Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3522

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
BK-18/00401
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:817, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1065
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rechtbank heeft, aangezien zij diende te beslissen of belanghebbende recht had op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Er is sprake van een beslissing die de rechtbank bij haar uitspraak kan nemen, waardoor belanghebbende in een betere positie kan komen. Ingeval het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de naheffingsaanslag is vernietigd en daarbij een forfaitaire kostenvergoeding is toegekend, zou de op zichzelf gerechtvaardigde vraag of sprake is een zodanige termijnoverschrijding in de bezwaarfase dat recht bestaat op een immateriële schadevergoeding niet meer door de rechter kunnen worden beoordeeld. Dit kan niet worden aanvaard. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek had de Rechtbank niet onbesproken mogen laten. De Rechtbank heeft op 30 januari 2018, nr. SGR 17/3921, betreffende het bezwaar tegen de voldoening op aangifte Bpm van dezelfde auto, waarbij tegelijk bezwaar was gemaakt tegen de naheffingsaanslag en het bezwaar hetzelfde onderwerp betrof, namelijk het vaststellen van het afschrijvingspercentage om de Bpm te berekenen, en de procedure in bezwaar en beroep gelijk opgingen, geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden met afgerond 1,5 jaar en heeft daarvoor € 1.500 aan vergoeding toegekend. In dit geval is eveneens sprake van een termijnoverschrijding van afgerond 1,5 jaar. Het Hof kent nu niet afzonderlijk een immateriële schadevergoeding toe en wijst het verzoek om bovenop de reeds in de zaak SGR 17/3921 (BK-18/00402) toegekende vergoeding nogmaals een vergoeding toe te kennen, af. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag Bpm in bezwaar zonder belanghebbende te horen vernietigd en een forfaitaire kostenvergoeding toegekend. De hoorplicht in bezwaar geldt niet als de Inspecteur volledig tegemoet komt d.w.z. “volledig aan het bezwaar gericht tegen het primaire besluit tegemoet wordt gekomen”. Het bezwaar kan zich alleen richten tegen het primaire besluit, de kostenbeslissing is immers op het moment dat bezwaar wordt ingesteld nog niet genomen. Het Hof is zonder een beslissing van de ontvanger over een verzoek om vergoeding van Irimie-rente niet bevoegd te oordelen omtrent een dergelijk verzoek vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c IW 1990, welke regeling als lex specialis voorrang heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-12-2018
V-N Vandaag 2018/2823
FutD 2019-0020
NTFR 2019/1186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00401

uitspraak van 27 november 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: A.F.M.J. Verhoeven en M.P.C. van Limpt)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen Team auto/BPM Doetinchem, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: J.J.G. Claassens en E.G.M. Schepper)

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2018, nummer SGR 17/3920.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 31 december 2014 aan belanghebbende ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een vanuit een andere lidstaat afkomstige personenauto een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.849.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag vernietigd en een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 september 2018 gehouden te Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 21 november 2013 aangifte Bpm gedaan voor een BMW […] .

3.2.

Belanghebbende heeft de verschuldigde Bpm van € 2.748 op 22 november 2013 voldaan.

3.3.

De Inspecteur heeft op 31 december 2014 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 2.849.

3.4.

Belanghebbende heeft op 5 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag Bpm en tegen de voldoening op aangifte.

3.5.

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag op 4 mei 2017 gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Voorts heeft de Inspecteur een forfaitaire kostenvergoeding toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de bezwaarfase van € 246.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard hetgeen belanghebbende betwist doch de Inspecteur verdedigt. Zo het beroep ontvankelijk is, is in geschil:

- of sprake is van schending van de hoorplicht in de bezwaarfase;

- of de Rechtbank het beroep had moeten terugwijzen naar de Inspecteur;

- of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag aan BPM;

- of de Inspecteur belanghebbende de werkelijke kosten van de bezwaarprocedure (en beroepsprocedure) had moeten en van de hoger beroepsprocedure moet vergoeden;

- of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens lange duur van de procedure in bezwaar alsmede op vergoeding van rente over deze vergoeding.

4.2.

Belanghebbende bepleit dit en de Inspecteur betoogt het tegendeel.

4.3.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot terugwijzing van het geding naar de Inspecteur, tot het vergoeden van rente over Bpm en het toekennen van een immateriële schadevergoeding, integrale proceskostenvergoedingen en terugbetaling van griffierechten.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft overwogen:

“8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] geen belang bij deze procedure en dient het beroep daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. [De Inspecteur] is geheel aan de bezwaren van [belanghebbende] tegemoetgekomen en heeft in die omstandigheid terecht aanleiding gezien het horen van [belanghebbende] achterwege te laten, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:3, onderdeel e van de Awb. [De Inspecteur] heeft immers de naheffingsaanslag vernietigd en een forfaitaire proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend waarom [belanghebbende] had gevraagd.

9. Volgens [belanghebbende] is desalniettemin de hoorplicht geschonden. Indien [belanghebbende] was uitgenodigd voor een hoorgesprek had zij immers nog andere gronden kunnen aanvoeren en in het geval die niet waren gehonoreerd had zij bij het beroep nog een belang kunnen hebben. De rechtbank kan die stelling niet volgen. Het gaat er niet om wat [belanghebbende] in bezwaar allemaal nog meer had kunnen aanvoeren, maar wat zij feitelijk heeft aangevoerd. En daar is [de Inspecteur] geheel aan tegemoetgekomen. Wat [belanghebbende] had kunnen aanvoeren levert geen schending van de hoorplicht op en evenmin een procesbelang in beroep. Van een ambtshalve toets door [de Inspecteur] in de bezwaarfase aan overschrijding van de redelijke termijn voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, zoals [belanghebbende] betoogt, is geen sprake en levert dus evenmin een procesbelang in beroep op.

10. Al hetgeen [belanghebbende] dan overigens nog heeft aangevoerd behoeft dan verder geen bespreking meer.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

7.1.

De naheffingsaanslag is opgelegd aan [X] BV. Derhalve is deze vennootschap de belanghebbende. In het bezwaarschrift, het beroepschrift en het hoger beroepschrift is vermeld dat het bezwaar, beroep en hoger beroep is ingesteld namens [A] BV als belanghebbende. In beide vennootschappen treedt uiteindelijk als enig aandeelhouder en bestuurder [B] op. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat aannemelijk is dat hier sprake is van een vergissing van de kant van de gemachtigde en dat is beoogd namens eerstgenoemde [X] BV de rechtsmiddelen in te stellen. Het Hof zal daarom voorbijgaan aan deze vergissing en aannemen dat namens [X] BV de rechtsmiddelen zijn ingesteld.

Niet ontvankelijk verklaring van het beroep door de Rechtbank

7.2.1.

Bij de beoordeling van het onderhavige hoger beroep dient te worden vooropgesteld dat een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard als dat rechtsmiddel de indiener ervan, ongeacht de aan te voeren gronden, niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.

7.2.2.

Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is (Hoge Raad 12 mei 2017, nr. 15/05579, ECLI:NL:HR:2017:844, BNB 2017/203 en Hoge Raad 11 april 2014, nr. 13/01903, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122).

7.2.3.

De Rechtbank heeft, gelet op de omstandigheid dat zij diende te beslissen of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het beslissen op het bezwaar van belanghebbende, het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Er is sprake van een beslissing die de rechtbank bij haar uitspraak kan nemen, waardoor belanghebbende in een betere positie kan komen. Ingeval het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de naheffingsaanslag is vernietigd en daarbij een forfaitaire kostenvergoeding is toegekend, zou de op zichzelf gerechtvaardigde vraag of sprake is een zodanige termijnoverschrijding in de bezwaarfase dat recht bestaat op een immateriële schadevergoeding niet meer door de rechter kunnen worden beoordeeld (vgl. HR 2-12-2016, nr. 16/01717, ECLI:NL:HR:2016 2738). Dit kan niet worden aanvaard.

Hoorplicht

7.3.

De Inspecteur is volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende door de naheffingsaanslag Bpm te vernietigen. Verder heeft de Inspecteur de proceskostenvergoeding toegekend op grond van het Bpb, waar de gemachtigde in zijn bezwaarschrift om heeft verzocht. De hoorplicht in bezwaar geldt gelet op het bepaalde in artikel 7:3, onderdeel e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet als de Inspecteur volledig tegemoet komt aan de bezwaren van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof dient hieronder te worden verstaan “volledig aan het bezwaar gericht tegen het primaire besluit tegemoet wordt gekomen”. Het Hof neemt hierbij in overweging dat het bezwaar zich alleen kan richten tegen het primaire besluit, de kostenbeslissing is immers op het moment dat bezwaar wordt ingesteld nog niet genomen (vgl. Hof Amsterdam 9 mei 2017, nr. 16/00213, ECLI:NL:GHAMS:2017:1787, het hiertegen gerichte cassatieberoep is afgedaan met toepassing van artikel 81 RO zie HR 22 december 2017, nr. 17/3020, ECLI:NL:HR:2017:3226, alsmede Hof Den Haag 7 april 2017, nr. BK-16/00399, ECLI:NL:GHDHA:2017:1389, het hiertegen gerichte cassatieberoep is eveneens afgedaan met toepassing van artikel 81 RO zie HR 10 november 2017, nr. 17/01905, ECLI:NL:HR:2017:2846). De Inspecteur heeft derhalve de hoorplicht niet geschonden en voor terugwijzing naar de Inspecteur ziet het Hof geen reden.

Rente

7.4.

Voor zover belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 een verzoek heeft gedaan om vergoeding van renteschade over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag aan Bpm, overweegt het Hof dat het niet bevoegd is op een dergelijk verzoek te beslissen zonder een beslissing daartoe van de ontvanger. Gelijk de Hoge Raad in zijn arresten van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL: 2017:341, BNB 2017/99 en 28 september 2018, nr. 17/01298, ECLI:NL: HR:2018:1789 heeft overwogen is het vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c van de Invorderingswet, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter de bevoegdheid geeft bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep te beslissen op verzoeken om schadevergoeding, niet aan het hof om zonder een beslissing van de ontvanger op een dergelijk verzoek, zelf uitspraak te doen over het hiervoor omschreven verzoek. Belanghebbende kan zich uiterlijk na het onherroepelijk worden van de onderhavige uitspraak wenden tot de Belastingdienst. De ontvanger zal op het verzoek beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 30 Invorderingswet 1990). Daartegen kunnen - eventueel - rechtsmiddelen worden aangewend (vgl. vorenvermeld arrest HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341). Zonder de hiervoor vermelde beslissing van de ontvanger kan de stelling van belanghebbende dat de renteregeling zoals opgenomen in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 in strijd is met het Unierecht, geen onderwerp van geschil vormen in beroep en hoger beroep.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

7.5.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087, BNB 2011/232 tot en met 2011/234, beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade.

7.5.2.

Voor beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337 voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken. Dit brengt mee dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen.

7.5.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR: 2016:252, BNB 2016/140, geoordeeld dat overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb meebrengt dat om vergoeding van immateriële schade moet worden verzocht. Indien een belanghebbende zich voor de rechter erover beklaagt dat deze de redelijke termijn heeft overschreden, moet die klacht worden aangemerkt als een zodanig verzoek. Belanghebbende heeft in dit geval in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek kan gelet op het hiervoor onder 7.5.2. weergegeven jurisprudentie niet anders worden geduid dan dat belanghebbende verzoekt te toetsen of de berechting van de zaak in eerste aanleg binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Aldus opgevat had de Rechtbank dit verzoek niet onbesproken mogen laten.

7.5.4.

Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur ontvangen op 8 januari 2015 en de uitspraak is door de Rechtbank gedaan op 30 januari 2018. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar in eerste aanleg is overschreden met een jaar en 12 dagen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijn van twee jaar zou moeten worden verlengd, zijn gesteld noch gebleken. Het bezwaarschrift is op 18 februari 2015 gemotiveerd en de Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 4 mei 2017. De termijnoverschrijding is derhalve volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Voor die fase geldt in beginsel een termijn van een half jaar als redelijk. De Inspecteur heeft niet gesteld dat er redenen zijn om die termijn te verlengen en deze volgen evenmin uit het dossier.

7.5.5.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie het arrest BNB 2011/232). In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (zie ook HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117).

7.5.6.

Belanghebbende heeft op 5 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag Bpm en tegen de voldoening op aangifte Bpm van 21 november 2013. Beide bezwaarschriften betroffen dezelfde auto, werden tegelijk ingesteld en het geschil had in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het vaststellen van het percentage van de afschrijving om het verschuldigde bedrag aan Bpm te berekenen. Onder die omstandigheden dient volgens de hiervoor genoemde jurisprudentie slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden te worden toegekend. De zaken zijn in bezwaar tegelijk opgegaan en er is tegelijk uitspraak op bezwaar gedaan. Hetzelfde geldt voor de beroepsfase. De Rechtbank heeft in de uitspraak van 30 januari 2018, nr. SGR 17/3921, betreffende het bezwaar tegen de voldoening op aangifte geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden met afgerond anderhalf jaar en heeft daarvoor € 1.500 aan vergoeding wegens immateriële schade toegekend. In de onderhavige zaak is eveneens sprake van een termijnoverschrijding van afgerond anderhalf jaar. Het Hof komt tot de conclusie dat het in de onderhavige zaak niet afzonderlijk een immateriële schadevergoeding kan toekennen en zal daarom het verzoek van de gemachtigde om bovenop de reeds in de zaak SGR 17/3921 (BK-18/00402) toegekende vergoeding nogmaals een vergoeding toe te kennen afwijzen.

Verzoek om hogere proceskostenvergoeding

7.6.1.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend conform het Bpb zoals belanghebbende zelf heeft verzocht. In beroep voor de Rechtbank verzoekt belanghebbende een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen.

7.6.2.

Naar het oordeel van het Hof treft de Inspecteur geen verwijt en heeft hij niet tegen beter weten in de naheffingsaanslag opgelegd. Voor toekenning van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien de inspecteur het verwijt treft dat hij, zoals in dit geval een naheffingsaanslag oplegt, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag in bezwaar geen stand zal houden (vgl. Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Die situatie doet zich hier niet voor. Dat tussen partijen geregeld een verschil van mening bestaat over de toepassing en reikwijdte van onder meer artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de uitleg van arresten van het Hof van Justitie dan wel de Hoge Raad maakt nog niet dat de Inspecteur in dat kader volstrekt onhoudbare standpunten inneemt en zelfs standpunten inneemt tegen beter weten in. Dat een arrest van het Hof van Justitie of de Hoge Raad uiteindelijk aanleiding kan zijn de naheffingsaanslag in bezwaar te vernietigen is niet een omstandigheid als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007. Voor toekenning van een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet het Hof pdaarom geen aanleiding.

7.6.3.

De aanspraak die belanghebbende wegens schending van het Unierecht maakt op een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt door het Hof verworpen. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de arresten HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, BNB 2005/239, HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, BNB 2005/374, HR 19 december 2014, nr. 13/05786, ECLI:NL:HR:2014:3603, BNB 2015/101 en HR 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833, BNB 2016/184. In het onderhavige geval zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan belanghebbende in aanmerking komt voor een integrale proceskostenvergoeding.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.002 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt hoger beroep, 1 punt zitting, € 501 per punt en gewicht van de zaak 0,5). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd omdat de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in plaats van het beroep ongegrond te verklaren en het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft, ziet het Hof aanleiding het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 508 te laten vergoeden door de griffier.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 501 en

  • -

    gelast de griffier het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 508 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, G.J. van Leijenhorst en B.A. van Brummelen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.