Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3572

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
200.220.493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aankoop keuken; annuleringskostenbeding algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.220.493/01

Rolnummer rechtbank : 5406588\CV EXPL 16-5471

arrest van 18 december 2018

inzake

[bedrijf] B.V.,

gevestigd te Woubrugge,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [bedrijf] ,

advocaat: mr. C.N. Gimbrère te Amsterdam,

tegen

  1. [geïntimeerde 1] ,

  2. [geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

hierna samen te noemen: [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 31 juli 2017 (met producties) is [bedrijf] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag team kanton, locatie Leiden tussen partijen gewezen vonnis van 3 mei 2017. [bedrijf] heeft in het exploot vijf grieven aangevoerd en tevens een eiswijziging geformuleerd.

Bij arrest van 29 augustus 2017 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Bij brief van 23 oktober 2017 is namens [bedrijf] verzocht het proces-verbaal aan te passen. De griffier heeft hierop het voorblad van het proces-verbaal aangepast en aan partijen gezonden. Bij memorie van antwoord met producties hebben [geïntimeerde 1] c.s. de grieven bestreden. [bedrijf] heeft vervolgens nog een akte genomen, waarop [geïntimeerde 1] c.s. bij akte hebben gereageerd. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest bepaald.

Het hof heeft partijen geïnformeerd dat mr. H.M. Wattendorff, voor wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, niet meer werkzaam is bij het hof. Partijen hebben het hof desgevraagd laten weten in te stemmen met vervanging van mr. H.M. Wattendorff en geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling.


Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. Voor zover de feiten die de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld door partijen niet zijn bestreden, zal ook het hof van die feiten uitgaan. [bedrijf] bestrijdt met grief 5 overweging 2.3 van het bestreden vonnis. Voor zover uit die overweging al kan worden afgeleid dat de koopovereenkomst is ontbonden, zal het hof de ontbinding niet langer als vaststaand aannemen. Gelet daarop mist [bedrijf] belang bij grief 5.

2. Met wat verder in hoger beroep is aangevoerd en als onweersproken is komen vast te staan, gaat het in deze zaak zakelijk weergegeven om het volgende.

2.1

Op 12 februari 2016 hebben [geïntimeerde 1] c.s. een keuken gekocht bij Keukenwarenhuis.nl voor € 15.500,- inclusief btw.

2.2

Op de koopovereenkomst is onder meer voorgedrukt dat Keukenwarenhuis.nl een handelsnaam is van [bedrijf] , dat de voorwaarden zoals afgedrukt op de achterzijde van de koopovereenkomst van toepassing zijn en dat de opdrachtgever door ondertekening (van de koopovereenkomst) verklaart van de tekst van de afgedrukte voorwaarden te hebben kennis genomen en met de toepasselijkheid ervan in te stemmen.

2.3

De algemene voorwaarden van [bedrijf] (hierna: de algemene voorwaarden) bepalen in artikel 10 (hierna: het annuleringskostenbeding) onder meer dat bij annulering van de overeenkomst door de afnemer deze een gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd van 30% van de koopprijs, indien de verkoper de afnemer nog niet heeft bericht dat de verkochte goederen kunnen worden op- of afgeleverd.

2.4

[geïntimeerde 1] c.s. hebben op 15 februari 2016 aan [bedrijf] per deurwaardersexploot hun faxbrief van diezelfde datum laten betekenen, waarin wordt verwezen naar een e-mailbericht van 14 februari 2016. In de faxbrief en het e-mailbericht melden [geïntimeerde 1] c.s. dat zij de koopovereenkomst ontbinden.

2.5

[bedrijf] heeft bij factuur van 30 juni 2016 annuleringskosten van € 4.597,50 inclusief btw aan [geïntimeerde 1] c.s. in rekening gebracht.

2.6

[geïntimeerde 1] c.s. hebben de annuleringskosten niet betaald.

Het geschil

3.1

[bedrijf] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen tot betaling van de hiervoor genoemde annuleringskosten met nevenvorderingen.

3.2

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen.

3.3

[bedrijf] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en formuleert een eiswijziging. [bedrijf] vordert thans, zakelijk weergegeven, veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot primair: betaling van € 4.597,50 aan annuleringskosten, subsidiair: nakoming van de koopovereenkomst althans betaling van € 15.500,- versterkt met een dwangsom, en meer subsidiair: betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 4.597,50, een en ander telkens vermeerderd met rente en kosten.

3.4

[geïntimeerde 1] c.s. concluderen in hun memorie van antwoord tot, primair, niet-ontvankelijkverklaring van [bedrijf] en, subsidiair, bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Incidenteel hoger beroep

4.1

Met een beroep op de namens [bedrijf] verzochte aanpassing van het proces-verbaal betogen [geïntimeerde 1] c.s. in hun memorie van antwoord dat niet [bedrijf] maar Keukenwarenhuis.nl hun contractuele wederpartij is, zodat [bedrijf] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Het hof merkt dit verweer aan als incidentele grief. De inhoud van de memorie van antwoord laat namelijk geen andere conclusie toe dan dat [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep een andere uitspraak wensen dan waartoe zij in eerste aanleg hebben geconcludeerd. Gelet op de inhoud van de akte van 6 februari 2018 waarbij [bedrijf] inhoudelijk heeft gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsbetoog van [geïntimeerde 1] c.s. heeft [bedrijf] dat ook zo begrepen.

4.2

Indien het incidentele hoger beroep slaagt, is [bedrijf] niet ontvankelijk in haar vorderingen. Om die reden beoordeelt het hof eerst het incidenteel appel.

4.3

Het hof overweegt dat uit de koopovereenkomst en het uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel van [bedrijf] volgt dat [bedrijf] Keukenwarenhuis.nl als handelsnaam voert. [geïntimeerde 1] c.s. hebben dan ook een koopovereenkomst gesloten met [bedrijf] . Dit betekent dat [bedrijf] ontvankelijk is in haar vorderingen en dat het incidentele hoger beroep faalt.

Principaal hoger beroep

- grieven 1-3

4.4

De grieven 1-3 richten zich kort gezegd tegen het oordeel van de kantonrechter dat het annuleringskostenbeding moet worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is. [bedrijf] betoogt dat het annuleringskostenbeding niet onredelijk bezwarend is. Ter toelichting voert [bedrijf] aan dat het in rekening gebrachte bedrag een redelijke vergoeding voor geleden verlies of gederfde winst is. Volgens [bedrijf] heeft zij daartoe ook al voldoende bewijs (in de vorm van concrete gegevens) geleverd. Verder is het beding in overeenstemming met de voorwaarden van de Centrale Branchevereniging Wonen (hierna: de CBW-voorwaarden) die in overleg met de Consumentenbond tot stand zijn gekomen en door de Consumentenbond vanuit het oogpunt van de consument zijn getoetst en aanvaardbaar en redelijk zijn bevonden.

4.5

De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat 30% van de koopsom een redelijke vergoeding is voor het door [bedrijf] door de annulering geleden verlies of gederfde winst. Volgens de kantonrechter heeft [bedrijf] volstaan met het verschaffen van algemene gegevens. De kantonrechter heeft verder overwogen dat de bedongen vergoeding van 30% hoog te noemen is, nu [geïntimeerde 1] c.s. de ontbinding van de koopovereenkomst binnen twee dagen na het sluiten ervan hebben ingeroepen en niet is gebleken dat [bedrijf] op dat moment al uitvoeringshandelingen had verricht en concreet kosten had gemaakt.

4.6

[bedrijf] komt niet op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het annuleringskostenbeding in de termen van artikel 6:237, aanhef en onder i, BW valt. De toepasselijkheid van dat artikel is in hoger beroep dan ook uitgangspunt. Dit betekent dat het beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, behalve in het geval het een redelijke vergoeding voor door [bedrijf] geleden verlies of gederfde winst betreft. Het ligt op de weg van [bedrijf] om feiten en/of omstandigheden te stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit de redelijkheid van de door haar gevorderde vergoeding volgt.

4.7

Bij het beoordelen van de redelijkheid van het in rekening gebrachte percentage gaat het erom of een bedrag aan annuleringskosten ter hoogte van 30% van de koopsom een redelijke vergoeding is van de door [bedrijf] gederfde winst en geleden verlies (artikel 6:237, aanhef en onder i, BW [in verbinding met artikel 6:96 BW]).

4.8

Wat betreft haar geleden verlies en gederfde winst stelt [bedrijf] , onder verwijzing naar haar jaarcijfers en een rapport van haar accountant, dat haar gemiddelde brutowinstmarge (het percentage dat van de omzet overblijft na aftrek van de bedrijfskosten (o.a. loon-, huur- en energiekosten) gedurende de jaren 2011-2016 boven de 33% heeft gelegen en zelfs steeds ruim boven de 37% is. Onder verwijzing naar een brief van brancheorganisatie INretail van 14 oktober 2015 stelt [bedrijf] dat vrijwel alle kosten doorlopende (vaste) kosten zijn die gelijkelijk drukken op alle verkopen.

4.9

Als een order niet doorgaat, derft de leverancier winst. De in het geval van annulering niet gemaakte variabele kosten (zoals kosten van bezorgen, servicekosten en debiteurenbewaking) maken van het verkoopbedrag maximaal 3 à 4% uit. Het tijdstip van annuleren is niet relevant omdat de vaste kosten met het verstrijken van de tijd in beginsel niet hoger of lager worden. [geïntimeerde 1] c.s. weerspreken de juistheid van de in de hiervoor bedoelde brief opgenomen gegevens niet. Het hof gaat om die reden voorbij aan het betoog van [geïntimeerde 1] c.s. dat [bedrijf] geen inzicht heeft verschaft specifiek met betrekking tot de cijfers van haar eigen onderneming. Gelet op de toelichting van [bedrijf] dekt de gevorderde 30% van de koopprijs bij annulering slechts deels de kosten. Het is dan ook alleszins redelijk dat [bedrijf] dat percentage vordert.

4.10

Richtlijnconforme uitleg van art. 6:233, aanhef en sub a, BW aan Richtlijn 93/13/EEG leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van dat het omstreden beding “het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort”. Zonder dat beding zouden [geïntimeerde 1] c.s. immers niet in een betere positie zijn geweest, omdat [bedrijf] in dat geval aanspraak had kunnen maken op nakoming van de overeenkomst dan wel volledige schadevergoeding, te weten het door [bedrijf] geleden verlies en de gederfde winst. Tussen partijen is immers een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand gekomen waarvan [bedrijf] in beginsel nakoming kan vorderen. Het is niet aannemelijk geworden dat dit verlies en deze gederfde winst minder is dan 30% van de koopsom. Tegen deze achtergrond leiden de overige omstandigheden van het geval niet tot een ander oordeel.

4.11

Daarbij komt nog het volgende. Niet weersproken is dat de tekst van het annuleringskostenbeding gelijkluidend is aan artikel 12 van de tot 1 juli 2017 geldende CBW-voorwaarden. De CBW-voorwaarden zijn in samenwerking met de Consumentenbond vastgesteld. Er mag dan van worden uitgegaan dat de belangen van de consument in de CBW-voorwaarden voldoende zijn gewaarborgd. Voor het beding heeft dan hetzelfde te gelden. Dat de Consumentenbond de CBW-voorwaarden per 1 juli 2017 zou hebben beëindigd vanwege het feit dat de Consumentenbond van mening zou zijn veranderd over de (on)redelijkheid van artikel 12 van de CBW-voorwaarden, zoals [geïntimeerde 1] c.s. aanvoeren, maakt de beoordeling niet anders. De beëindiging van de CBW-voorwaarden brengt immers nog niet met zich dat de belangen van de consument in die voorwaarden onvoldoende zouden zijn gewaarborgd. Daarbij komt nog dat de koopovereenkomst is gesloten op een moment dat de ‘oude’ CBW-voorwaarden golden en de consument bij annulering van de koop van de keuken ook in de per 1 juli 2017 in werking getreden ‘nieuwe’ CBW-voorwaarden altijd een vergoeding van minimaal € 500,- verschuldigd is. Verder merkt het hof nog op dat de annuleringsregeling zoals opgenomen in artikel 12 van de CBW-voorwaarden en het annuleringskostenbeding voor de consument doorgaans voordeliger is dan het alternatief, namelijk de aanspraak van de leverancier op volledige nakoming van de koopovereenkomst. Dat Mandemakers kort geleden haar algemene voorwaarden voor wat betreft de verschuldigdheid van annuleringskosten heeft aangepast in de zin dat de consument bij de koop van een keuken de order nog binnen twee werkdagen na eerste ondertekening ervan kosteloos kan annuleren, maakt ook niet dat het annuleringskostenbeding onredelijk bezwarend is. Het hof merkt daarbij op dat het gezien de bovenstaande recente ontwikkelingen ten aanzien van de regeling voor annulering van de koop van keukens niet is uitgesloten dat over het al dan niet onredelijk bezwarend zijn van een annuleringskostenbeding op termijn anders zou kunnen worden gedacht.

4.12

Dat wat hiervoor is overwogen, leidt tot het oordeel dat grieven 1-3 terecht zijn voorgesteld. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het annuleringskostenbeding onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en/of artikel 6:237, aanhef en onder i, BW. Bij deze stand moeten de andere verweren van [geïntimeerde 1] c.s. die tot afwijzing van de vorderingen kunnen leiden, worden beoordeeld.

- overige verweren; grief 4

4.13

[geïntimeerde 1] c.s. hebben in eerste aanleg en hoger beroep aangevoerd dat (i) zij hebben gedwaald bij het sluiten van de koopovereenkomst, (ii) de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, (iii) [bedrijf] hen geen redelijke mogelijkheid heeft geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen en (iv) dat zij gerechtigd waren de koopovereenkomst binnen de wettelijke bedenktermijn van artikel 7:2 BW te ontbinden.

dwaling (verweer (i))

4.14

[geïntimeerde 1] c.s. stellen ter ondersteuning van hun beroep op dwaling dat zij op 12 februari 2016 niet de intentie hadden een koopovereenkomst te sluiten. Het gesprek tussen [geïntimeerde 1] c.s. en de keukenverkoper de heer Snel is een ‘verkoopfuik’ geweest. Verder zijn [geïntimeerde 1] c.s. verkeerd voorgelicht in het verkoopgesprek. In de koopovereenkomst is keukenapparatuur van Siemens opgenomen, maar daarvan is slechts de helft van Siemens Studioline, aldus [geïntimeerde 1] c.s. [bedrijf] stelt daar tegenover dat [geïntimeerde 1] c.s. in het gesprek van 12 februari 2016 in onderhandeling zijn gegaan, waarbij zij zelf een koopprijs van € 15.500,- hebben geboden waarmee [bedrijf] akkoord is gegaan, en uiteindelijk een koopovereenkomst hebben getekend. Verder is slechts één apparaat dat in de koopovereenkomst is opgenomen niet van Siemens, en heeft [bedrijf] aangeboden om desgewenst aanpassingen aan de keuken te doen.

4.15

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grond om te oordelen dat [geïntimeerde 1] c.s. zich met succes op dwaling kunnen beroepen. Hun stelling dat sprake zou zijn van een ‘verkoopfuik’ en dat zij eigenlijk helemaal niet van plan waren al een keuken te kopen is hiervoor, wat daarvan verder ook zij, onvoldoende. Voor een beroep op dwaling is nodig dat [geïntimeerde 1] c.s. feiten en omstandigheden aanvoeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zij de koopovereenkomst hebben gesloten op basis van een onjuiste voorstelling van zaken die (kort gezegd) is te wijten aan een inlichting van de wederpartij of aan het feit dat de wederpartij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. [geïntimeerde 1] c.s. hebben in dit verband onvoldoende (relevante) feiten en omstandigheden aangevoerd. Meer in het bijzonder rechtvaardigt de omstandigheid dat de verkoper zich (naar [geïntimeerde 1] c.s. stellen) schuldig heeft gemaakt aan agressieve verkooppraktijken, niet zonder meer een beroep op dwaling. Dat de in de koopovereenkomst opgenomen apparatuur mogelijk deels niet van Siemens was is ook onvoldoende, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat het voor [geïntimeerde 1] c.s. van doorslaggevend belang was dat de in de keuken te plaatsen apparatuur geheel van Siemens moest zijn en dat [bedrijf] van die wens ook op de hoogte was, en zij bovendien niet hebben betwist dat [bedrijf] zich bereid heeft verklaard de koopovereenkomst aan hun wensen aan te passen.

toepasselijkheid en kennisname algemene voorwaarden (verweer (ii) en (iii))

4.16

Niet in geschil is dat geïntimeerde sub 2 de koopovereenkomst namens [geïntimeerde 1] c.s. heeft ondertekend. Gelet daarop is de op de koopovereenkomst voorgedrukte vermelding dat de opdrachtgever door middel van ondertekening van de koopovereenkomst akkoord gaat met de toepasselijkheid van de op de achterzijde opgenomen algemene voorwaarden en van de algemene voorwaarden kennis heeft genomen een verklaring die dwingend bewijs oplevert in de zin van artikel 157 lid 2 Rv. [geïntimeerde 1] c.s. kunnen hiertegen op de voet van artikel 151 Rv tegenwijs leveren. [geïntimeerde 1] c.s. hebben twee aan hen geadresseerde en op 12 februari 2016 om 22:17 uur verzonden e-mailberichten afkomstig van een e-mailaccount van [bedrijf] in het geding gebracht. Bij één van de berichten zijn de algemene voorwaarden als .pdf-bestand gevoegd. Dit bericht is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om te ontkrachten dat de algemene voorwaarden ook reeds op de achterzijde van de koopovereenkomst waren opgenomen, waarmee voldaan is aan de eis dat ze [geïntimeerde 1] c.s. bij het sluiten van de koopovereenkomst ter hand zijn gesteld. Dit betekent dat het hof uitgaat van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden.

bedenktermijn van artikel 7:2 BW (verweer (iv))

4.17

[geïntimeerde 1] c.s. hebben aangevoerd dat de koper van een keuken op grond van artikel 7:2 BW het recht heeft de koopovereenkomst te ontbinden binnen drie dagen na het sluiten van het schriftelijke koopcontract. De stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat artikel 7:2 BW ook ziet op een zaak die bestanddeel wordt van een tot bewoning bestemde onroerende zaak, berust op een onjuiste lezing van deze wetsbepaling. Voor het overige verenigt het hof zich met rov. 4.2 van het bestreden vonnis en maakt het daarin neergelegde oordeel tot het zijne.

4.18

De slotsom is dat geen van de verweren van [geïntimeerde 1] c.s. opgaat. De kantonrechter heeft de vorderingen van [bedrijf] dan ook ten onrechte afgewezen. Dit houdt in dat grief 4 slaagt.


Conclusie

4.19

Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. Het hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen.

4.20

Het primair gevorderde komt voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. dat de annuleringskosten moeten worden berekend over de koopsom exclusief btw slaagt. De over de koopsom verschuldigde btw moet immers door [bedrijf] worden afgedragen, en het niet ontvangen daarvan wegens de annulering van de koopovereenkomst vormt voor haar geen schade. Niet in geschil is dat de overeengekomen koopsom € 15.500,- inclusief btw is. Gelet op het geldende btw-percentage van 21% komt de koopsom exclusief btw uit op € 12.809,92. De annuleringskosten bedragen 30% daarvan, dus € 3.842,98. Dat bedrag zal worden toegewezen.

4.21

De gevorderde contractuele rente wordt niet toegewezen. [bedrijf] beroept zich op artikel 9 lid 2 van de algemene voorwaarden. Bedoelde bepaling regelt de betalingstermijn indien betaling op termijn is overeengekomen, alsmede de verschuldigde rente indien niet binnen die termijn wordt betaald. Het gaat hier echter niet om een te late betaling als bedoeld in artikel 9 lid 2, maar om betaling van de annuleringskosten als bedoeld in artikel 10. Het toe te wijzen bedrag zal daarom worden vermeerderd met de (subsidiair gevorderde) wettelijke rente. Die rente zal worden toegewezen vanaf 9 juli 2016, als de dag waarop [geïntimeerde 1] c.s. in verzuim zijn geraakt met de betaling van de factuur waarbij de annuleringskosten in rekening zijn gebracht.

4.22

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Consumenten als [geïntimeerde 1] c.s. zijn pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd indien zij op de voet van artikel 6:96 lid 6 BW vruchteloos zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen. Het is aan [bedrijf] om te stellen dat aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. [bedrijf] beroept zich op de brief van 12 juli 2016, maar niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] c.s. die brief tijdig hebben ontvangen. [bedrijf] heeft namelijk niet gesteld op welke dag [geïntimeerde 1] c.s. die brief (op zijn laatst) hebben ontvangen, hetgeen wel op haar weg had gelegen (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).

4.23

[geïntimeerde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. De kosten van [bedrijf] in eerste aanleg worden begroot op in totaal € 959,62 (€ 559,62 aan verschotten + € 400,- aan salaris gemachtigde (2,0 punten ×

€ 200,-)), in het principale hoger beroep op in totaal € 2.317,56 (€ 799,56 aan verschotten + € 1.518,- aan salaris advocaat (2,0 punten × € 759,-)) en in het incidentele hoger beroep op € 759,-. De gevorderde wettelijke rente en de nakosten over de proceskosten zullen worden toegewezen als in het dictum bepaald.

4.24

De (meer) subsidiaire vorderingen van [bedrijf] behoeven gezien het voorgaande geen beoordeling.

Beslissing

Het hof:

In het principale hoger beroep:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag team kanton, locatie Leiden van 3 mei 2017;

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 3.842,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2016 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [bedrijf] tot op 3 mei 2017 begroot op € 959,62;

  • -

    bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de dag van dit arrest moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van volledige voldoening.

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde;

In het incidentele hoger beroep:

- verwerpt het incidentele hoger beroep;

In het principale en incidentele hoger beroep voorts:

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van het principale en incidentele hoger beroep, aan de zijde van [bedrijf] tot op heden begroot op € 3.076,56;

  • -

    bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van dit arrest moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. tot betaling van € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat het bedrag van € 157,- binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak en het bedrag van € 82,-, binnen veertien dagen na de datum van betekening moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, R.S. van Coevorden en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018 in aanwezigheid van de griffier.