Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3709

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
200.227.283
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1280, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoerrecht. Beslagverdrag. Provisionele vordering. Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter tot het geven van een bevel om mee te werken aan de omzetting van zekerheid die in het buitenland is gesteld ter opheffing van een beslag op bunkers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/5
NJF 2019/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 13 november 2018

Zaaknummer : 200.227.283

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/518460 / HA ZA 17-44

Arrest

in de zaak van:

1. DEXHON SHIPPING INC.,

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,

2. ZODIAC MARITIME LTD.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

appellanten, tevens eiseressen in het incident,

hierna te noemen: Dexhon en Zodiac, samen: Dexhon c.s.,

advocaat: mr. M.M. van Leeuwen (Rotterdam),

tegen

V. MARINE FUELS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

hierna te noemen: V Marine,

advocaat: mr. R.P. van Campen (Amsterdam).

Het geding

Dexhon c.s. is bij dagvaarding van 1 november 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 augustus 2017 dat de Rechtbank Rotterdam tussen partijen heeft gewezen. De dagvaarding behelst - naast tien grieven - een incidentele/provisionele vordering ex art. 223 Rv. In de dagvaarding wordt ook naar een productie verwezen. Die is door Dexhon c.s. bij akte in het geding gebracht. V Marine heeft daarna een memorie van antwoord in het incident ex art. 223 Rv ingediend. Daarbij heeft zij tevens een incidentele vordering ex art. 224 Rv ingesteld. Die heeft zij - na een akte van Dexhon c.s. in dit ‘cautie-incident’ (met producties) - bij antwoordakte weer ingetrokken. Vervolgens - op 4 september 2018 - hebben de advocaten van partijen pleidooien gehouden in het incident ex art. 223 Rv. Allebei hebben zij daarbij een pleitnota gebruikt en die ook overgelegd. Voorafgaande aan de pleitzitting heeft de advocaat van Dexhon c.s. bij brieven van 20 en 28 augustus 2018 producties ingestuurd, waaronder, bij de laatstbedoelde brief, een aanvullend commentaar/advies (bij brief van 27 augustus 2018) van de door hem geraadpleegde Marokkaanse advocaat Z. Hamzi. Tegen overlegging van die productie heeft de advocaat van V Marine, wegens het (te) late tijdstip ervan, bezwaar gemaakt. In verband met dit bezwaar zijn bij de onderstaande beoordeling aan deze productie geen argumenten ontleend ten nadele van V Marine of ten voordele van Dexhon c.s.

De beoordeling van de gevorderde voorlopige voorziening

inleiding

1. Op of omstreeks 13 januari 2015 heeft V Marine in Marokko (Safi) conservatoir beslag laten leggen op het aan Dexhon toebehorende en door Zodiac gemanagede zeeschip ‘Forest Park’. Het beslag strekte tot zekerheid voor het verhaal van haar openstaande vordering uit hoofde van een brandstofleverantie aan boord van de ‘Forest Park’. Op 16 januari 2015 is het beslag opgeheven tegen storting door Dexhon c.s. van een geldbedrag bij het Marokkaanse gerecht dat het beslagverlof had verleend; meer precies MD(irham) 2.508.290,74 als equivalent van USD 272.863. In de onderhavige procedure vordert Dexhon c.s. verklaringen voor recht – o.a. dat Marine V geen vordering op Dexhon c.s. heeft en evenmin een verhaalsrecht op het schip – en daarnaast een aan V Marine op te leggen bevel om, op straffe van een dwangsom, te doen wat nodig is om de rechter te Marokko het bedrag dat ter opheffing van het beslag is gestort ter vrije beschikking van de reder of diens vertegenwoordigers te laten stellen. V Marine heeft deze vordering bestreden en, wat betreft het bevel tot medewerking aan de teruggave van de beslagvervangende zekerheid, bovendien de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bestwist.

2. Oordelend dat de verklaringen voor recht niet kunnen worden gegeven kwam de rechtbank niet toe aan de vordering tot medewerking aan de teruggave van de beslagvervangende zekerheid en daarmee ook niet aan de rechtsmachtsvraag ten aanzien van die vordering. In het kader van de thans voorliggende provisionele vordering dient de rechtsmachtvraag wel – en als eerste – te worden beantwoord. Die beantwoording is als volgt.

internationale rechtsmacht

3. Ingevolge art. 5 van het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen, Brussel, 10 mei 1952, Trb. 1981, 165 (hierna: het Beslagverdrag) was de Marokkaanse rechter binnen wiens rechtsgebied het scheepsbeslag gelegd was bevoegd om dit beslag tegen het stellen van zekerheid op te heffen. Diezelfde rechter is dan bevoegd om de teruggave van de zekerheidsstelling te gelasten. Dat het daarbij om een exclusieve bevoegdheid gaat, staat, anders dan V Marine meent, niet in het Beslagverdrag, doch behoeft hier geen nadere beschouwing, omdat Dexhon c.s. nu eenmaal geen teruggave van de zekerheidsstelling vordert, maar, in de hoofdzaak, onvoorwaardelijke medewerking van V Marine om de Marokkaanse rechter in staat te stellen die teruggave te gelasten en, in dit incident, een bevel van V Marine om – tegen het doen stellen door Dexhon c.s. van een garantie volgens het Rotterdams Garantieformulier door de P&I Club – te doen wat nodig is om het bij de rechtbank in Marokko gestorte depot vrij te doen stellen of terug te betalen aan de reder of diens vertegenwoordigers. Ten aanzien van die, minder verstrekkende, incidentele vordering bevat de tekst van het Beslagverdrag evenmin een exclusieve bevoegdheidsregel ten gunste van in dit geval de Marokkaanse beslagrechter, terwijl een uitleg van het verdrag – overeenkomstig de regels van het Verdragenverdrag van Wenen, 23 mei 1969, Trb. 1985, 79 (i.h.b. art. 31 en 32) – niet tot de conclusie leidt dat die er wel in besloten ligt. Voor een vordering tot medewerking als hier aan de orde geldt ook niet de naar Nederlands internationaal privaatrecht aanvaarde regel dat in beginsel slechts het gerecht van het land van tenuitvoerlegging bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing. Bovendien zou hier reden zijn voor een uitzondering, in aanmerking nemende dat V Marine, wier medewerking wordt verlangd, hier te lande is gevestigd en weliswaar (in januari 2015) in Marokko bevoegdelijk beslag heeft gelegd, maar sedertien dat beslag niet heeft vervolgd en geen aanstalten maakt om dit alsnog te doen, waarna Dexhon c.s. uiteindelijk zelf maar voor de Nederlandse rechter een ‘negatieve verklaring voor recht procedure’ is begonnen met betrekking tot de door V Marine gepretendeerde vordering. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om over deze ‘hoofdvordering’ te oordelen is niet in geschil. Die, aan art. 4 Brussel I bis-Vo te ontlenen, bevoegdheid kan onder deze omstandigheden ook worden aanvaard ten aanzien van het geschilpunt betreffende V Marine’s gehoudenheid om mee te werken aan het realiseren van een aanvaardbaar alternatief voor de verhaalszekerheid voor die hoofdvordering. Daarbij komt dat niet in geschil is dat een gezamenlijk, dan wel door V Marine alleen gedaan verzoek aan het Marokkaanse gerecht om vrijgave van het gestorte geldbedrag in ruil voor een garantie door de P&I Club effect zal sorteren.

de provisionele vordering

4.1

V Marine heeft ook overigens slechts formele verweren aangevoerd tegen de

provisionele vordering. Zo betwist zij dat die vordering (i) samenhangt met de hoofdvordering (art. 223 lid 2 Rv) en (ii) een voorziening betreft voor de duur van het geding (art. 223 lid 1 Rv). Ook bestrijdt zij dat Dexhon c.s. een voldoende (dringend) belang heeft bij toewijzing ervan. Deze verweren falen om redenen als hierna in 4.2.1 t/m 4.2.3 uiteengezet.

4.2.1

Aan de eis van connexiteit is om meerdere reden voldaan. In de eerste plaats is er een directe samenhang tussen de provisionele vordering tot medewerking aan het realiseren van een alternatief voor de bestaande verhaalszekerheid en de verdergaande eis in het hoofdgeding tot ongeclausuleerde medewerking aan het bewerkstelligen van de teruggave ervan. Daarnaast bestaat een samenhang in die zin dat Dexhon c.s. het hoofdgeding nu juist heeft ingesteld om terugave van het door haar gestorte depot te verkrijgen.

4.2.2

Ook het voorschrift dat een provisionele vordering geldt als een voorlopige voorziening voor de duur van het hoofdgeding staat aan toewijzing niet in de weg. Die toewijzing kan hier worden gezien als voorschot op de in het hoofdgeding gevorderde onvoorwaardelijke medewerking aan het bewerkstelligen van een vrijgave van het depot, of op een daarin besloten liggende, minder vergaande eis tot vrijgave tegen een garantiestelling als thans voorgeteld. Toewijzing ervan leidt bovendien niet tot onomkeerbare gevolgen. In de eerste plaats is die toewijzing niet gericht op het vervallen, maar op het vervangen van de gestelde zekerheid en heeft V Marine niet aannemelijk weten te maken dat door wijziging van de vorm de omvang van deze zekerheid zal afnemen. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk geworden dat de vervanging niet desgevorderd zou kunnen worden teruggedraaid.

4.2.3

Wat tot slot het ‘voldoende dringend belang’ bij toewijzing van de provisionele vordering betreft wordt er in de eerste plaats op gewezen dat voor toewijzing van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag geen spoedeisend belang is vereist. Die lijn wordt wel doorgetrokken naar de vordering tot teruggave of vermindering van een beslagvervangende zekerheid. Los hiervan heeft Dexhon c.s. – met een verwijzing naar o.a. de rentederving, het mogelijke valutarisico en de omstandigheid dat de onderhavige procedure naar verwachting nog geruime tijd kan duren – haar belang bij een tussentijdse omzetting van het depot in een garantie voldoende aangetoond. Daar doet niet aan af dat zij het zelf is geweest die begin 2015 heeft gekozen voor de mogelijkheid om via een ex parte verzoek opheffing van het beslag tegen een contante storting te bewerkstelligen. Het is immers niet zo dat Dexhon c.s. daar dan dus voor een reeks van jaren aan gebonden is en in redelijkheid geen medewerking van V Marine meer mag verlangen bij het zoeken naar een minder bezwaarlijk alternatief.

5. Voor de door haar bepleite afwijzing van het door Dexhon c.s. aangeboden alternatief voor het in Marokko gestorte depot heeft V Marine uitsluitend formele verweren aangevoerd. Die treffen zoals gezegd geen doel. Wat V Marine meer in het bijzonder niet – althans niet met de vereiste duidelijkheid en behoorlijk toegelicht – heeft gesteld is dat zij voor haar verhaalspositie slechter af is met het aangeboden alternatief. Ook bij een ambtshalve beoordeling is niet aannemelijk geworden dat V Marine door de omzetting van het depot in een garantie als aangeboden wordt geschaad in een rechtens te respecteren materieel belang.

6. Een en ander leidt tot de conclusie dat de provisionele vordering op na te melden wijze dient te worden toegewezen. De dwangsom is daarbij gemaximeerd. En de termijn waarbinnen aan de opgelegde inspanningsverplichting moet worden voldaan is iets ruimer gesteld.

7. Iedere verdere beslissing, waaronder die omtrent de kosten van het incident, wordt aangehouden.

De beslissing

Het Hof:

in het incident:

- beveelt V Marine om binnen veertien (14) werkdagen na betekening van dit arrest – met daarbij gevoegd een ten gunste van haar gestelde originele garantie als aangeboden (d.w.z. overeenkomstig de door Dexhon c.s. overgelegde productie HB1, waarin het bedrag is aangepast in US$ 335.000) – te doen wat nodig is in Marokko om het bij het gerecht aldaar gestorte contante depot vrij te doen stellen of terug te betalen aan de reder of diens vertegenwoordigers, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat

V Marine daarmee in gebreke blijft, met een maximum € 300.000;

- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

- reserveert de uitspraak over de proceskosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 december 2018 voor het indienen van de memorie van antwoord.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, D.A. Schreuder en W. van der Velde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.