Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3770

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
22-005416-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft illegaal vuurwerk voorhanden gehad en zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een illegaal vuurwerk (een nitraat) door deze aan te steken en te gooien in een aula van een school, waarin meerdere personen aanwezig waren. Hierdoor heeft een meisje gehoorverlies opgelopen waar, zoals het er nu naar uitziet, geen uitzicht is op algeheel herstel.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005416-17

Parketnummer: 09-777068-17

Datum uitspraak: 22 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2002,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest. Tevens is op de vordering van de benadeelde partij beslist als in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk in de aula van een school (te weten [school]), een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat), aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, te rollen/gooien, waarbij dat vuurwerk te midden van die groep is geëxplodeerd, en daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk voor [slachtoffer] en een of meer andere (aldaar aanwezige) personen en gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2 primair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], in de aula van een school (te weten [school]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en/of (vervolgens) dat vuurwerk temidden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school te rollen/gooien, al dan niet in de directe omgeving van die [slachtoffer], waarbij dat vuurwerk temidden van die groep en/of in de directe omgeving van die [slachtoffer], is geëxplodeerd;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten [school]), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan die [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet opzettelijk zwaar en illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat), heeft/hebben aangestoken en (vervolgens) dat vuurwerk te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, heeft/hebben gerold/gegooid, waarbij die personen en/of die [slachtoffer] zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevond(en), waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [slachtoffer] is geëxplodeerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten [school]), in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], in elk geval tegen een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld bestond uit het aansteken van illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat) en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, waaronder die [slachtoffer], te rollen/gooien, waarbij die personen, waaronder die [slachtoffer], zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevonden, waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [slachtoffer] is geëxplodeerd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad en/of waarbij hij, verdachte, opzettelijk de vloer van de aula van voornoemde school heeft vernield;

2 meest subsidiair:

hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, in de aula van een school (te weten [school]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemd nitraat) aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen en/of die [slachtoffer], te rollen/gooien, waarbij die personen en/of die [slachtoffer] zich op zeer korte afstand van dat vuurwerk bevond(en), waarbij dat vuurwerk op zeer korte afstand van die personen en/of die [slachtoffer] is geëxplodeerd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een hoeveelheid van achttien (18), althans een of meer stuks vuurwerk (te weten 5, althans een of meer AB21('s), althans Chooet Banger(s) en/of, 13 althans een of meer nitraatklapper(s)), bestaande uit knalvuurwerk met een lengte van minder dan 56 mm en bevattende minder dan 6 gram NEM, voorhanden heeft gehad, terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de gestelde eisen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal ter zake van de vordering van de benadeelde partij gevorderd te beslissen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk in de aula van een school (te weten [school]), een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, door toen en aldaar opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en dat vuurwerk op de vloer, te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school, te rollen/gooien, waarbij dat vuurwerk te midden van die groep is geëxplodeerd, en daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en een of meer andere (aldaar aanwezige) personen en gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2 primair:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], in de aula van een school (te weten [school]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het trommelvlies en/of (vervolgens) gehoorverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk illegaal vuurwerk (een zogenoemde nitraat) aan te steken en/of (vervolgens) dat vuurwerk te midden van een groot aantal leerlingen van voornoemde school te rollen/gooien, al dan niet in de directe omgeving van die [slachtoffer], waarbij dat vuurwerk te midden van die groep en/of in de directe omgeving van die [slachtoffer], is geëxplodeerd;

3:
hij op of omstreeks 9 december 2016 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een hoeveelheid van achttien (18), althans een of meer stuks vuurwerk (te weten 5, althans een of meer AB21('s), althans naam: Chooet Banger(s) en/of, 13 althans een of meer nitraatklapper(s)), bestaande uit knalvuurwerk met een lengte van minder dan 56 mm en bevattende minder dan 6 gram NEM, voorhanden heeft gehad, terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de gestelde eisen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair:

Medeplegen

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna medeverdachte) beide feiten heeft gepleegd. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd - volgt dat de verdachte op 9 december 2016 illegaal knalvuurwerk, waaronder nitraten, heeft meegenomen naar school. Al ruim voor dat de feiten plaatsvonden, omstreeks 7.55 uur, hebben beide verdachten met elkaar gesproken over het afsteken van het vuurwerk in de aula. De medeverdachte heeft daarover verklaard dat de verdachte vertelde dat hij vuurwerk bij zich had en dat er ook onderling gesproken is over het daadwerkelijk afsteken van dit vuurwerk die dag op school. Blijkens de door de verdachte op 9 december 2016 afgelegde verklaring heeft hij tegen de medeverdachte gezegd: “steek het af in de aula” en “als je ballen hebt, steek je het hier af”. De verklaring van de verdachte een week later dat hij dit niet heeft gezegd, maar dat het juist de medeverdachte was die tegen hem zei dat hij de nitraat moest aansteken, acht het hof niet geloofwaardig. Uit het feit dat de verdachte van tevoren met de medeverdachte heeft gesproken over het daadwerkelijk afsteken van het vuurwerk in de aula, dat de verdachte zelf in de aula een nitraat én een aansteker aan hem heeft overhandigd, alsmede uit de daarbij gebezigde woorden, leidt het hof af dat de verdachte er van uit ging (of er in ieder geval ernstig rekening mee hield dan wel moest houden) dat de medeverdachte het vuurwerk ook daadwerkelijk zou aansteken. Dat hij kon of mocht denken dat het slechts om een geintje ging gaat het hof dan ook te ver.

De medeverdachte heeft de nitraat vervolgens aangestoken en in de aula - zijnde een besloten ruimte, waarin zich meerdere personen bevonden - gegooid zonder te kijken in welke richting hij die gooide; door de ontploffing die daarop volgde heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen.

Naar het oordeel van het hof is sprake van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking bij dit feit dat er sprake is van medeplegen van het teweeg brengen van de ontploffing en het daardoor toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Beiden hebben met hun hiervoor uiteengezette handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan die feiten.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Opzet

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk (in voorwaardelijke zin) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Het hof verwerpt – overeenkomstig het oordeel van de rechtbank - het verweer.

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling dient (op z’n minst) te worden vastgesteld dat er door de handelingen van de verdachte een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel bij een ander en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – leidt het hof af dat de verdachte in de aula, een besloten ruimte, waarin zich op dat moment meerdere personen bevonden, een nitraat en vervolgens een aansteker heeft gegeven aan de medeverdachte, die daarna ook daadwerkelijk die nitraat daar afsteekt. De verdachte wist dat de nitraat illegaal knalvuurwerk was en dat je, zoals hij heeft verklaard, met het aansteken van de nitraat problemen zou kunnen krijgen, omdat die schade zou kunnen veroorzaken.

Uit de in het dossier opgenomen deskundigenverklaring van het NFI (p. 72) blijkt ook dat als dergelijk knalvuurwerk tot ontploffing komt er kans op schade aan de ledematen bestaat, alsook op oogletsel en gehoorschade. De ernst van de gevolgen is volgens dat rapport onder meer afhankelijk van de plaats van het lichaamscontact met het vuurwerk, de kracht van de lading en reflecties van het geluid. Gelet op de plaats waar en wijze waarop

medeverdachte het vuurwerk heeft gegooid, bestond een aanzienlijke kans dat de nitraat tot ontploffing zou komen vlakbij of tegen iemands lichaam, waarbij het hof de kans op zwaar lichamelijk letsel, zoals in casu gehoorschade, bij één van de omstanders aanmerkelijk acht.


Het hof is van oordeel dat een veertienjarige, zoals de verdachte ten tijde van het incident, die weet dat het om illegaal vuurwerk gaat, ook bekend is met de omstandigheid dat de kans dat dit vuurwerk als het in de directe nabijheid van mensen ontploft of neerkomt, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel en dat die kans geenszins als denkbeeldig is te verwaarlozen. Dit mede gelet op de jaarlijks terugkerende campagnes van de overheid onder meer in TV-spotjes en kranten- en tijdschriftadvertenties, inhoudende een waarschuwing met die strekking en met de slogan “Je bent een rund als je met vuurwerk stunt”.

De verdachte heeft met deze wetenschap in die aula een nitraat en vervolgens ook een aansteker aan de medeverdachte gegeven, die deze zoals vooraf besproken aanstak en gooide. Hiermee heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een van de aanwezigen in die aula op de koop toegenomen.

Zwaar lichamelijk letsel

Anders dan de raadsman en met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Blijkens het medisch advies van 13 november 2017 is sprake van een gehoorbeschadiging in de vorm van oorpijn en gehoorverlies. Vastgesteld is gehoorschade van enige wezenlijke omvang. Uit de recent ten behoeve van de terechtzitting in hoger beroep ingebrachte gegevens ter onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij leidt het hof af dat op 25 juli 2018, dus ruim anderhalf jaar na het incident in de aula, nog sprake is van gehoorverlies in het linkeroor, terwijl er geen uitzicht is op algeheel herstel.

Het hof gaat voorbij aan het onder andere door de raadsman aangehaalde arrest ECLI:NL:GHDHA:2015:3266, nu dit ziet op een casus die in verschillende opzichten anders is dan de onderhavige. In de aangehaalde casus heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd en heeft het hof geen overweging gewijd aan de vrijspraak van de primair tenlastegelegde zware mishandeling; het incident had plaats op 1 januari 2015 tussen 2.15 en 2.30 uur, de periode waarin het afsteken van vuurwerk is toegestaan, en het betrof - waarschijnlijk - legaal vuurwerk.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde levert op:


de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en

medeplegen van zware mishandeling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, te weten artikel 1.2.2, vierde lid, van het Vuurwerkbesluit

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft illegaal vuurwerk voorhanden gehad en zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een illegaal vuurwerk (een nitraat) door deze aan te steken en te gooien in een aula van een school, waarin meerdere personen aanwezig waren. Hierdoor heeft een meisje gehoorverlies opgelopen waar, zoals het er nu naar uitziet, geen uitzicht is op algeheel herstel. Aldus heeft hij niet alleen gevaarzettend gehandeld, maar ook ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De namens het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaring en die van haar moeder geven goed de impact en ellende aan die het slachtoffer heeft moeten ondervinden en nog steeds ondervindt.

Algemene ervaringsregels leren bovendien dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden.

Het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat hij inzicht lijkt te hebben in en heeft aangegeven verantwoordelijkheid te willen nemen voor de gevolgen van zijn handelen. Gebleken is dat de verdachte reeds voorafgaand aan de strafzitting in eerste aanleg spijt heeft betuigd en uitvoerig zijn excuses aan het

slachtoffer heeft aangeboden en ook in een later stadium betrokkenheid heeft getoond. De verdachte heeft dadelijk opening van zaken gegeven, waardoor het hof ervan overtuigd is dat hij zich verantwoordelijk voelt en spijt heeft.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 18 april 2017 en 21 november 2017 en van hetgeen door de ter terechtzitting verschenen zittingsvertegenwoordiger van de Raad naar voren is gebracht.

Het lijkt goed te gaan met de verdachte. Hij volgt particulier onderwijs en heeft een gestructureerde vrijetijdsbesteding in de vorm van onder meer meerdere baantjes. Zijn moeder lijkt de opvoeding goed onder controle te hebben, is betrokken en kan

voldoende toezicht en structuur bieden. Er waren enige zorgen over zijn inzichten in oorzaak en gevolg. Thans is gebleken dat het eerder besproken verhoogde recidiverisico is afgenomen. De Raad is van mening dat een leerstraf dan wel verplichte hulpverlening als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke sanctie niet noodzakelijk zijn en adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Het hof is - alles afwegende, en mede in aanmerking genomen de ernst van het onder 1,2 én 3 bewezenverklaarde, alsmede de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd - van oordeel dat een hogere straf dan door de eerste rechter is opgelegd en door de advocaat generaal gevorderd op zijn plaats is. Het hof legt dan ook op een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van hierna vermelde duur.
Het hof zal de proeftijd beperken tot een jaar gezien de persoon van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.339,42.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 339,42, bestaande uit de posten:

- Begeleiding door moeder op zitting, opnemen vrije dag € 112,24;

- Niet vergoede medicatie; € 50,00;

- Kosten homeopathie € 85,00

- Reiskosten € 92,18;

en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 6000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.227,18, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 227,18 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘Begeleiding door moeder op zitting, opnemen Vrije dag’ de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien deze kosten niet als rechtstreekse schade,

toegebracht door het bewezen verklaarde feit zijn aan te merken.

Het hof zal de verdachte – gelijk de rechtbank - wel veroordelen in deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal daarbij optellen de in hoger beroep in aanvulling op de vordering gevorderde proceskosten ad € 101,06 ter zake van de ‘Begeleiding door vader op zitting opnemen vrije dag’.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 213,29, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 4.227,18 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z,77gg, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 4.227,18 (vierduizend tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) bestaande uit € 227,18 (tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 213,29 (tweehonderddertien euro en negenentwintig cent), waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.227,18 (vierduizend tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) bestaande uit € 227,18 (tweehonderdzevenentwintig euro en achttien cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 december 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,
mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en
mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier
mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2018.

mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.