Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3652

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
22-002968-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Smaadschrift. Tenlastelegging van een bepaald feit? De verdachte heeft pornografische afbeeldingen van aangeefster met vergezellende teksten naar familieleden en collega’s van aangeefster gestuurd. Het hof oordeelt onder meer dat het hier gaat om duidelijk te onderkennen concrete gedragingen, en dat de afbeeldingen ook heden ten dage strijdig zijn met de positieve (seksuele) moraal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002968-18

Parketnummer: 09-222402-17

Datum uitspraak: 13 december 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 6 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortejaar] 1958,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, eveneens als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2016 te Delft, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, gegevens (te weten een Facebook account en/of een Gmail account, toebehorende aan [aangeefster]), die door middel van een geautomatiseerd werk en/of door middel van telecommunicatie waren opgeslagen, werden verwerkt en/of werden overgedragen, heeft veranderd, gewist, onbruikbaar en/of ontoegankelijk heeft gemaakt en/of andere gegevens daaraan heeft toegevoegd, immers heeft verdachte:

- de (oorspronkelijke) inloggegevens voor dat Facebook account en/of dat Gmail account (die toebehoorde(n) aan [aangeefster]) verwijderd, althans gewijzigd en/of

- ( nieuwe/andere) inloggegevens voor dat Facebook account en/of dat Gmail account aangemaakt en/of opgeslagen (zonder deze aan [aangeefster] kenbaar te maken) en/of

- dat Facebook account aangevuld en/of aangepast en/of

- vanaf dat Facebook account berichten verstuurd naar familie van die [aangeefster] en/of

- vanaf dat Gmail account e-mails, althans berichten verstuurd (aan familie en/of bekenden van die [aangeefster]);


2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 14 juni 2017 te Delft, althans in Nederland opzettelijk, (telkens) de eer en/of de goede naam van [aangeefster] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door telkens een of meer pornografische afbeeldingen van die [aangeefster] per email te verspreiden, waaronder aan (een) familielid/familieleden en/of aan een/of meer collega('s) van die [aangeefster].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2016 te Delft, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, gegevens (te weten een Facebook account en/of een Gmail account, toebehorende aan [aangeefster]), die door middel van een geautomatiseerd werk en/of door middel van telecommunicatie waren opgeslagen, werden verwerkt en/of werden overgedragen, heeft veranderd, gewist, onbruikbaar en/of ontoegankelijk heeft gemaakt en/of andere gegevens daaraan heeft toegevoegd, immers heeft verdachte:

- de (oorspronkelijke) inloggegevens voor dat Facebook account en/of dat Gmail account (die toebehoorde(n) aan [aangeefster]) verwijderd, althans gewijzigd en/of

- (nieuwe/andere) inloggegevens voor dat Facebook account en/of dat Gmail account aangemaakt en/of opgeslagen (zonder deze aan [aangeefster] kenbaar te maken) en/of

- dat Facebook account aangevuld en/of aangepast en/of

- vanaf dat Facebook account berichten verstuurd naar familie van die [aangeefster] en/of

- vanaf dat Gmail account e-mails, althans berichten verstuurd (aan familie en/of bekenden van die [aangeefster]);

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 14 juni 2017 te Delft, althans in Nederland opzettelijk, (telkens) de eer en/of de goede naam van [aangeefster] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door telkens een of meer pornografische afbeeldingen van die [aangeefster] per email te verspreiden, waaronder aan (een) familielid/familieleden en/of aan een/of meer collega('s) van die [aangeefster].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging t.a.v. het onder 2 ten laste gelegde

De verdachte heeft per e-mail naar onder andere familieleden en collega’s van aangeefster [aangeefster] zonder haar instemming of medeweten afbeeldingen verzonden waarop onder meer valt waar te nemen dat aangeefster – die naakt en herkenbaar in beeld is – seksuele handelingen verricht. Deze afbeeldingen gingen gepaard met teksten als (letterlijk): “Dit is wat ik doe bij mijn klienten (ook bij collegas) om hun te voldoen en tevreden te houden. Ik ben ook bi. Binnenkort ga ik alles op internet zetten zodat jullie weten hoe het is om een klient tevreden houden”.

De pornografische afbeeldingen en de deze vergezellende teksten, zeker ook in hun onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van het hof aan te merken als duidelijk te onderkennen concrete gedragingen, die geschikt zijn iemands integriteit aan te tasten. Het hof is voorts van oordeel dat dergelijke afbeeldingen buiten de zeer directe kring van degene(n) met wiens toestemming zij gemaakt zijn ook heden ten dage nog moeten worden aangemerkt als zijnde strijdig met de positieve (seksuele) moraal. Tevens acht het hof het evident dat door de verspreiding van dergelijke afbeeldingen en teksten onder een bredere kring van familieleden en collega’s de reputatie van aangeefster publiekelijk is geschaad. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldaan aan de bij artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereiste tenlastelegging van “een bepaald feit”.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, veranderen, wissen, onbruikbaar maken en ontoegankelijk maken en andere gegevens daaraan toevoegen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

smaadschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan – kort gezegd – verstoring van computergegevens en smaadschrift. Verondersteld mag worden dat er bij slachtoffers van smaadschrift lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ernstig kunnen worden belemmerd. Dat hiervan ook in het onderhavige geval sprake is, blijkt uit de verklaring van het slachtoffer [aangeefster] in het procesdossier en de namens haar gegeven toelichting op haar vordering als benadeelde partij. Zo heeft zij als gevolg van de gedragingen van de verdachte veel schaamte en stress ervaren en durfde zij zich niet meer bij haar collega’s, vrienden en familie te vertonen. Zij heeft zich daarna wegens onder meer stress- en angstklachten onder regelmatige medische behandeling gesteld. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat deze klachten c.q. de daarmee verband houdende behandeling het gevolg is van het strafbare handelen van verdachte.

De verdachte heeft bij zijn handelen kennelijk op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Het hof weegt voorts mee dat het meermalen verspreiden van de foto’s van aangeefster gedurende een aantal maanden heeft plaatsgevonden en specifiek gericht is geweest op de sociale en professionele omgeving van het slachtoffer. Als strafverzwarend weegt het hof daarbij mee dat de verdachte de foto’s verzond met het (door hem voor aangeefster ontoegankelijk gemaakte) mailadres van aangeefster en het aldus voor deed komen of zíj degene was die de foto’s verzond. Ook nadat aangeefster de voor haar onbekende afzender gevraagd had te stoppen, is de verdachte doorgegaan met zijn handelen. Hij heeft zich nota bene gemeld bij de politie met het verhaal dat hij zelf slachtoffer was van het smaadschrift.

Het hof houdt voorts rekening met het voor het slachtoffer zeer persoonlijke karakter van het door verdachte verspreide fotomateriaal alsmede met zijn keuze voor een digitaal verspreidingsmedium en de inherente risico’s op verdere verspreiding die een dergelijk medium met zich brengt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en

– als stok achter de deur - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en – naar het hof begrijpt - in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00 wegens schending van de eer en goede naam van de benadeelde partij en tot een bedrag van € 500,00 voor de overig geleden immateriële schade bestaande uit de als gevolg daarvan ontstane (verdere) aantasting in de persoon van de benadeelde partij, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster].

De omstandigheid dat de verdachte, zoals door zijn raadsman gesteld, thans slechts over zeer bescheiden financiële middelen zou beschikken is daarbij voor het hof geen reden de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten. Niet uitgesloten is immers dat verdachte op enig moment in de toekomst wel weer over middelen zal kunnen beschikken, terwijl evenmin reeds thans kan worden uitgesloten dat bijvoorbeeld door middel van beslag op zijn uitkering c.q. vanuit een getroffen afbetalingsregeling de verdachte de aan het slachtoffer toegekende schadevergoeding zal kunnen voldoen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 261 en 350a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, mr. A. Kuijer en mr. B.W. Streefland, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2018.

Mr. B.W. Streefland is buiten staat dit arrest te ondertekenen.