reacties van partijen te verwerken. Bij voormeld tussenarrest is voorts iedere verdere beslissing aangehouden.

12. Op 2 maart 2017 heeft de gelaste comparitie van partijen plaatsgevonden ten overstaan van de raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck. Verschenen zijn: de vrouw met haar toenmalige advocaat, mr. J. de Visser, en de man met zijn advocaat. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is verwezen naar de rol van 18 april 2017 voor akte van beide partijen.

13. De vrouw en de man hebben ieder ter rolzitting van 18 april 2017 een akte ingediend.

14. Partijen hebben de aanvullende processtukken (na tussenarrest van 26 januari 2016) ingediend en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

15. Ter zitting van 2 maart 2017 zijn, nadat is geconstateerd dat een schikking niet mogelijk was, de volgende afspraken gemaakt:

  • -

    partijen zullen ieder bij akte één deskundige aanwijzen; deze deskundigen zullen vervolgens door het hof worden benoemd;

  • -

    de beide te benoemen deskundigen zullen de opdracht krijgen om gezamenlijk een derde deskundige aan te wijzen;

  • -

    de drie deskundigen zullen tezamen het onroerend goed taxeren;

  • -

    voor de waardering zullen zij uitgaan van drie waarderingspeildata, te weten: 1) de waarde van het onroerend goed ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 2) de waarde van het onroerend goed ten tijde van de taxatie en 3) de waarde van het onroerend goed ten tijde van de taxatie maar met abstrahering van de door de man en/of zijn familie aangebrachte verbeteringen;

  • -

    de deskundigen zullen daarnaast nog een vierde waardering uitvoeren, namelijk de waarde van het onroerend goed zoals het ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap was samengesteld, derhalve een waardering onafhankelijk van externe factoren, zoals de aanleg van een grote brug;

  • -

    de hiervoor vermelde waarderingen zullen bindend door de drie deskundigen worden vastgesteld;

  • -

    de deskundigen zullen partijen uitdrukkelijk in de gelegenheid stellen in persoon dan wel bij volmacht aanwezig te zijn bij de waardering(en);

  • -

    partijen zullen bij die zelfde akten ieder aanvullende vragen kunnen formuleren voor de deskundigen;

  • -

    het rapport van de eerder benoemde deskundige, [Deskundige een] , zal ter zijde worden gesteld en dit rapport zal geen rol meer spelen bij de nieuwe waardering;

  • -

    de kosten van de deskundigen zullen in debet worden gesteld en deze zullen door de vrouw kunnen worden voldaan bij gelegenheid van de toedeling van de onroerende zaak aan de man;

  • -

    nadat de deskundigen over hun gezamenlijke taxaties rapport hebben uitgebracht aan het hof zullen partijen zich nog mogen uitlaten over welke waardering (peildatum) in hun visie tot uitgangspunt moet worden genomen.

16. De vrouw heeft bij akte voorgesteld om als deskundige te benoemen: de heer [Deskundige twee]
De vrouw heeft vermeld dat de heer [Deskundige twee] de opdracht zal aanvaarden. De vrouw heeft met betrekking tot de vraagstelling aan de deskundigen vermeld dat haars inziens de vierde vraag, althans de vierde waarderingspeildatum, gelijkluidend is aan de eerste. ‘De grote brug’ waarom het zou gaan is geopend in het jaar 2000 en toen waren partijen al veertien jaren uit elkaar.

17. De man heeft bij akte voorgesteld om als deskundige van zijn kant te benoemen: de heer [Deskundige drie] . Deze heeft zich schriftelijk bereid verklaard de benoeming door het hof te aanvaarden teneinde samen met de twee andere taxateurs de vier taxaties, zoals gereleveerd in het proces-verbaal van de zitting van 2 maart 2017, uit te voeren. De man gaat niet akkoord met het laten vervallen van het vierde vraagpunt, zoals door de vrouw is bepleit.

18. De vraagstelling die aan de deskundigen zal worden voorgelegd, is met partijen besproken zoals is weergegeven in het proces-verbaal van de zitting en luidt als volgt:

wat is de waarde van het tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behorende aandeel in de nog onverdeelde eigendom van drie percelen land, gelegen in het district Commewijne op de uitmetingskaart van de landmeter [volgt naam] op 23 april 1957 aangeduid met de letters ABCD, bekend als [volgen gegegevens] te Suriname:

1) ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap;

2) ten tijde van de taxatie;

3) ten tijde van de taxatie maar met abstrahering van de door de man en/of zijn familie aangebrachte verbeteringen;

4) zoals deze ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap waren samengesteld, derhalve een waardering onafhankelijk van externe factoren, zoals de aanleg van een grote brug.

Het hof ziet geen grond om - zoals de vrouw wenst - op voorhand een vraag te laten vervallen. Aan de hand van de bevindingen van de deskundigen en de reacties van partijen daarop, zou het hof oordelen over de vraag welke waardering en peildatum tot de beslissing moeten leiden. Voor het overige hebben partijen geen vragen voorgesteld.

De deskundigen

19. Bij e-mailbericht van 24 oktober 2017 met copie conform aan de heren [Deskundige een] en [Deskundige vier] heeft de heer [Deskundige twee] de griffier van dit hof laten weten dat de taxatiecommissie als volgt is samengesteld: 1. [Deskundige twee] 2. [Deskundige drie] 3. [Deskundige vier] en dat hij een groepsapp heeft gemaakt waarin voornoemde personen reeds in overleg zijn over de aanpak en kostenberekening van de taxatie. Voorts geeft de heer [Deskundige twee] aan nog de volgende gegevens nodig te hebben:

  • -

    de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap;

  • -

    de data (eventueel ondersteund door officiële documenten) van eventueel aangebrachte verbeteringen/veranderingen;

  • -

    de perceelkaarten (en eventueel de hypothecaire uittreksels) van de objecten;

  • -

    een persoon die de objecten kan aanwijzen en de loop van gebeurtenissen met betrekking tot de veranderingen/verbeteringen kan aangeven.

20. Bij e-mailbericht van 5 december 2017 aan de griffier van het hof met copie conform aan de heren [Deskundige een] en [Deskundige vier] herhaalt de heer [Deskundige twee] zijn verzoek om de eerder gevraagde informatie. Hij vindt deze informatie noodzakelijk voordat de taxateurs het onroerend goed kunnen gaan bezichtigen en verwacht die informatie alsnog te verkrijgen om het werk behoorlijk uit te voeren.

21. Bij e-mailbericht van 18 december 2017 aan de drie deskundigen met copie conform aan de advocaten van partijen, deelt de griffier van dit hof mee dat het hof nog steeds wacht op een kostenbegroting van de drie deskundigen, die moet worden aangeleverd door de heer [Deskundige vier] , de derde deskundige die de regiefunctie zal hebben. Ook wordt aangegeven dat partijen daarmee moeten instemmen alvorens het hof in een tussenarrest de deskundigen kan benoemen. De griffier deelt mee dat in het tussenarrest ook de verdere gegevens van de heer [Deskundige vier] (naam, adres, e-mailadres, telefoonnummer) moeten worden vermeld en verzoekt deze gegevens te verstrekken. Als aan dat alles is voldaan, kunnen de deskundigen aan de slag.

22. Op voormeld e-mailbericht van de griffier van het hof is noch van de advocaten van partijen noch van de deskundigen een reactie gekomen.

23. Bij e-mailbericht van 17 juli 2018 heeft de griffier van dit hof de deskundigen met copie conform aan de advocaten van partijen een rappel gestuurd van het e-mailbericht van 18 december 2017. Hierin wordt aangegeven dat het hof nog steeds geen kostenbegroting en de nodige gegevens van de heer [Deskundige vier] heeft ontvangen. Hierdoor kan het hof, na toestemming van partijen, nog steeds geen tussenarrest uitspreken waarin een deskundige wordt bevolen.

24. Op dit rappel is evenmin een reactie gekomen.

25. Bij brief van 28 september 2018 heeft het hof de advocaten van partijen bericht dat ondanks de herhaaldelijke verzoeken van de griffier van dit hof per e-mail daartoe het hof tot op die datum geen door de heer [Deskundige vier] op te stellen kostenbegroting van het deskundigenonderzoek heeft ontvangen. Ook zijn de nadere gegevens van de heer [Deskundige vier] , zoals volledige voornamen, adres, telefoonnummer en zakelijk e-mailadres niet aan het hof verstrekt. Het hof heeft partijen bij voormelde brief nog eenmaal in de gelegenheid gesteld te bevorderen dat de verzochte gegevens van de heer [Deskundige vier] en de voormelde kostenbegroting worden overgelegd binnen een termijn van zes weken, nu deze deskundige immers door de deskundigen van partijen is aangewezen. Het hof heeft tevens aangegeven dat bij gebreke van de verzochte gegevens van de heer [Deskundige vier] en de kostenbegroting, het hof zal beslissen als het geraden voorkomt.

26. Bij e-mailbericht van 18 oktober 2018 aan de heer [Deskundige drie] , de heer [Deskundige vier] , de griffier van het hof en de voormalige advocaat van de man, meldt de heer [Deskundige twee] aan de heer [Deskundige drie] het volgende:

‘Hieronder treft U de datum van ontbinding van het huwelijk die ik doorgekregen heb van de advocaat Mr. De Visser. Als de datum van ontbinding 2012 is, kunnen wij gewoon werken met de waarde van 2012 omdat de grote brug die de waarden van onroerend goed in het district Commewijne heeft doen toenemen in het jaar 2000 is gebouwd.

Omdat uw client beweert dat het huwelijk voor het jaar 2000 is ontbonden, terwijl de advocaat van [de vrouw] mij een andere datum heeft doorgestuurd.

Dit is wat dhr. [Deskundige vier] bewezen tracht te krijgen door partijen door officiële stukken, waardoor de zaak zo lang duurt.’

27. Op 26 oktober 2018 is door de griffier van dit hof per e-mailbericht aan de advocaat van de vrouw en de advocaat van de man met copie conform aan de heer [Deskundige twee] , de heer [Deskundige een] en de heer [Deskundige vier] meegedeeld dat het huwelijk en de huwelijksgemeenschap van partijen op 8 augustus 1986 zijn ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Hiervoor wordt door de griffier verwezen naar de processtukken in eerste aanleg (productie 3 bij inleidende dagvaarding zijdens de man). Tevens is een gescande kopie van de desbetreffende akte bij het e-mailbericht gevoegd. De griffier van het hof heeft voorts meegedeeld dat de deskundigen zich voor de overige gegevens tot de advocaten van partijen dienen te wenden.

28. Noch de advocaten van partijen, noch de heren [Deskundige twee] , [Deskundige een] en [Deskundige vier] hebben op voormeld e-mailbericht gereageerd.

29. Bij e-mailbericht van woensdag 21 november 2018 met copie conform aan de huidige advocaat van de vrouw, de heer [Deskundige een] en de heer [Deskundige twee] heeft de heer [Deskundige vier] de griffier van het hof de gevraagde gegevens doen toekomen en meegedeeld dat hij uiterlijk morgen de individuele kostenopgave van zijn collega’s hoopt binnen te hebben en dat het hof uiterlijk vrijdag (het hof begrijpt: 23 november 2018) een kostenbegroting van hen ontvangt.

30. Bij e-mailbericht van 28 november 2018 met copie conform aan de advocaten van partijen en de heren [Deskundige een] en [Deskundige twee] , heeft de griffier van het hof de heer [Deskundige vier] het volgende meegedeeld:

‘In de zaak [de vrouw] tegen [de man] (zaaknummer 200.120.835/01) deel ik u naar aanleiding van uw e-mailbericht van 21 november 2018 aan de griffier van dit hof het volgende mee.

Het hof heeft de advocaten van partijen bij brief van 28 september 2018 een termijn van zes weken gesteld om uw nadere gegevens en een door u op te stellen kostenbegroting aan het hof te doen toekomen. In diezelfde brief heeft het hof aangekondigd dat bij gebreke van die nadere gegevens en de kostenbegroting het hof zal beslissen als het geraden voorkomt. De door het hof gestelde termijn is ruimschoots overschreden. Het hof zal in deze zaak dan ook een eindarrest wijzen.

Dit brengt mee dat de door u aangekondigde kostenbegroting niet meer nodig is en u geen kostenbegroting meer hoeft te maken en op te sturen.’

31. Bij e-mailbericht van diezelfde datum met kopie conform aan de advocaten van partijen en de heren [Deskundige een] en [Deskundige twee] heeft de heer [Deskundige vier] de griffier van het hof bericht als volgt:

‘Mijn schrijven d.d. 21 november en op heden 28 november 2018 zijn naar aanleiding van een schrijven van mevrouw I. Oolgaard d.d. 9 november 2018(zie bijlage), waarin gevraagd werd vóór 1 december 2018 de gevraagde informatie op te sturen.

U schrijft nu echter dat “De door het hof gestelde termijn is ruimschoots overschreden.”.

Mij rest in deze niets anders dan u te danken voor uw mededeling.’

Verdeling

32. Uit het hierboven vermelde verloop van de zaak blijkt dat geen deskundigenonderzoek door de door partijen naar voren gebrachte deskundigen van de grond is gekomen en dat een definitief taxatierapport niet voorhanden is. Het hof beschikt enkel over de rapportage van 29 maart 2016 opgesteld door de deskundige [Deskundige een] , die zich - zoals hiervoor eerder is vermeld - als deskundige heeft onttrokken. Zoals het hof reeds heeft aangekondigd, zal het ter zake de verdeling van het tot de ontbonden gemeenschap van partijen behorende aandeel van de man in het onroerend goed in Suriname derhalve beslissen zoals het hof geraden voorkomt.

33. Nu de door partijen voorgestane deskundigen niet samen met de beoogde derde deskundige tot de waardering van het aandeel van de man in het onroerend goed te Suriname per de diverse tussen partijen overeengekomen waarderingspeildata hebben kunnen komen, oordeelt het hof als volgt. Het hof ziet aanleiding uit te gaan van de waarderingspeildatum 29 maart 2016, zijnde de datum van de taxatie door de heer [Deskundige een] . Het ontbreekt het hof immers aan gegevens om - conform de hoofdregel - de waarde van het onroerend goed ten tijde van de feitelijke verdeling te kunnen vaststellen. Het hof acht het redelijk en billijk aan te sluiten bij de waarde zoals opgenomen in voormeld rapport, nu daarin ook de verbeteringen aan het onroerend goed zijn meegewogen. Uit het overgelegde uittreksel uit een overlijdensakte (productie 3 overgelegd bij akte van 8 november 2016 zijdens de vrouw) blijkt dat de moeder van de man op 8 september 2016 is overleden, zodat op het voormelde waarderingstijdstip nog altijd het zakelijk recht van vruchtgebruik op de percelen rustte. Naar het oordeel van het hof dient deze waardedrukkende factor mede in aanmerking te worden genomen. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot een waarde van het aandeel van de man in het onroerend goed in Suriname van 1/6 x € 807.447,39 = € 134.574,57 conform de executiewaarde rekening houdende met het vruchtgebruik. Deze waarde komt het hof onder de hiervoor omschreven omstandigheden redelijk en billijk voor.

34. Het hof zal het onverdeelde aandeel van de vrouw in het onverdeelde aandeel van de man in het onroerend goed in Suriname overeenkomstig zijn vordering toedelen aan de man onder de verplichting de helft van de waarde, ofwel ½ x € 134.574,57 = € 67.287,29 te vergoeden aan de vrouw.

35. Het hof gaat er vanuit dat in Suriname nog levering van het aan de man toegedeelde onroerend is vereist en zal de vrouw veroordelen haar medewerking te verlenen aan de levering van haar voormelde onverdeelde aandeel aan de man, voortvloeiende uit de verdeling. Indien de vrouw die medewerking desverzocht door de notaris die de leveringsakte zal verlijden op de hiervoor beschreven wijze niet zou verlenen, zal het hof voor dat geval een (dwang)vertegenwoordiger aanwijzen die in de plaats van de vrouw zal meewerken aan de levering van het meeromschreven onroerend goed. Het hof gaat er daarbij voorts vanuit dat de man en de vrouw ieder gelijktijdig aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verdeling voldoen. De man zal daartoe het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag wegens overbedeling van € 67.287,29 doen storten op de derdengeldrekening van de instrumenterende Surinaamse notaris, die dat bedrag dan vervolgens aan de vrouw overmaakt na de levering.

36. Nu het bestreden vonnis door het hof zal worden vernietigd en de vrouw derhalve niet gehouden was mee te werken aan een verdeling waarbij zij uit hoofde van die verdeling
€ 700,- zou ontvangen, was er ook geen grond om haar in eerste aanleg een dwangsom op te leggen. In hoger beroep ziet het hof evenmin aanleiding voor het opleggen van een dwangsom, zodat de vordering van de man ter zake zal worden afgewezen.

Proceskosten

37. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof zal om diezelfde reden de proceskostencompensatie in eerste aanleg handhaven. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

38. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht doende:

deelt het onverdeelde aandeel van de vrouw in het onverdeelde aandeel van de man in het onroerend goed in Suriname toe aan de man onder de verplichting de helft van de waarde, ofwel ½ x € 134.574,57 = € 67.287,29 aan de vrouw te vergoeden;

deelt aan de vrouw toe een vordering wegens onderbedeling op de man ten bedrage van € 67.287,29 en veroordeelt de man tot betaling daarvan op het tijdstip dat de levering aan hem van het aan hem toegedeelde onroerend heeft plaats gevonden;

veroordeelt de vrouw tot medewerking aan de levering aan de man van het aan hem bij dit arrest toegedeelde onroerend goed zodra de Surinaamse notaris die de levering zal verzorgen haar daartoe heeft opgeroepen tegen de door deze notaris in redelijkheid te bepalen dag en uur waarop partijen voor hem moeten verschijnen voor het verlijden van de akte van levering. Voor zover de vrouw die medewerking op de hiervoor beschreven wijze niet verleent, wijst het hof aan als vertegenwoordiger die in haar plaats de handeling(en) zal verrichten waartoe zij jegens de man gehouden is: mevrouw mr. R.N. Baldew, Oostergosingel 2, 2548 NV Den Haag, telefoon: 070-359 53 23, e-mail: info@advocatenkantoorbaldew.nl;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018 in aanwezigheid van de griffier.