Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3437

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
200.197.079-01T2
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beslissing over procesverloop na memorie van antwoord; inrichting slotpleidooien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.197.079/01

Zaak-/rolnummers rechtbank : C/09/477160/HA ZA 15-1; C/09/477162/HA ZA 15-2 en C/09/481619/HA ZA 15-112

arrest van 18 december 2018

inzake

1 de rechtspersoon naar het recht van Cyprus VETERAN PETROLEUM LIMITED,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

hierna te noemen: VPL,

2 de rechtspersoon naar het recht van de Isle of Man YUKOS UNIVERSAL LIMITED,

gevestigd te Douglas, Isle of Man,

hierna te noemen: YUL,

3 de rechtspersoon naar het recht van Cyprus HULLEY ENTERPRISES LIMITED,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

hierna te noemen: Hulley,

appellanten,

hierna gezamenlijk ook wel aan te duiden als HVY (meervoud),

advocaat: mr. M.A. Leijten te Amsterdam,

tegen

DE RUSSISCHE FEDERATIE,

zetelend te Moskou, Russische Federatie,

hierna te noemen: de Russische Federatie,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

1 Het geding

1. Voor het procesverloop tot het tussenarrest van 25 september 2018 verwijst het hof naar dat arrest. Ingevolge de beslissingen in dat tussenarrest hebben partijen ieder een akte genomen waarin zij zich hebben uitgelaten over het verdere verloop van de procedure. In dit arrest geeft het hof hierover een beslissing.

2 Het verdere verloop van de procedure

2.1

Partijen hebben zich op verzoek van het hof in hun aktes uitgelaten over de volgende onderwerpen:

(i) de gelegenheid die HVY al dan niet zouden moeten krijgen om zich niet alleen uit te laten over de bij memorie van antwoord overgelegde producties, maar ook over bepaalde andere stellingen en producties;

(ii) de termijn waarbinnen producties kunnen worden toegezonden die partijen bij het slotpleidooi in het geding willen brengen;

(iii) het tijdstip, de duur en de inrichting van de slotpleidooien.

(i) de nadere reactie van HVY op bepaalde stellingen en producties van de Russische Federatie

2.2

HVY menen in de eerste plaats dat zij in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op bij de memorie van antwoord overgelegde nieuwe producties en op daarin ingenomen nieuwe stellingen. De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat HVY alleen nog zouden mogen reageren op bij de memorie van antwoord overgelegde producties.

2.3

Dat HVY de gelegenheid moeten krijgen om te reageren op de bij memorie van antwoord overgelegde producties is niet in geschil en in overeenstemming met de gebruikelijke gang van zaken in hoger beroep. Het hof zal hiertoe dan ook gelegenheid bieden. In het kader van deze reactie mogen HVY ook producties overleggen. Het hof zal HVY echter niet in de gelegenheid stellen te reageren op ‘nieuwe stellingen’ in de memorie van antwoord, aangezien te weinig bepaald is op welke stellingen HVY doelen. In dit verband kan erop worden gewezen dat het hof reeds in zijn tussenarrest van 25 september 2018 heeft overwogen dat HVY weliswaar hebben aangevoerd dat de Russische Federatie in de memorie van antwoord ‘geheel nieuwe onderwerpen’ had geïntroduceerd, maar dat zij niet hebben aangevoerd op welke onderwerpen zij doelen (rov. 4.4.4).

2.4

HVY willen in de tweede plaats ingaan op bepaalde producties die de Russische Federatie in eerste aanleg heeft overgelegd, maar waarnaar zij in de processtukken (inclusief het pleidooi) niet heeft verwezen. De Russische Federatie verzet zich hier terecht tegen. HVY hebben in ieder geval de gelegenheid gehad op deze producties te reageren bij memorie van grieven en er is, behoudens de hierna te bespreken uitzondering (onder 2.6 slot), geen goede reden hun daartoe thans nogmaals in de gelegenheid te stellen.

2.5

HVY willen ten slotte in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de in de memorie van antwoord opgenomen vernietigingsgrond VII.H en daarmee ook op de hoofdstukken III.B, III.C, IV.C onder c van die memorie. Het betreft hier, kort gezegd, de kwestie van de unclean hands. De Russische Federatie verzet zich hiertegen, omdat zij van oordeel is dat HVY al in een eerder stadium op het unclean hands argument heeft kunnen reageren.

2.6

Het hof zal HVY in de gelegenheid stellen om bij akte te reageren op de door hen aangeduide passages in de memorie van antwoord en om daarbij, binnen het kader van die reactie, producties over te leggen. Niet in geschil is dat de Russiche Federatie in de memorie van antwoord het unclean hands argument voor het eerst heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op art. 1065 lid 1 sub e Rv (openbare orde). De Russische Federatie heeft voorts ter ondersteuning van dit argument, dat in de memorie van grieven niet aan de orde was gesteld, een grote hoeveelheid producties in het geding gebracht en haar betoog aanmerkelijk breder opgezet en beargumenteerd dan in eerste aanleg het geval was. Onder deze omstandigheden vereist de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor dat HVY bij akte niet alleen op deze producties maar ook op die stellingen mogen reageren en, voor zover dat binnen het kader van die reactie blijft, nieuwe producties in het geding mogen brengen. Van HVY kan in redelijkheid niet gevergd worden dat zij die reactie eerst bij pleidooi geven en dat zou het hof ook ongewenst vinden in aanmerking nemend de complexiteit van deze zaak en het karakter van een pleidooi. Daarbij komt dat een reactie die zich strikt zou beperken tot de overgelegde producties, gezien de omvang van die producties, de inzichtelijkheid van het debat voor het hof en voor de Russische Federatie niet ten goede zou komen, dit in tegenstelling tot een reactie die het commentaar op de producties plaatst binnen de context van een lopend betoog. Dit betekent ook dat HVY, doch uitsluitend in het kader van dat betoog en hun reactie op vernietigingsgrond VII.H en de hoofdstukken III.B, III.C, IV.C onder c van de memorie van antwoord, zullen mogen reageren op door de Russische Federatie in eerste aanleg overgelegde producties.

2.7

Anders dan de Russische Federatie aanvoert is een dergelijke reactie van HVY niet in strijd met de twee conclusie-regel, die immers niet inhoudt dat er in appel nooit meer dan twee conclusies mogen worden genomen, maar vooral dat nieuwe grieven, verweren of eisvermeerderingen in beginsel niet later dan in de memorie van grieven of de memorie van antwoord mogen worden aangevoerd. Deze laatste regel blijft, daargelaten de in de jurisprudentie op de twee conclusie-regel aanvaarde uitzonderingen, onverminderd van toepassing op de komende reactie van HVY (en die van de Russische Federatie).

2.8

De Russische Federatie zal de gelegenheid hebben te reageren op de bij de akte van HVY over te leggen producties. Het hof zal de Russiche Federatie toestaan daarbij harerzijds nieuwe producties in het geding te brengen, mits deze dienen ter ondersteuning van haar reactie op de door HVY overgelegde producties. Nadat de Russische Federatie haar reactie bij akte heeft gegeven zal geen gelegenheid meer worden gegeven voor indienen van nadere aktes of memories.

2.9

HVY hebben in hun akte van 23 oktober 2018 voorgesteld dat zij hun akte indienen op 29 januari 2019 (‘ambitieus, maar haalbaar’ volgens HVY) en dat de Russische Federatie desgewenst op de overgelegde producties reageert op 23 april 2019. De Russische Federatie stelt voor deze laatste termijn te bepalen op 18 juni 2019.

2.10

Rekening houdend met de tijd die inmiddels is verstreken na de akte van HVY waarin zij voorstellen de nadere akte te zullen nemen op 29 januari 2019, zal het hof de termijn voor deze akte stellen op 26 februari 2019. De termijn voor de akte van de Russische Federatie zal het hof bepalen op 25 juni 2019.

(ii) de termijn waarbinnen producties kunnen worden toegezonden die partijen bij pleidooi in het geding willen brengen

2.11

Partijen zijn het eens over een termijn van vier weken voorafgaand aan de eerste dag van de pleidooien voor het inzenden van nieuwe producties en een termijn van twee weken voor het inzenden van nieuwe producties als reactie op de eerder op voorhand toegezonden producties. Het hof zal dit voorstel overnemen, maar behoudt zich het recht voor om producties te weigeren als in strijd met de goede procesorde, bijvoorbeeld vanwege de omvang van die producties of indien deze op een onnodig laat tijdstip worden ingediend.

(iii) het tijdstip, de duur en de inrichting van de slotpleidooien

2.12

Partijen hebben verschillende voorstellen gedaan over de duur van de slotpleidooien (HVY: vijf dagen, de Russische Federatie: twee dagen). HVY stellen voor de pleidooien naar (vier) thema’s onder te verdelen (voorlopige toepassing ECT, overige bevoegdheidsvragen, het unclean hands-argument en de overige onderwerpen), waarbij telkens één onderwerp achtereenvolgens door beide partijen wordt bepleit. HVY stellen voor de pleidooien in juni 2019 te houden, terwijl de Russische Federatie voorstelt de tweede helft van september 2019.

2.13

Uit het hiervoor gegeven tijdsschema voor de nog in te dienen nadere reacties is duidelijk dat de pleidooien niet in juni 2019 kunnen plaatsvinden. Het hof wil dan ook de pleidooien bepalen in de tweede helft van september 2019. Het hof zal hiervoor tweeëneenhalve dag reserveren. Gedurende de eerste twee (bij voorkeur aaneensluitende) dagen zullen partijen ieder twee keer anderhalf uur spreektijd per dag krijgen voor de eerste termijn. Het hof heeft daarbij een sterke voorkeur voor de thematische behandeling zoals voorgesteld door HVY, hetgeen, uitgaande van de vier thema’s die HVY in hun akte van 23 oktober 2018 noemen, zou betekenen dat per dag twee thema’s bepleit worden. De derde halve dag, die bij voorkeur ca een week later zou worden gepland, is dan bedoeld voor eventuele vragen van het hof en voor re- en dupliek over alle thema’s (iedere partij twee uur spreektijd). Partijen wordt in overweging gegeven in onderling overleg af te spreken welke thema’s zij op welk tijdstip zullen bepleiten en het hof (door middel van een brief aan de griffier) uiterlijk op 17 juni 2019 van het resultaat van dat overleg op de hoogte te stellen. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de thematische behandeling zoals hierboven voorgesteld, zal het hof een nadere beslissing nemen over de inrichting van de pleidooien (inclusief de pleittijd die partijen ter beschikking staat).

2.14

Partijen wordt verzocht met het oog op de pleidooibepaling aan de griffier hun verhinderdata voor de tweede helft van september op te geven.

3 Samenvatting

3.1

HVY zullen in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op de bij memorie van antwoord overgelegde producties alsmede op vernietigingsgrond VII.H en op hetgeen in de memorie van antwoord is aangevoerd onder III.B, III.C en IV.C onder c. Uitsluitend in het kader van hun reactie op vernietigingsgrond VII.H en de hoofdstukken III.B, III.C, IV.C onder c van de memorie van antwoord, zullen HVY mogen reageren op door de Russische Federatie in eerste aanleg overgelegde producties. HVY mag bij deze akte producties in het geding brengen, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de reactie op de bij memorie van antwoord overgelegde producties en op de bedoelde onderdelen van de memorie van antwoord. Aan HVY zal hiertoe een uitstel worden verleend tot 26 februari 2019.

3.2

De Russische Federatie zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op de bij de akte van HVY overgelegde producties. Het is de Russiche Federatie toegestaan daarbij harerzijds nieuwe producties in het geding te brengen, mits deze dienen ter ondersteuning van haar reactie op de door HVY overgelegde producties. Aan de Russische Federatie zal hiertoe een uitstel worden verleend tot 25 juni 2019.

3.3

Producties voorafgaande aan de pleidooien dienen vier weken voor de eerste dag van de pleidooien aan het hof en de wederpartij te worden toegezonden, waarbij de mogelijkheid zal bestaan nog tot twee weken voor de eerste pleitzitting producties als reactie op de eerder op voorhand toegezonden producties in te zenden.

3.4

De pleidooien zullen plaatsvinden gedurende tweeëneenhalve dag, waarbij tijdens de eerste twee (zo mogelijk aaneensluitende) dagen iedere partij twee keer anderhalf uur spreektijd per dag heeft voor de eerste termijn, en waarbij de laatste (halve) dag (zo mogelijk ca zeven dagen later te plannen) gereserveerd is voor vragen van het hof en de re-en dupliek (spreektijd twee uur per partij). Partijen zullen overleggen over de thematische indeling van de pleidooien en het hof uiterlijk op 17 juni 2019 over het resultaat van dat overleg informeren.

3.5

De pleidooien zullen in beginsel plaatsvinden in de tweede helft van september 2019. Partijen zullen hun verhinderdata per brief aan de griffier doorgeven, waarna het hof de data voor de pleidooien definitief zal bepalen.

Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2019 voor akte aan de zijde van HVY;

- verzoekt partijen hun verhinderdata voor de pleidooien per brief op te geven aan de griffier;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, C.A. Joustra en J.J. van der Helm, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2018, in aanwezigheid van de griffier.