Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:368

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
200.228.514/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

SO-procedure Ten onrechte het oude art. 7:668 BW (zoals dat gelding had tot 1 januari 2015) toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.228.514/01

Rolnummer rechtbank : 4925086 CV EXPL 16-2354

Arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

tegen

Taxi [...] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.G. Matze te Breda.

De procedure

Verwezen wordt naar het tussenarrest van 9 januari 2018 waarin een comparitie na

aanbrengen is bevolen. Tijdens die op 15 februari 2018 gehouden comparitie is namens

beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure verzocht. Daartoe hebben de

behandelend advocaten ieder een SO-formulier als bedoeld in artikel 3.2 van het Second

Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). Zoals in de SO-formulieren staat vermeld, luidt de enige grief dat de kantonrechter te Rotterdam, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter) in de vonnissen van 19 januari 2017 en 5 oktober 2017 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen [appellante] in eerste aanleg had gevorderd of geconcludeerd.

2. Het hof - dat kennis heeft genomen van de stukken van de eerste aanleg - neemt de overwegingen van de kantonrechter over waar het betreft het oordeel met betrekking tot het onder I primair door [appellante] gevorderde en de daarbij behorende stellingen, en maakt deze tot de zijne. Onderdeel I van de vordering van [appellante], waar het betreft het primaire gedeelte, wordt afgewezen.

3. Met betrekking tot de subsidiaire stellingen en de daarop gebaseerde vordering onder I van [appellante], inhoudende dat de arbeidsovereenkomst van partijen - die voor de duur van elf maanden was aangegaan en zou eindigen per 1 oktober 2015 - stilzwijgend is verlengd voor een periode van (nog eens) elf maanden, overweegt het hof het volgende.

4. In dezen is niet van toepassing art. 7:668 lid 1 (oud) BW, doch art. 7:668 lid 1 jo lid 4 aanhef en sub a. van het BW zoals dat sedert 1 januari 2015 geldt. Art. 7:668 BW zoals dat sinds 1 januari 2015 geldt, heeft directe werking, behoudens de in artikel XXIId Overgangsrecht WWZ genoemde beperkingen, die in deze zaak niet relevant zijn. Kort gezegd komt een en ander op het volgende neer. Een werkgever dient een werknemer met een tijdelijk contract uiterlijk een maand voor het verstrijken van de tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan, schriftelijk te informeren over de status van het dienstverband bij de afloop van het contract. Laat de werkgever een en ander na, dan, zo bepaalt art. 7:668 lid 4 aanhef en onder a BW, wordt de arbeidsovereenkomst van partijen, indien deze wordt voortgezet, geacht te zijn voortgezet voor dezelfde tijd en onder dezelfde voorwaarden.

5. Onbestreden is dat [appellante], ook na 30 september 2015, nog taxiwerkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft verricht, in totaal 44,75 uur. Naar het oordeel van het hof gaat het daarbij om voortzetting van de werkzaamheden die voor 1 oktober 2015 ook werden uitgevoerd. Van een andere grond voor die werkzaamheden is niet gebleken. Waar verder uit niets blijkt dat [geïntimeerde] voldaan heeft aan de informatieplicht als bedoeld in het eerste lid van art. 7:668 BW, moet op grond van art. 7:668, lid 4, aanhef en sub a BW, de conclusie zijn dat de arbeidsovereenkomst van partijen voor elf maanden is voortgezet, te rekenen vanaf 1 oktober 2015. Aan de aan [appellante] gerichte brief gedateerd 21 september 2015 komt geen betekenis toe. Zo deze brief al de door bedoeld artikel 7:668, lid 1 BW voorgeschreven informatie bevat, is deze, nu er sprake is van voorzetting van het dienstverband in de zin van de wet, niet tijdig verzonden. Van een tussentijdse beëindiging van de arbeidsrelatie na 1 oktober 2015 is niet gebleken. Met een beëindigingsovereenkomst heeft [appellante] niet ingestemd. [geïntimeerde] betoogt van wel, maar onderbouwt dat niet en doet ter zake evenmin een concreet bewijsaanbod. Van een (rechtsgeldige) andere arbeidsovereenkomst ter vervanging van het verlengde contract is evenmin sprake.

6. De slotsom van al het voorgaande is dat de vordering van [appellante] onder I subsidiair (de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst vanaf 30 september 2015 voor elf maanden is voortgezet) en onder III tot doorbetaling van loon toewijsbaar is. Waar [geïntimeerde] niet bestreden heeft dat het daarbij gaat om een bedrag groot € 1.400,-- per maand, zal het hof dat bedrag toewijzen en wel over de periode van 1 oktober 2015 tot 1 september 2016, alles te vermeerderen met de tot 10% te beperken wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Op het door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigde loon dient in mindering te worden gebracht hetgeen [geïntimeerde] [appellante] over de maand oktober 2016 reeds aan salaris heeft voldaan (over de 44,75 gewerkte uren). De vordering van [appellante] onder II met betrekking tot de toelating tot het werk, wordt afgewezen, omdat zij daarbij geen belang meer heeft, omdat de duur van de verlengde arbeidsovereenkomst inmiddels is verstreken, waardoor deze definitief is geëindigd.

7. De vonnissen van de kantonrechter zullen worden vernietigd. Als de in het in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.

Beslissing:

Het hof:

- vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van 19 januari 2017 en 5 oktober 2017,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] gedurende de periode van 1 oktober 2015 tot 1 september 2016 te voldoen een bedrag aan loon groot € 1.400,-- per maand, verminderd met het reeds door [geïntimeerde] betaalde salaris over de maand oktober 2015, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 10 % en de wettelijke rente;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 5 oktober 2017 begroot op € 700,-- aan salaris gemachtigde;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 97,31 aan explootkosten, € 313,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, M. Flipse en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.