Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3656

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
22-002784-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft meerdere bankbiljetten in voorraad gehad, waarvan ze wist dat deze vals waren op het moment dat zij deze ontving. De verdachte heeft geprobeerd één van die valse biljetten in het betalingsverkeer te brengen, door een bezorger ermee te betalen. Door oplettendheid van de betreffende bezorger is dit niet gelukt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002784-18

Parketnummer: 10-070081-18

Datum uitspraak: 29 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2000,

[BRP-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 15 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


zij op of omstreeks 10 april 2018 te Rotterdam, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die zij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing haar, toen zij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 10 april 2018 te Rotterdam (een) drukwerk(en) of een ander voorwerp in de vorm van een bankbiljet(ten) in voorraad heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich onder meer op het standpunt gesteld dat de verdachte op het moment dat zij de bankbiljetten ontving, niet wist dat deze vals waren. Een gelijkluidende verklaring heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg zelf ook afgelegd.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de onder de verdachte aangetroffen bankbiljetten van vijftig euro onmiskenbaar vals zijn. De verdachte heeft noch tegen de politie, noch ter terechtzitting in eerste aanleg willen verklaren hoe zij aan de valse biljetten is gekomen terwijl de enkele aanwezigheid van deze biljetten schreeuwt om een verklaring van de verdachte: hoe is zij als zeventienjarige zonder een vast inkomen, anders dan de door haar gestelde oppaswerkzaamheden, in het bezit gekomen van meerdere bankbiljetten van vijftig euro, welke biljetten duidelijk vals zijn? Indien de verdachte te goeder trouw in het bezit zou zijn gekomen van de betreffende biljetten, had het op haar weg gelegen om te verklaren hoe zij daaraan is gekomen. Die verklaring wordt door de verdachte echter niet gegeven.

Gelet op het vorenstaande schuift het hof de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op het moment dat zij de biljetten ontving, wist dat deze vals waren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 10 april 2018 te Rotterdam, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die zij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing haar, toen zij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid hem bekend was, toen hij ze ontving in voorraad hebben met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft meerdere bankbiljetten in voorraad gehad, waarvan ze wist dat deze vals waren op het moment dat zij deze ontving. De verdachte heeft geprobeerd één van die valse biljetten in het betalingsverkeer te brengen, door een bezorger ermee te betalen. Door oplettendheid van de betreffende bezorger is dit niet gelukt.

In het maatschappelijk en economisch verkeer dient men erop te kunnen vertrouwen dat geld echt en onvervalst is. Het in omloop brengen van vals geld brengt in het algemeen het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer schade toe en dupeert in het bijzonder de latere onwetende ontvanger in ernstige mate.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2018 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof het opleggen van jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde thans niet passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. J.A.C. Bartels en mr. S. van Dissel, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 november 2018.

Mr. S. van Dissel is buiten staat dit arrest te ondertekenen.