Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3477

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
BK-18/00418
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:824, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag Bpm in bezwaar zonder belanghebbende te horen vernietigd en een forfaitaire kostenvergoeding toegekend. De hoorplicht in bezwaar geldt niet als de Inspecteur volledig tegemoet komt d.w.z. “volledig aan het bezwaar gericht tegen het primaire besluit tegemoet wordt gekomen”. Het bezwaar kan zich alleen richten tegen het primaire besluit, de kostenbeslissing is immers op het moment dat bezwaar wordt ingesteld nog niet genomen. De aanspraak die belanghebbende wegens schending van het EU-recht maakt op integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt door het Hof verworpen. Het Hof is zonder een beslissing van de ontvanger over een verzoek om vergoeding van Irimie-rente niet bevoegd te oordelen omtrent een dergelijk verzoek vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c IW 1990, welke regeling als lex specialis voorrang heeft. Het Hof vernietigt de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding en stelt deze opnieuw vast zonder samenhang. De Rechtbank heeft de pkv gebaseerd op vijf samenhangende zaken zonder duidelijk te maken welke zaken met elkaar samenhangen, het dossier biedt geen duidelijkheid en de Inspecteur of belanghebbende konden over de samenhang op de zitting geen concrete gegevens verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-12-2018
FutD 2018-3368
V-N Vandaag 2018/2825
V-N 2019/9.1.4
NTFR 2019/437 met annotatie van mr. H.A. Elbert
V-N 2019/30.21.15
NLF 2019/0110 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00418

uitspraak van 27 november 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: A.F.M.J. Verhoeven en M.P.C. van Limpt)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen Team auto/BPM Doetinchem, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: J.J.G. Claassens en E.G.M. Schepper)

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2018, nummer SGR 17/4307.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 30 september 2014 aan belanghebbende ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een vanuit een andere lidstaat afkomstige personenauto een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.357. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 64 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking vernietigd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van € 1.500 aan immateriële schade, € 301 aan proceskosten en € 333 aan griffierecht.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft griffierecht geheven van € 253. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 september 2018 gehouden te Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 22 juli 2013 aangifte Bpm gedaan voor een Range Rover […] .

3.2.

De verschuldigde Bpm van € 15.320 heeft zij op 26 juli 2013 voldaan.

3.3.

De Inspecteur heeft op 30 september 2014 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 2.357.

3.4.

De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 30 mei 2017 gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Voorts heeft hij een forfaitaire kostenvergoeding toegekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de bezwaarfase van € 246.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil:

- of sprake is van schending van de hoorplicht in de bezwaarfase;

- of de Rechtbank het beroep had moeten terugwijzen naar de Inspecteur;

- of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag aan Bpm;

- of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoedingen voor de bezwaarfase en de beroepsfase.

4.2.

Belanghebbende bepleit dit en de Inspecteur betoogt het tegendeel.

4.3.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot terugwijzing van het geding naar de Inspecteur, tot het vergoeden van rente over Bpm en het toekennen van hogere proceskostenvergoedingen alsmede terugbetaling van griffierecht.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5.3.

Partijen zijn het ter zitting er over eens geworden dat de Inspecteur belanghebbende € 5 aan wettelijke rente over de door de Inspecteur reeds betaalde immateriële schadevergoeding zal vergoeden in plaats van het reeds vergoede bedrag van € 3.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft overwogen:

Vooraf

8. Het belang bij deze procedure voor [belanghebbende] is gelegen in de omstandigheid dat [de Inspecteur] - en in afwijking van het in het verweerschrift gestelde - niet geheel aan de bezwaren van [belanghebbende] is tegemoetgekomen. [De Inspecteur] immers heeft een forfaitaire vergoeding voor de bezwaarfase toegekend, daar waar [belanghebbende] om toekenning van een integrale vergoeding had gevraagd.

Schending hoorplicht

9. Uit het vorenstaande onder 8 vloeit dan voort dat [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden. Op grond van artikel 7:2 van de Awb dient [de Inspecteur] [belanghebbende] namelijk in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Weliswaar is in artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaald dat [belanghebbende] alleen op haar verzoek wordt gehoord, maar op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiën (laatstelijk gewijzigd op 9 mei 2017, nr. 2017-1209, Stcrt. 2017, 28270) ligt het initiatief tot horen in afwijking van artikel 25 van de Awr bij [de Inspecteur]. Aangezien [de Inspecteur] [belanghebbende] niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord is de hoorplicht geschonden. Anders dan [de Inspecteur] betoogt is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:3, onderdeel e, van de Awb waarbij van horen zou kunnen worden afgezien. [De Inspecteur] is - zoals onder 8 reeds is geconstateerd - immers niet geheel aan de bezwaren van [belanghebbende] tegemoetgekomen.

10. Aan de schending van de hoorplicht kan in het onderhavige geval echter worden voorbijgegaan gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. De belastingplichtige is door de gang van zaken namelijk niet benadeeld. Er bestaat over de feiten en de waardering daarvan (in het bijzonder al dan niet integrale proceskostenvergoeding) immers geen verschil van mening tussen [belanghebbende] en [de Inspecteur] en als dan - zoals hier aan de orde - het gebrek is hersteld doordat [belanghebbende] haar bezwaren in beroep voldoende schriftelijk en mondeling heeft kunnen uiteenzetten, kan aan de schending van de hoorplicht worden voorbijgegaan en volgt om die reden ook geen terugwijzing (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495 en HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1243).

Kostenvergoeding in bezwaar

11. Voor toekenning van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien [de Inspecteur] het verwijt treft dat hij, zoals in dit geval een naheffingsaanslag oplegt, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag in bezwaar geen stand zal houden (vgl. Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. Dat tussen partijen geregeld een verschil van mening bestaat over de toepassing en reikwijdte van onder meer artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de uitleg van arresten van het Hof van Justitie dan wel de Hoge Raad maakt nog niet dat [de Inspecteur] in dat kader volstrekt onhoudbare standpunten inneemt en zelfs standpunten tegen beter weten in inneemt. Dat de Hoge Raad er feitelijk ook al niet veel van begrijpt, zoals [belanghebbende] betoogt, maakt een en ander ook niet anders. Dat een arrest van het Hof van Justitie of de Hoge Raad uiteindelijk aanleiding kan zijn de naheffingsaanslag in bezwaar te vernietigen is niet een omstandigheid als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007. Voor toekenning van een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.

Invorderingsrente

12. Aangezien [belanghebbende] uitstel van betaling heeft genoten bestaat reeds daarom geen aanspraak op vergoeding van rente, wat er ook zij van hetgeen [belanghebbende] daaromtrent heeft aangevoerd.

Immateriële schadevergoeding

13. De enkele omstandigheid dat de hoorplicht is geschonden leidt niet tot een gegrond beroep, aangezien daar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan wordt voorbijgegaan. Ook overigens is het beroep ongegrond. Dat staat echter aan toekenning van een immateriële schadevergoeding - indien daartoe aanleiding bestaat - niet in de weg (vgl. HR 30 november 2012, nr. 11/03462, ECLI:NL:HR:2012:BX4029).

14. [ Belanghebbende] heeft dan ook verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046, -BO5080 en -BO5087). Anders dan [belanghebbende] veronderstelt is er geen aanleiding om ambtshalve te beoordelen of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, noch voor [de Inspecteur], noch voor de rechtbank.

15. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop [de Inspecteur] het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden.

16. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door [de Inspecteur] op 26 september 2014 tot de uitspraak van de rechtbank van heden is ruim 3 jaar verstreken. Derhalve is in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van afgerond 1 ½ jaar.

17. De overschrijding dient geheel te worden toegerekend aan [de Inspecteur] nu de rechtbank zelf binnen de haar toekomende tijd uitspraak heeft gedaan (het beroep van [belanghebbende] is ontvangen op 26 juni 2017).

18. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding daarom toe tot een bedrag van € 1.500 (3 x € 500).

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten gelet op hetgeen is overwogen onder 9 en 10. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op - in beginsel - € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit ziet de rechtbank gelet op hetgeen daaromtrent is overwogen onder 17 geen aanleiding. De rechtbank zal de proceskostenvergoeding op grond van artikel 3 Bpb verdelen over de vijf zaken die betrekking hebben op naheffingsaanslagen, die (nagenoeg) gelijktijdig ter zitting zijn behandeld en waarvoor de werkzaamheden voor de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Maar niet nadat de wegingsfactor 1,5 is toegepast in verband met meer dan vier samenhangende zaken. Voor elk van de zaken bedraagt de vergoeding dan € 301.”

Beoordeling van het hoger beroep

Schending hoorplicht

7.1.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag in bezwaar vernietigd en belanghebbende voor de bezwaarfase een kostenvergoeding toegekend van € 246 conform het Bpb. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De Inspecteur heeft belanghebbende niet gehoord in bezwaar.

7.2.

De hoorplicht in bezwaar geldt gelet op artikel 7:3, onderdeel e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet als de Inspecteur volledig tegemoet komt aan de bezwaren van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof dient hieronder te worden verstaan “volledig aan het bezwaar gericht tegen het primaire besluit tegemoet wordt gekomen”. Het Hof neemt hierbij in overweging dat het bezwaar zich alleen kan richten tegen het primaire besluit, de kostenbeslissing is immers op het moment dat bezwaar wordt ingesteld nog niet genomen (vgl. Hof Amsterdam 9 mei 2017, nr. 16/00213, ECLI:NL:GHAMS:2017:1787, het hiertegen gerichte cassatieberoep is afgedaan met toepassing van artikel 81 RO zie HR 22 december 2017, nr. 17/3020, ECLI:NL:HR:2017:3226, alsmede Hof Den Haag 7 april 2017, nr. BK-16/00399, ECLI:NL:GHDHA:2017:1389, het hiertegen gerichte cassatieberoep is eveneens afgedaan met toepassing van artikel 81 RO zie HR 10 november 2017, nr. 17/01905, ECLI:NL:HR:2017:2846). De Inspecteur heeft derhalve de hoorplicht niet geschonden en voor terugwijzing naar de Inspecteur ziet het Hof geen reden.

Verzoek integrale kostenvergoeding in bezwaarschrift

7.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur geen verwijt treft en dat hij niet tegen beter weten in de naheffingsaanslag heeft opgelegd en dat er daarom geen reden is voor integrale vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. Dit oordeel is juist. Het Hof neemt de door de Rechtbank genoemde gronden over en voegt daaraan het volgende toe.

De aanspraak die belanghebbende wegens schending van het Unierecht maakt op een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt door het Hof verworpen. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de arresten HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, BNB 2005/239, HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, BNB 2005/374, HR 19 december 2014, nr. 13/05786, ECLI:NL:HR:2014:3603, BNB 2015/101 en HR 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833, BNB 2016/184. In het onderhavige geval zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan belanghebbende in aanmerking komt voor een integrale proceskostenvergoeding.

Rente

7.4.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (hierna: het arrest Irimie) een verzoek gedaan om vergoeding van renteschade over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag aan Bpm. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat belanghebbende uitstel van betaling heeft genoten en in feite nooit rente heeft betaald.

7.5.

Gelijk de Hoge Raad in zijn arresten van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL: 2017:341, BNB 2017/99 en 28 september 2018, nr. 17/01298, ECLI:NL:HR:2018:1789, heeft overwogen is het vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c van de Invorderingswet, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter de bevoegdheid geeft bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep te beslissen op verzoeken om schadevergoeding, niet aan het Hof om zonder een beslissing van de ontvanger op een dergelijk verzoek, zelf uitspraak te doen over het hiervoor omschreven verzoek. Het Hof is daartoe niet bevoegd. De ontvanger zal op het verzoek beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 30 Invorderingswet 1990). Daartegen kunnen – eventueel – rechtsmiddelen worden aangewend (vgl. vorenvermeld arrest HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341). Zonder de hiervoor vermelde beslissing van de ontvanger kan de stelling van belanghebbende dat de renteregeling zoals opgenomen in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 in strijd is met het Unierecht, geen onderwerp van geschil vormen in beroep en hoger beroep.

Proceskostenvergoeding door Rechtbank

7.6.

De Rechtbank heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend voor de beroepsfase omdat zij tot de conclusie kwam dat belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de bezwaarprocedure. Bij het bepalen van die kostenvergoeding heeft de Rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toegekend die mede is gebaseerd op vier met het beroep van belanghebbende, dus in totaal vijf, samenhangende zaken. In de uitspraak heeft de Rechtbank echter verzuimd te vermelden met welke zaken de zaak van belanghebbende samenhangt en ook het dossier van belanghebbende biedt het Hof daarover geen duidelijkheid. Evenmin konden de Inspecteur of belanghebbende ter zitting het Hof inzake deze samenhangende zaken concrete gegevens verstrekken. Het Hof zal daarom de proceskostenvergoeding van de Rechtbank vernietigen en in het hierna volgende onderdeel 8 van de uitspraak opnieuw vaststellen. Gelet op het hetgeen het Hof hiervoor onder 7.3 heeft geoordeeld bestond voor de Rechtbank geen reden voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding in beroep.

Rente over immateriële schadevergoeding

7.7.

Partijen zijn het ter zitting er over eens geworden dat de Inspecteur belanghebbende € 5 aan wettelijke rente over de door de Inspecteur reeds betaalde immateriële schadevergoeding zal vergoeden in plaats van het reeds vergoede bedrag van € 3. Voor zover belanghebbende meer vordert over deze vergoeding wijst het Hof dat af, onder verwijzing naar HR 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, BNB 2016/94.

7.8.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.002 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt beroep, 1 punt zitting, 1 punt hoger beroep, 1 punt zitting, € 501 per punt en gewicht van de zaak 0,5). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 253 door de Inspecteur te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover het betreft de aan belanghebbende voor het beroep toegekende proceskostenvergoeding;

- verstaat dat de Inspecteur rente ad € 5 vergoedt over het bedrag aan vergoeding van immateriële schade van € 1.500;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.002 en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 253 aan griffierecht voor het hoger beroep te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, G.J. van Leijenhorst en B.A. van Brummelen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.